16-12-07

De moord op Stanislaus Nyczak (hoofdstuk III 3+4)

Wat verder botsten ze echter op de Duitse schildwacht Stanislaus Nyczak die hen tegenhield en naar hun papieren vroeg. Kwam Nyczak daar toevallig voorbij nadat hij de post had afgege­ven bij de wachtpost aan de Durmebrug ? Of had hij uitdrukke­lijk opdracht gekregen om te patrouilleren, nadat de Duitsers er lucht van hadden gekregen dat er in het Elverseels Klein-­Broek regelmatig smokkelaars op pad waren ? (6)

Feit is dat Nyczak, allicht met zijn geweer in de aanslag, de 3 mannen begeleidde naar hun bootje op de Durme waar ze hun papie­ren hadden achtergelaten. Dat zouden ze de lichtgelovige Duit­ser althans hebben wijsgemaakt.

Aan de Biergracht gekomen, ter hoogte van café De Halve Maan (doch een paar honderd meter zuidelijker), heeft Medard wellicht van een onoplettendheid van Nyczak gebruik gemaakt om deze te over­vallen en zijn wapen afhandig te maken. Terwijl "den Boeman", Medards nonkel, de Duitser bij zijn benen in bedwang hield, heeft Medard hem dan doodgestoken met zijn mes en het hoofd ver­brijzeld met zijn eigen geweer. Jozef de Kerf had, volgens ei­gen geschreven verklaring, enkel Nyczaks licht afhandig gemaakt en zijn klak voor de mond van de Duitser gehouden om diens ge­roep te dempen.

Toen Cesar Verhelst (°1900) en een 7-tal dorpsgenoten rond half 8 's avonds terugkwamen van de tekenschool in Hamme, werden ze ter hoogte van "den boer van den Bleek" (waar nu het slachthuis is) staande gehouden door een Duitse Feldwebel. Nadat deze. hun reis­passen had gecontroleerd, mochten ze verder gaan. Waarschijn­lijk was Nyczak toen al vermist en waren de Duitsers naar hem op zoek. Pas de volgende morgen echter zou men zijn lijk ont­dekken.

3. 21 oktober 1916 : Ontdekking van het lijk

Wie ontdekte als eerste de vermoorde Duitser ? En wie bracht de ontdekking als eerste aan het licht ? Uit diverse interviews hebben wij kunnen opmaken dat het hier niet over dezelfde per­so(o)n(en) gaat.

Alfons van Buynder (1880-1948), vader van Georges, ging vroeg in de morgen, alvorens zijn dagtaak in brouwerij Vermeire aan te vatten, bladeren rijven naar het "bosken" in het Klein-Broek. Hij zag de Duitser liggen met zijn gezicht in de gracht en ver­wittigde "Ciske de Metser" (7), de vader van Louis de Smet, die in de onmiddellijke nabijheid woonde (waar nu Vincent Vermeire woont, Legen Heirweg 50). Ciske keerde de Duitser op zijn zij en zag hoe lelijk deze was toegetakeld. Hij vreesde echter re­presailles en ried Alfons van Buynder aan er met geen woord over te reppen.

Even later passeerde Josephine Vermeire (1891-1972) daar, echt­genote van Jozef Gobel (1886-1971). Deze echtelingen woonden toen nog op de hoek van de Legen Heirweg en de Burggravestraat (nu café Bierwinkel) en bebouwden een, lapje grond in het Klein­-Broek dat toebehoorde aan Louis Naudts, vader van schepen Emiel Naudts.

Ook Charles Berckmoes (1876-1973), vader van Theophiel, huurde daar een akkertje. Hij woonde waar nu Roger Thierens woont (Legen Heirweg 24) en werd nadien opgepakt door de Duitsers die meenden dat de smokkelaars van bij hem kwamen.

Josephine Vermeire, die op weg was om wat groenten te halen, zag op haar beurt de vermoorde Duitser liggen en riep er Jan ("Wan­nus") Fonteyn bij die op een nabijgelegen akker aan het werk was. Deze besloot de ontdekking te melden "bij Frettes", waar het hoofdkwartier van de Duitsers gevestigd was. Het nieuws ging toen als een lopend vuurtje rond en heel wat nieuwsgierigen gin­gen het lijk bekijken nog vóór de Duitsers er arriveerden. Eén van hen was Marie ("Mieken") Lefebure (°1902). De Duitser lag volgens haar op zijn rechterzijde over de gracht, met zijn hoofd tegen de aangrenzende akker en zijn benen in het wegeltje (zo was hij dus waarschijnlijk achtergelaten door Ciske de Met­ser, die hem uit de gracht had getrokken).

Ook Sophie ("Fieken") Laget (°1901) heeft geruime tijd op het lijk staan kijken en kan zich nog haarfijn bepaalde details her­inneren : zijn borst was volledig doorkerfd, zijn hoofd door­stoken zodat de hersenen eruit puilden. Zijn polsen waren overgesneden. Zijn bajonet lag in 3 stukken, zijn geweer was door­midden gebroken.

Dezelfde voormiddag nog gingen de Duitsers met het onderzoek van start. De eersten die op het gemeentehuis ondervraagd wer­den waren de 8 jonge mannen die de avond tevoren van de teken­school in Hamme waren gekomen.

Naast Cesar Verhelst waren dat Henri Bocklandt, Camiel en Henri de Caluwé, Frans en Jozef Claeyé en nog 2 Sombekenaars (Remi Goossens en Alois van Raemdonck). Cesar Verhelst vertelt hoe ze, één voor één, door luitenant Schmidt op de rooster werden gelegd. Toen bleek dat geen van hen iets wist, werden ze allen weer vrijgelaten. Een reispas voor Hamme zouden ze echter niet meer krijgen, zodat het voor de meesten van hen het einde bete­kende van de tekenschool.

‘s Namiddags kwamen de weerbare mannen aan de beurt. Allen moesten naar het centrum komen. Wie enige verwonding had aan de handen, werd in het gemeentehuis ondervraagd. Dat was o.m. het geval voor Edmond Verbeke (1889-1969) en Jan de Grave (1872-­1928). Toen ook zij onschuldig bleken, mochten ze weer naar huis.


 gevangenis Lokeren

 


4. 22 oktober 1916 : Speurtocht naar de daders

De Duitsers stelden uiteraard alles in het werk om de daders van deze koelbloedige moord te achterhalen. Er kwamen zelfs speurhonden aan te pas die steeds opnieuw het spoor bijster raakten aan de oever van de Durme.

Sommigen beweren dat deze Duitse speurhonden in Tielrode opnieuw het spoor konden oppikken en aldus de bebloede, achtergelaten, kleren van Medard ontdekten. Dat lijkt ons evenwel weinig waar­schijnlijk.

Voorlopig bleven de daders onvindbaar en de Duitsers lanceerden reeds op 22 oktober 1916 een aanplakbiljet waarin 500 fr. werd beloofd aan wie hen op het spoor van de moordenaars kon zetten.

De gemeente Elversele werd bestraft met opschorting van passen en briefwisseling ; de politie-uur werd vastgesteld op 8 uur 's avonds (daarna mocht niemand nog buiten) (8) en alle herber­gen werden voor onbepaalde tijd gesloten. (9) Bovendien werden 3 inwoners als gijzelaars aangehouden. Vol­gens Maria Vincke, echtgenote van Jozef De Wree (Hogenakker­straat 25), betrof het hier o.m. haar vader Leon Vincke (1883­1974), de latere burgemeester van Elversele, en Vital Volckerick (1866-?), toenmalig gemeenteraadslid.

Ook burgemeester Wauman werd onmiddellijk na de feiten onder­vraagd en met opsluiting bedreigd ingeval het niet dadelijk zou uitkomen. Onze burgemeester was toen helemaal van slag en toen luitenant Schmidt woedend uitriep "Ik zal die apen allemaal naar hier halen", verstond hij "Gij zult mij karren met rapen naar hier halen". Hij liet toen terstond de veldwachter naar de Stokthoek en de Bovenhoek rijden, zodat even later er al on­middellijk een 3-tal boeren met een kar rapen kwamen aangereden. Dat maakte Schmidt nog razender.

De volgende dag, 23 oktober 1916, liet Etappecommandant Von dem Knesebeck een nieuw aanplakbiljet circuleren. De Duitsers wis­ten toen al dat ze de daders dienden te zoeken onder smokkelaars die rond 20 oktober rogge hadden opgekocht in Elversele of Sombeke. Opnieuw werd een beloning van 500 fr. uitgeloofd aan wie bruikbare inlichtingen kon geven. (10)

De Duitsers zouden het daar trouwens niet bij laten. Nog steeds grepen er controles plaats op eventuele verwondingen. Ook te Tielrode gebeurde dat, en wel in café Schuttershof (op de hoek van de Gentstraat en de Hofstraat), toen uitgebaat door Petrus ("Pier") Vaerendonck en Celestine Verbiest. Het huis wordt nu nog bewoond door hun zoon, Jozef Vaerendonck (°1905), Gent­straat 88. Jozef beweert dat het bij hem thuis was dat Medard enkele weken later werd aangehouden om op een kar naar Lokeren te worden gevoerd.

Twee hoofdverdachten in de beginfase van het onderzoek waren Arthur Verbeke (1892-1970), beter gekend als "de witten Tuur", en Arthur van Puymbroeck. Laatstgenoemde was een Hammenaar die in de Moortelstraat woonde.

Vermits beiden al eens eerder waren opgepakt voor smokkelprak­tijken, werden ze opnieuw aan de tand gevoeld. De "witten Tuur" zou zich bovendien gekwetst hebben aan de hand bij het kappen van hout. Ze werden ondervraagd in de stal van café De Halve Maan. Dat dat niet erg zachtaardig gebeurde, kon Arthur Verbeke getuigen. Toen hij later op het Hollands Hof woonde (in de Dorpsstraat, net vóór de huidige wijk Ganstienden), vertelde hij o.m. aan Theophiel Poppe en Henri Peersman dat hij en Arthur Van Puymbroeck ieder door 6 Duitsers werden aangepakt en grauw en blauw geslagen. De omwonenden hadden hen huizenver horen huilen.

Volgens sommige geinterviewden was het niet Arthur Van Puymbroeck maar "Smetjen" (Petrus-Augustinus Smet, 1864-1924), tweede echt­genoot van "Emma Loter" (Maria-Emma Engels, 1868-?). Volgens Cesar Verhelst waren er in de beginfase trouwens wel nog meer verdachten die door de Duitsers hardhandig werden onder­vraagd.


6)  Cesar Verhelst (°1900) meent dat Nyczak zich even tevoren had laten scheren bij Edward Hoens (1899-1963), die toen nog inwoonde bij zijn ouders, Petrus Hoens en Margriet van Walle, in café De Bierboom (op de hoek van de Meersstraat). Toen Nyczak terugkeerde naar de brouwerij van Alfred Ver­meire -waar hij volgens Cesar logeerde- zou hij de smokke­laars betrapt hebben en met hen zijn meegegaan.

7) Bernardus-Franciscus de Smet (1856-1934), beter gekend als Ciske de Metser, gehuwd met Leonie de Keyzer (1856-1921).

8) Ook in "gewone" omstandigheden was er tijdens de Eerste Wereldoorlog een politie-uur van kracht, na hetwelk men zich niet meer op straat mocht vertonen. In de zomer was dat vanaf 22 uur, in de winter vanaf 21 uur

9) De tekst van dit aanplakbiljet, dat op 22 oktober 1916 te Lokeren werd gedrukt, luidt als volgt

"In den nacht van 20. tot 21.10.1916 werd op het grondgebied der gemeente Elversele een duitsche soldaat door belgische burgers vermoord.Ik heb drie inwoners van deze gemeente als gijzelaars doen aanhouden en ik zal ze volgens krijgsrecht behandelen, indien de geringste kwaadwilligheid bemerkt wordt.

In Elversele worden alle herbergen ge­sloten, de politie-uur wordt op 8 uren `s avonds vastgesteld, pas- en postopschorsing wordt over de gemeente uitgesproken.

Degene, die den dader zoo kan aanwijzen, dat hem de daad kan bewezen worden zal eene belooning van fr. 500 ontvangen.

Von dem Knesebeck, Oberstleutnant und Etappenkommandant."

(Koninklijke Oudheidkundige Kring van het Land van Waas verzameling Aanplakbiljetten Wereldoorlog I, indexnummer 1916/187)

10) De tekst van dit nieuwe aanplakbiljet luidt als volgt

"Als daders van den, in den nacht van 20 tot 21 oktober gepleegden moord op een Landsturm­man, worden verschillende smokkelaars ver­dacht, die in Elversele of Sombeke of in de nabuurschap dezer gemeenten, den 20 okt.1916 of kort daarvoor, Rogge opgekocht hebben. Alle personen die in deze dagen in de aange­gevene gemeenten Rogge verkocht hebben of van zulkdanige verkoopen kennis hebben, moeten dat zonder uitstel bij hunne Gemeenteoverheid aangeven.

In zoover zij zich zelven, door den verkoop van Rogge, aan het deelnemen van smokkelen schuldig gemaakt hebben, verzeker ik hun straffeloosheid, en doe daarbij nog uitdrukke­lijk opmerken, dat degene die den dader zóó aangeeft dat hij rechterlijk vervolgd kan wor­den, eene belooning van 500 fr. bekomt.

Lokeren, den 23 Oktober 1916.

De Gerichtsheer, von dem Knesebeck, Oberstleutnant en Kommandant."

(Koninklijke Oudheidkundige Kring van het Land van Waas verzameling Aanplakbiljetten Wereldoorlog I, indexnummer 1916/188)

De commentaren zijn gesloten.