23-12-07

Baron Generaal Jules Jacques de Dixmude

baron jacques standbeeld
°Stavelot 24 februari 1858
+ Brussel 24 november 1928


baron jacques beschrijving standbeeld


Jacques
 

Luitenant-Generaal der infanterie

Commandant van het 3de Legerdivisie, 1916-1920

Commandant van de 2de Brigade van het 3de Legerdivisie, 1915-1916

Commandant van het 12de Linie Regiment, 1913-1915

Onder-Commandant van de Koninklijke Militaire School, 1908-1912



Baron Generaal Jules Jacques de Dixmude

Door Kolonel Ch. Brusten
Hoofd van de historische dienst van de Belgische Strijdkrachten

Na meer dan vier jaar vijandelijke bezetting trokken de zegevierende Belgische troepen in november 1918 triomfantelijk door de straten van Luik. Onder het volk hoorde men een stem roepen: "Leve de IJzerdivisie". De officier die aan het hoofd van deze divisie stond antwoordde in de taal van de streek: "De IJzerdivisie, hier is ze".

Wie was nu de commandant die zich zo één voelde met zijn eenheid? Het was Jacques, de roemrijkste bevelhebber van ons leger, de dapperste ook, de populairste, de meest geliefde en de eenvoudigste. "Onze" Jacques, zou weldra "Jacques de Dixmude" genoemd worden. Hij die zich zelf een echte leidersziel had weten te maken was er in gelukt hen allen, die in moeilijke omstandigheden onder zijn bevel hadden gestreden, naar zijn voorbeeld te vormen.

Hij werd te Stavelot geboren op 24 februari 1858. Hij werd er opgevoed door zijn grootoom langs moeders zijde. De rest van zijn familie woonde te Vielsalm, enkele kilometers verder.

Zijn levensideaal heeft hij zeker niet van zijn voorouders meegekregen alhoewel deze hem ongetwijfeld beïnvloed hebben. Van hen ontving hij zijn plichtsbewustzijn en zijn godsdienstzin, die gans zijn militaire carrière zullen tekenen.

Een militaire loopbaan lag echter niet helemaal in de traditie van de familie. Historiografen zochten dan ook tevergeefs naar de motieven van zijn roeping.

Koos hij die richting omwille van het prestige van het uniform, omwille van het avontuur of uit waaghalzerij? Vond hij het een eerste stap naar de vrijheid of werd hij beïnvloed door zijn professor? Men heeft er het raden naar. Zijn jeugd was echter gekenmerkt door een bijzonder sterke drang tot actie. In zijn memoires zou Jacques achteraf zelf schrijven: " Ik was overtuigd, ik was bezeten door het heilig vuur". Hij was er vast van overtuigd dat in de actie een onbeperkte macht schuilde. Hij voelde wanneer hij een opdracht aankon en voerde ze dan ook uit.

Op 1 mei 1876 werd hij opgenomen in de Koninklijke Militaire School te Brussel. Twee jaar later, op 4 mei 1878, verwierf hij de graad van onderluitenant. Tijdens de volgende vijf jaar actieve dienst verwierf hij een zekere beroepsvaardigheid en voelde hij zich geschikt het bevel te voeren.

Op 1 oktober 1883 gaat hij als luitenant naar de Krijgsschool. En op 7 december 1886 wordt hij adjunct benoemd bij de staf.



Jacques militaire school


Jacques aan de Koninklijke Militaire School te Brussel



In die periode deed de Onafhankelijke Kongo Staat, die in een nog praktisch volkomen onbekend Afrika in volle ontbolstering was, beroep op moedige en goedwillige mannen. Jacques kon niet ongevoelig blijven voor die uitnodiging van het onbekende, de actie, ja zelfs het gevaar. Evenmin lieten de voorbeelden van de eerste verkenners Stanley en Brazza hem onverschillig.

Van 1887 tot 1902 deed hij vier effectieve diensttermen in Kongo, hetzij in totaal 12 jaar. De eerste maal was hij adjunct bij de directie voor Transport, Openbare werken en Marine te Boma. Vervolgens stichter van en postoverste in het district der Bangalas in Opper-Kongo. Tijdens zijn tweede term was hij leider van de anti-slavenhandelexpeditie in het Tanganikagebied. Tijdens de derde periode was hij commissaris-generaal en vervolgens explorateur in de streek van het Leopold II-meer. Tijdens de vierde periode tenslotte was hij directeur van de studiecommissie van de spoorwegen in Katanga.

Het is hier niet de plaats om in details over zijn koloniale carrière uit te wijden. Maar daar toonde hij zich reeds een geboren soldaat. Wij willen er hier alleen aan herinneren dat hij tot die plejade pioniers behoort die ten koste van veel krachten, arbeid, opoffering, soms zelfs van bloedvergieten, zonder enige aanspraak op voordeel het koloniale bewind van België voorbereidden. Een bewind dat wij als gevolg van een vaak te overhaaste, verkeerd begrepen of vals uitgebuitte milddadigheid hebben moeten prijs geven, en dit misschien wel ten nadele van de beschaving en de wereldvrede.

Tijdens zijn twaalfjarig verblijf in Afrika bleef hij niet langer dan één jaar op dezelfde plaats. Voor de rest was hij steeds op verkenningstochten of op militaire zending in het oerwoud. Op die tochten moest hij het steeds stellen met een beperkt effectief. Vaak zag hij de dood in de ogen, soms daagde hij ze ook uit. Van 1891 tot 1894 nam hij deel aan de anti-slavenhandel beweging en nam het op tegen de handelaars in zwarte slaven. In die periode plunderden de Arabieren de streken van Soedan, de Opper-Nijl en het Centraal Plateau. De inwoners werden gevankelijk meegevoerd. Ten gevolge van de slechte behandeling kwam slechts een vijfde of zelf een tiende op de grootmarkten van waaruit ze naar Egypte, Perzië, Arabië, Turkije en Madagascar verzonden werden.

Ten gevolge van die handel, verdwenen jaarlijks vierhonderdduizend à één miljoen zwarten. Op enkele jaren tijds stelden zijn expedities een einde aan de "mensonwaardig schandaal". De inlandse bevolking was er hem dankbaar om. Jacques was vooral werkzaam in het gebied van het Tanganikameer. Hij oogstte er roem. Niets typeert hem beter dan het bezoek dat hij, alleen en ongewapend, bracht aan de slavenhandelaar die hij bestreed: Mohamed Ben Haflam, bijgenaamd Rumaliza wat betekent: "Die alles verwoest, die niets achterlaat". Een uitroeier dus. Van zijn stuk gebracht door zoveel moed liet de slavendrijver hem in leven.

Ondanks de soms zeer bittere kritiek- de tijd heeft ze trouwens verrechtvaardigd- was de koloniale loopbaan van Jacques een succes. Het loont de moeite te zoeken naar de motieven voor die kritiek. Waren het de omstandigheden? Ze waren eerder ongunstig maar in plaats van er onder te bezwijken heeft hij ze beheerst dank zij een spontaan optimisme waaraan niets kon weerstaan; dan zij zijn drang tot actie die hem deed organiseren, pacifiëren en ordenen; dank zij zijn energie die hem voortstuwde en waarvan één van zijn oversten zei: "Die man heeft het temperament van een held". Nooit twijfelde hij aan zijn werk. Hij zelf zegt: " Gelukkig heb ik de hoop die doet leven....de dag dat ik geen vertrouwen meer heb ben ik verloren".


Jacques te Congo


Jacques in Congo



De terugkeer in 1908 naar de engere horizon van het moederland en naar het garnizoensleven stoorde hem niet. Daar leerde hij de soldaten kennen. Door het dagelijks contact polste hij wat kon gevergd worden van de onvermoeibare toewijding en ruwe energie, die de soldaat aan de dag kon leggen. Voor een mens met dergelijke ondervinding echter lagen andere functies klaar. Hetzelfde jaar nog werd hij tweede bevelhebber van de Militaire School benoemd. Daar werd hij belast met de zeer moeilijke cursus over militaire opvoeding. Hij slaagde er in deze aantrekkelijk te maken dank zij vooral zijn persoonlijke aanleg. Naar hij zelf vertelde bezorgde deze nieuwe functie hem de mooiste levensvreugde: hij kon iets nuttigs ondernemen.

Jacques had enkele jaren later de gelegenheid de stof van zijn cursus, die nog zeer actueel is en gebaseerd op zijn gezond verstand, zijn mensen- en feitenkennis, zijn princiepen en zijn ideaal, in praktijk om te zetten. Zijn methode van onderrichten heeft de vuurproef doorstaan. Maar we mogen de kar niet voor de os spannen.

Evenals Foch was Jacques overtuigd van de kracht die van de morele waarde uitgaat. De moed van een soldaat in functie van zijn gemoedstoestand. Deze is op zijn beurt afhankelijk van de bevelhebber. Want energie is mededeeelbaar. Minderwaardigheid echter ook. Voor hem kwam het er dus op aan bij zijn publiek de hoge waarde in te prenten van het bevelhebbersschap, dat als een totale toewijding aan het land dient opgevat. Het idee "vaderland" blijft de hoofdgedachte van zijn onderricht. Voor de rest komt alles neer op energie, opleiding, volharding. Aldus Jacques.         

Voor hem is bevelhebber zijn meer dan bevelen geven. In hoofdzaak is het de kunst zich te doen gehoorzamen. Het is echt verlangen wat men beveelt. Het is verlangen dat het gegeven bevel zou uitgevoerd worden. Daartoe moet de bevelhebber de kunst bezitten het geweten aan te spreken. De mens voor hem te winnen. Het is de ondergeschikte er toe brengen datgene te willen wat de bevelhebber wil. En wel met dezelfde overgave. Dit is ten slotte de bepaling van de discipline; van de échte. Van deze discipline die overblijft op het slagveld. Van deze die tot de overwinning leidt. De ondergeschikte zal zich slecht op sleeptouw laten nemen indien de bevelhebber beroepsbekwaam is: hij moet het voorbeeld geven; zichzelf geven. Vakkennis en zakenkennis hebben.

Die manier van lesgeven kan vreemd lijken en vooral vermetel. Vooral dan in een tijdperk waar de hoofdgedachte van de primaire opvoeding van het kind maar al te veel revolutionair gekruid was. De bevelhebber der school zelf schreef hierover: "Een school, die jonge officieren moet vormen, moet als een citadel zijn. Zij moet bestand zijn tegen de ontbindende krachten vooral dan in een tijdperk dat gekenmerkt is door het langs alle kanten aanvallen der stellingen;door een steeds losbandiger wordende jeugd;door de klassen der gemeenschap die meer en meer anarchistisch worden.

Jacques begreep echter de jeugd. Evengoed als hij later zijn manschappen zal begrijpen en kennen. Hij wist dat de jeugd handelbaar was; dat ze ontroerd konden worden. Dat ze voor iets kon gewonnen worden. Hij wist dat ze behoefte had aan zelfdiscipline, aan actie, aan onbaatzuchtigheid, aan toewijding. Hij wist dat ze vatbaar was voor betekenisvolle grote begrippen, beschaving, leger, grenzen, vaderland. Geen waarheid, hoe hard ook, of hij drong ze op, herhaalde ze tot vervelens toe, verklaarde ze met voorbeelden en anecdoten.

Ten gevolge van een spijtig incident werd hij in 1912 naar de strijdende eenheden teruggezonden. Daar zette hij zijn actie verder en zou weldra de gelegenheid hebben er zijn cursus in praktijk om te zetten. Inderdaad, Duitsland schond de neutraliteit van België, die zij nochtans gewaarborgd had. Op 4 augustus 1914 werd ons land overrompeld. De oorlog zou de bevelhebber nog meer in het volle licht plaatsen. In talrijke tragische omstandigheden viel hem een eersterangsrol te beurt.

Als bevelhebber van het 12e Linieregiment voerde Jacques zelf de tegenaanval aan en sloeg daarbij een colonne terug die reeds aan de overwinning dacht. Hij kreeg hierdoor zoveel vat op zijn manschappen dat zijn naam voortaan evenveel waarde bezat als een vlag. Onder zijn bevel groeiden de eenheden uit tot elite-eenheden. Voor al die manschappen blijft hij "onze Jacques".



Generaal Jacques en Koning Albert I tussen de manschappen

Luitenant-generaal Jacques en Koning Albert I tussen de manschappen



Het Belgische leger moest zwichten voor het aantal. Verzameld in de versterkte vesting van Antwerpen poogde het twee keer een uitval op de flanken van het vijandelijke leger dat naar Parijs oprukte. Tijdens de eerste aanval bezette Jacques het aangeduide terrein met een gedeelte van het 12e linie, als voorhoede van de 3e divisie. Dit ondanks  een verwoed vijandelijk spervuur en hevige tegenaanvallen. 's Anderendaags benutte hij zijn succes, gesteund door het 9e linie. Een getuige vertelt hierover: "Jacques liet een vlag vooruitrukken  tot in de eerste gelederen. Hij vond ergens een geweer dat hij meescharrelde, riep een bevel, stormde aan het hoofd van zijn troepen vooruit, had geen oog voor het vijandelijk vuur".

Een van zijn officieren schrijft over Jacques: "Ik wil hier de figuur schilderen van de soldaat, de leider die ons bevool. Nooit zal ik zijn toespraak vergeten voor het marsbevel: "Wel te verstaan laten we de Duitsers buiten beschouwing". Nog zie ik zijn guitige glimlach, zijn onverstoorbaar goed humeur dat hij nooit verloor, zelfs niet in de hardste ogenblikken. Hij was kalm en vastberaden. Waar gevaar was zag je zijn rijzige gestalte. Een oude legerspreuk zegt: "Als je je voelt verzwakken kijk dan op naar je leiders." Met zo een leider waren wij zeker van de zege. Het aureool van de roem dat sinds Luik rond zijn naam zweefde werd nog groter na Haacht.

De terugtocht begon enkele dagen later. In de achterste gelederen had het 12e nog de moeilijkste opdrachten. Tegen zijn zin gaf Jacques het terrein prijs. Het geweer in de hand viel hij aan het hoofd van zijn manschappen driemaal aan. Enkelen aarzelden. Zonder zich om het vijandelijk machinegevuur te storen riep hij : "Als u niet mee gaat dan ga ik alleen." En hij ging. Allen volgden.

Maar het was vooral in Diksmuide dat hij legendarisch werd. Als bevelhebber van het bruggenhoofd was hij in Diksmuide de bezieler van de weerstand en één van de belangrijkste bewerkers van het Duitse oponthoud. Het bruggenhoofd voor de IJzer werd gevormd door het 12e linie en nadien door de brigade en de fuseliers

van admiraal Ronarch. In de meest dramatische ogenblikken was hij een toonbeeld van moed en kalmte. In deze druk bestookte stad hield hij het moreel van zijn troepen hoog. Hij schonk hen vertrouwen en gaf hen de wil stand te houden.

De lijdensweg van Diksmuide beschrijven is onbegonnen werk. En wat de soldaten er af zagen is nog erger. Op 20 oktober bereikte de strijd een hoogtepunt. Het was tragisch. Niet zozeer omwille  van de doodstrijd dan wel om de koele, verbeten woede en het mirakel van wil en kracht waarmede zij de inspanningen der Duitse divisies vernielden. Maar deze laatsten liepen steeds opnieuw storm tegen onze fragiele stellingen. In die hel hielden Jacques en zijn leger bijna veertien dagen stand. Aanval na aanval sloegen zij af. In de kelders der vernielde huizen geraakten zij aan het nodige voedsel. Op transport moesten zij inderdaad niet meer rekenen.

Jacques werd tweemaal gewond maar hij weigerde zich te laten verzorgen. Dit gebeurde pas na de strijd, samen met zijn eenheid, op 4 november 1914. Het Oorlogskruis en de benoeming als commandeur in de Leopoldsorde waren de beloning voor dit wapenfeit.  Op 30 april 1915 werd hij tot generaal bevorderd en het volgend jaar, op 7 april, aangesteld tot bevelhebber van de 3e legerdivisie. Hij zette onverdroten zijn werk verder. Hij bereidde zijn troepen voor op de strijd maar hield steeds rekening met zijn mannen. Hijzelf was steeds waar hij zijn moest. Hij was het levende voorbeeld en offerde zichzelf op. In de loopgraven en het kantonnement was hij te midden van zijn manschappen. Zonder aan prestige te verliezen maakte hij ze deelachtig van zijn goed humeur en zijn opgeruimdheid. Er was geen soldaat die zijn leider niet kende, hem niet eerbiedigde, bewonderde. Al zijn ondergeschikten kenden de weerklank van zijn naam en zijn roem. Ieder soldaat wenste deel uit te maken van zijn divisie.

Op 17 april bezette de 3e divisie de streek van Merckem. De vijand viel er binnen en vorderde slechts langzaam en ten koste van zware verliezen. Jacques beval ter plaatse weerstand te bieden en begon onmiddellijk met een tegenaanval. Met een overrompelende vaart werd het verloren terrein terug gewonnen. De vijand werd teruggeslagen. Hij liet er achthonderd doden en talrijke krijgsgevangenen achter.

Tijdens het bevrijdend offensief stond hij aan het hoofd van een aanvallende groep die was samengesteld uit de Belgische 3e en 9e divisie en een Franse divisie.

De mooiste vermeldingen, de hoogste Belgische en buitenlandse onderscheidingen werden hem omwille van zijn militaire waarden toegekend. Allen onderlijnden zijn moed, zijn energie, zijn uitdaging voor het gevaar, zijn mensenkennis.

Op 15 november 1919 wordt hij door koning Albert I tot de adel verheven en krijgt hij de titel van baron. Officieel heette hij nu : Jacques de Dixmude. Ginder op het terrein was hij het reeds in het heetst van het gevecht. Het wapenschild dat hem werd toegewezen synthetiseert op sprekende wijze de luister van een glorierijke loopbaan. Behalve de "Y" die ons herinnert aan het epos van de IJzer, staan er ook de wapenschilden van Diksmuide zelf en Merckem op. Beiden herinneren aan zijn heldendaden en zijn waakzaamheid. Verder lezen we er de spreuk: "Je tiendrai" (ik houd stand).

In april 1920 nam Jacques afscheid van het leger. Voor de jongere soldaten liet hij een boodschap na die gans zijn loopbaan kenmerkt: "Op uw vaandels schitteren de namen van de overwinningen en de heldendaden van uw voorgangers. Een enkele naam overtreft alle andere: IJzer. Het is een symbool voor de kwaliteiten van ons volk: energie, hardnekkigheid, toewijding, liefde voor de geboortegrond, opgeruimdheid, heldhaftigheid."

Zijn bevelhebbers en alle buitenlandse generaals waardeerden hem. Zij vonden het een eer hem te kunnen ontvangen. Maar bovenal werd hij door zijn manschappen op de handen gedragen. Wat ook zijn beroepskwaliteiten mochten geweest zijn, hen had hij steeds lief gehad. Steeds was hij "echt mens" gebleven. Jacques begreep zijn mannen. Tijdens zijn lange koloniale loopbaan had hij immers ook de ontmoediging gekend. Maar hij was steeds energiek genoeg om alles terug in de goede plooi te krijgen.

In 1899 trad hij in het huwelijk en kreeg vijf kinderen. Tijdens de scheiding, in het gevaar, toonde hij zich steeds vol liefde en toewijding. Aldus gaf hij het bewijs dat "Vaderland en Familie" één zijn, wat de anderen daarover ook mogen beweren.

Zoals hij hield van zijn familie, zo hield hij van de zwarten in het oerwoud, van zijn mannen in de kazerne en zijn soldaten in de oorlog. Hij kende de waarde van het leven en zag er tegen op nutteloos bloed te vergieten. Om de kans op verlies zo klein mogelijk te maken bracht hij in 1916 de compagnies met wacht in de vuurlijn van negen op drie. De geallieerden volgden nadien dit voorbeeld na.

Parafrazerend op zijn vroegere opleiding antwoordde de generaal aan een interviewer:

"Indien wij er in gelukken in dit leven dit vuur en die passie op te wekken die van een ondergeschikte een medewerker maken dan is men chef"

"Maar hoe kan men die zo moeilijke opgave tot de zijne maken, generaal?"

"Door de liefde. Maak u geliefd bij de mensen die u moet bevelen".

"En wanneer zullen die mensen u graag mogen?"

"Wanneer ze weten dat u van hen houdt."

Ook zijn voorgangers waren moedig, op de man af, spontaan, openhartig. Hij hield van zijn manschappen, zonder berekening, zonder aanstellerigheid, in zijn houding lag geen enkel bevel. Hij toonde zich zoals hij was. Hij was geen raadsel voor zijn manschappen. Eerlijk gaven zij zich volledig aan hun chef, die kreeg omdat hij gaf.

Op 24 november 1928 overleed Jacques te Brussel. In de Sint-Goedele kerk te Brussel had de officiële rouwhulde plaats. Zijn anciens van het 12e linie droegen hem ten grave. In zijn dood verenigde hij nog eens de grootsheid en de eenvoudigheid. Zijn gelijken beweren dat met hem de ideale bevelhebber is verdwenen. Een man die door zijn gezond verstand, zijn tact, zijn maat bij zijn ondergeschikten moed, militaire vaardigheid, zelfverloochening en opofferingsgeest aankweekte.

Moge de nieuwe generaties naar zijn voorbeeld leren hoe uit volle macht het vaderland te dienen. Een vaderland dat aan de basis lag en de passie was van dat leven dat een epos was.

Hij ontving volgende onderscheidingen:            

Grootkruis Leopoldsorde met Palm, Commandeur Orde van de Afrikaanse Ster en Kroonorde, Ridder Koninklijke Orde van de Leeuw,  Oorlogskruis 1914-1918 met Palmen, IJzer Medaille, Herinneringsmedaille van de Veldtocht 1914-1918, Overwinningsmedaille, Herinneringsmedaille van de Arabische Veldtocht, Militair Kruis 1ste Klasse, Dienstster, Regeringsmedaille van Koning Leopold II, Grootkruis St-Anna Orde met Zwaarden Rusland, Groot Officier Legioen van Eer Frankrijk, Orde van St.Michaël en St Joris Groot-Brittanië en Orde van de Ster van Karageorges met Zwaarden Servië, Commandeur Orde van St.Maurice en St.Lazarus Italië, Medaille voor Militaire Verdienste in Zilver Italië, Distinguished Service Medal Verenigde Staten, Oorlogskruis 1914-1918 met Palm Frankrijk.

Acht frontstrepen, één kwetsuurstreep.  

Met dank aan André De Clercq uit Hamme voor dit artikel

Commentaren

Zou het kunnen dat er enkele facetten van het verhaal van de baron niet werden opgenomen? Zijn Congo-verhaal valt misschien toch te nuanceren en niet alle congolezen herinneren hem als de bevrijder van de slavenhandelaars.
Niet alle soldaten aan het front zagen hem misschien als een held? Pour les flamands la meme chose?
Ik ben nieuwsgierig naar het genuanceerde verhaal...

Gepost door: Bart | 04-05-11

zeer goed artikel.
Zou ik dit artikel mogen gebruiken op de gidsbeurten
over de grote oorlog in de Westhoek.

Gepost door: Edwin Prosec | 03-09-13

De commentaren zijn gesloten.