31-12-07

Van Eecke Armand

AJD VAN EECKE ARMAND.2

Met dank aan André Declercq, Hamme



AJD VAN EECKE ARMAND.4


AJD VAN EECKE ARMAND

08:15 Gepost door Marc in militairen | Permalink | Commentaren (5) | Tags: van eecke, watou |  Facebook |

30-12-07

Joannes Benedictus Vertongen

Geboren op dinsdag 21 juni 1887 te Puurs (soldaat 2 kl. Mil. 1907/17de linie 6de cie.), zoon van Henricus Vertongen en Philomena Bal. Joannes  overleed op maandag 18 maart 1918 De Panne om 16.00u. in het veldhospitaal "l'Ocean" aan de gevolgen van verwondingen van een obusscherf in de rechter schouder. Hij was er sinds 18 maart 1918 gehospitaliseerd. Joannes werd te Steenkerke gekwetst.  Volgens het bidprentje zou Joannes te Steenkerke overleden zijn op 17 maart 1918. Hij kreeg een laatste rustplaats op de militaire begraafplaats van De Panne. Op  4 juni 1920 ontving het gemeentebestuur een brief van het ministerie van landsverdediging. Het ministerie meldde in deze brief dat er nog steeds geen aanspraak was gemaakt op de persoonlijke bezittingen van Joannes. Hiervoor diende door de belanghebbenden een formulier ingevuld te worden wat terugbezorgd diende te worden aan het ministerie. De kwartiermeester van het 17de linieregiment liet op 21 februari 1921 weten dat er een som geld nagelaten was door Benedictus. Hiervoor moest wel eerste een akte van bekendheid opgemaakt worden(dit waren de namen van de erfgenamen). Deze akte kon door een notaris of vrederechter opgemaakt worden. In het geval van Benedictus mocht ook de burgemeester de akte opmaken. Dit laatste was enkel mogelijk als de te erven som niet meer dan 150fr. bedroeg. Joannes liet 146,95 fr. na. Op 12 mei 1921 tekende een familielid voor ontvangst van een niet nader genoemd sieraad. Op 18 augustus 1924 ontving zijn familie een aanvraagformulier tot het bekomen van kosteloze reiskaarten waarmee zij het graf van Joannes konden bezoeken. Op 29 juli 1925 verstuurde de commandant van het 17e linieregiment, 6de compagnie een brief vergezeld van de overwinningsmedaille bestemd voor de familie van Joannes. Op 11 augustus 1920 nam de familie de medaille in ontvangst. Joannes huwde te Boom op 9 april 1910 met Alida Regina Van Camp. Alida werd te Boom geboren op 11 april 1889. Zij huwde een tweede maal te Boom op 18 december 1920 met Frans Leyssens(°Aarschot 14 juli 1888). Alida woonde te Boom, Bosschen Nr.25. Op 6 juli 1920 ontving Alida de persoonlijke bezittingen van Benedikt. Dit waren: 1 geldbeugel, 1 ring, 1 tandenborstel, 1 scheerborstel, 1 scheermes en 1 scheerleder. Alida ontving een uitnodiging om de inhuldiging van het monument der gesneuvelden op 14 oktober 1923 bij te wonen. Vervoegde het leger in: 1907.

 


B.J. Vertongen

 

Joannes staat op het monument der gesneuvelden vermeld als Vertongen Benedict

 

29-12-07

Militairen begraven op de begraafplaats van Lier&Laken

Op volgende links kan je de foto's vinden van de zerken van de gesneuvelde militairen op de begraafplaatsen van Lier&Laken. De foto's van Lier hebben wat langer tijd nodig om in te laden maar zijn dan ook van afdrukkwaliteit.

LAKEN

http://www.tenboome.webruimtehosting.net/BMB/lakenintro/ 

LIER

http://www.tenboome.webruimtehosting.net/BMB/lierintro/

 

 

27-12-07

De Wit Philippus Eugenius

Geboren op donderdag 15 januari 1891 te Boom (soldaat 2kl. Mil. 1911/6de linie 1/4), woonachtig te Boom, Blauwstraat Nr.39, gesneuveld op dinsdag 25 augustus 1914 te Boortmeerbeek, begraven aldaar graf nr.31; herbegraven op het militair kerkhof te Veltem-Beisem op 21 juni 1924, graf nr.00083. Op 18 oktober 1920 ontving het gemeentebestuur van Boom een brief van het ministerie van landsverdediging. Hierin werd gevraagd of Philippus getrouwd was en of zij wisten wat er van hem geworden was. Later stuurde hetzelfde ministerie terug een brief waarin werd gemeld dat zijn bezittingen nog door niemand waren opgeëist. Vervoegde het leger in: 1911.

 


De Wit monument

De Wit bidprent

Philippus was de zoon van Carolus Josephus(°Boom 18 september 1868) en Maria Van Aken(°Boom 17 februari 1869). Zij huwden te Boom op 12 november 188 en woonden er in de Blauwstraat nr.39. Zijn vader kreeg een uitnodiging om de inhuldiging van het monument der gesneuvelden op 14 oktober 1923 bij te wonen.


De Wit BMB Veltem-Beisem
 

Laatste rustplaats van Philippus op de militaire begraafplaats van Veltem-Beisem  

25-12-07

Vanhoucke Patrick

Ik ben op zoek naar informatie van een familielid en probeer zoveel mogelijk gegevens te verzamelen.Het gaat om Vanhoucke Patrick te vinden in boekdeel N34-35 (1934-1935) en te vinden op pag 368(soldaat eenheid 1e linie). Patrick heeft een gasaanval overleefd en is na de oorlog kapitein geweest op het lichtschip 'De Wandelaar' te Oostende.Groot oorlogsinvalied verklaard en op 42 jaar gedwongen op pensioen te gaan.Voor mij een echte held,zoals zovelen.
Hopend op een gunstig antwoord,
Lauwers Jo

vanhoucke patrick


Van zijn naamgenoot en familielid ontving ik onderstaande info waarvoor dank: 

Patrick Vanhoucke werd geboren op 8 mei 1895 in Vlissingen als zoon van matroos Hendrik Vanhoucke (Adinkerke 1856 - Elsene 1942) en Sophie Pauwels (Nieuwpoort 1859 - Oostende 1934). Hij was het achtste kind in wat uiteindelijk een gezin van dertien kinderen zou worden (zo blijkt, terwijl er in de mondelinge overlevering in feite altijd slechts van twaalf kinderen sprake was). 

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was Patrick soldaat-oorlogsvrijwilliger bij het Eerste Linieregiment. Hij overleefde een gasaanval en kreeg het bronzen Vuurkruis dat werd uitgereikt aan allen die de Vuurkaart hadden ontvangen en dus aan het front onder vuur hadden gelegen. Tevens was hij Officier in de Kroonorde met Zwaarden en ontving hij tal van andere eretekens.

Volgens het bevolkingsregister woonde Patrick officieel tot in 1921 in de Palingstraat in Vlissingen, het jaar waarin hij op 12 mei huwt met de Oostendse Louise Bulteel (1896-1965). Patrick was in die periode in Oostende schipper op het lichtschip De Wandelaar. Een lichtschip is in feite een drijvende vuurtoren die waarschuwt voor hindernissen en ondiepten. De ouders van Patrick verhuizen in 1922 van Vlissingen naar Oostende, waarschijnlijk het moment dat vader Hendrik met pensioen ging als sloeproeier bij de Belgische Loodsen te Vlissingen (hij staat in het adressenbestand van Vlissingen genoteerd als 'gepensionneerd sloeproeier BL').

In 1922 wordt in het gezin Vanhoucke-Bulteel een eerste dochter Rosa geboren. Rosa zal op 65-jarige leeftijd overlijden op 30 oktober 1987 in het Ierse plaatsje Meenbannivane, Knocknagashel (County Kerry). Ze was op dat ogenblik gehuwd met ene meneer Jones die mogelijk nog in leven is.

Een tweede dochter wordt geboren in 1935. Zij huwt en woont waarschijnlijk tot op vandaag nog altijd in Oostende.

Van de gasaanval tijdens de Eerste Wereldoorlog zou Patrick zijn hele verdere leven de gevolgen blijven ondervinden. Omstreeks 1937 moest hij hierdoor gedwongen met pensioen gaan en hij werd 'Groot-Oorlogsinvalied' verklaard. Patrick overlijdt op 5 april 1963 in Oostende en is dan 67 jaar oud. Zijn vrouw Louise volgt hem twee jaar later en sterft op 30 december 1965 in Oostende, 69 jaar oud.

Tekst: Patrick Vanhoucke (Wilrijk 1968), achterkleinzoon van Helena Vanhoucke (Nieuwpoort 1890 - Antwerpen 1977), een zuster van Patrick Vanhoucke (1895-1963). Alle gegevens op basis van eigen documenten, mondelinge overlevering binnen de familie en secundair onderzoek.
 

De gesneuvelden van het Scheppersgesticht te Mechelen

Met dank aan  André De Clercq uit Hamme voor dit artikel dat in de originele spelling werd overgenomen. 

De vergadering der Broeders van O.-L. Vrouw van Barmhartigheid, Scheppers' Gesticht te Mechelen, heeft ook haar bloedigen tol betaald aan den wreeden wereldoorlog. Een-en-veertig leden dienden als brankardier in 't Belgisch of Italiaansch leger. Menigen onderscheidden zich door heldendaden, die hun uitstekende eeretekens verwierven. Verscheidene lidmaten kenden ook den harden weg der ballingschap of zuchtten lange maanden in gevang of concentratiekampen tot straf hunner groote vaderlandsliefde of het oversmokkelen van moedige Belgische vrijwilligers of spioenen.

Broeder Mattheus Serneels van Berlaar, bestierder der katholieke jongensschool te Hamont, een dezer dapperen, viel door verraad in de handen van het Pruisisch krijgsgerecht en werd tot tweemaal ter door veroordeeld. Door tusschenkomst van machtige voorsprekers werd zijn doodstraf  in twee maal 15 jaar dwangarbeid veranderd. De wapenstilstand van 11 november 1918 brak de kluisters, die hem knelden in het gevang te Vilvoorden.

Brankardier, Broeder Maternus, Lode Beets, van Lummen, een der tien Vlaamsche houthakkers uit de bosschen van Orne, zou het ongevoeligste hart tot tranen toe bewegen, moest hij verhalen wat al lijden en ontbering hij tijdens zijn houthakkersleven uitgestaan heeft.

Maar werpen wij een oogopslag op onze roemrijke gesneuvelde Vlamingen. Het eerste onschuldig slachtoffer der Duitsche wreedheden in België roept nog steeds wraak ten hemel.

Broeder Candidus, Vivet, van Antwerpen, onderwijzer te Kessel-Loo, werd door Pruisische beulen laffelijk vermoord  te Blauwput, bij Leuven, in oogst 1914. 

Broeder Simon, Van Roy, van Duffel, sedert 12 jaren bestierder van het weezenhuis te Wetteren werd naar Duitschland vervoerd waar de zwakke ouderling van gebrek omkwam. Niet te verwonderen dat de "Vader der Weezen" bitter beweend werd, daar hij door zijn buitengewonen minzaamheid en ingeboren goedheid ieders genegenheid gewonnen had.

Een derde offer op het altaar van 't Vaderland is broeder Heliodoor, Bogaerts, van Zoersel, die de katholieke jongensschool van Diest bestierde, toen de nare oorlogsklok in Vlaanderen stormde. Deze moedige brankardier bezweek in het hospitaal te Kales, waar hij de typhusleiders verzorgde. Gods raadsbesluiten zijn ondoorgrondelijk! De verpleger stierf terwijl zijn beschermeling ontkwam.

Meer nog dan de drie voorgaande Vlamingen schittert Broeder Anselmus, Braspenning, van Meerle, wiens hart trilde bij het hooren alleen van zijn "Dierbaar Vlaanderen". Een onderzoek in zijn "Oorlogsdagboek" leert al spoedig die godsdienstige, Vlaamsche ziel kennen met haar edele hoedanigheden; geestigen luim, dichterlijke begaafdheid en grondige taalkennis , zelfopoffering voor zijn vaderland en diepen godsdienstzin. Uit loutere naastenliefde vroeg die edelmoedige borst als gunst naar de voorste loopgraven gezonden te worden, waar een vijandelijke kogel hem doodelijk trof.

Nog een "nederige held", die evenals Broeder Anselmus, onderwijzer was te Mechelen, heeft zijn bloed veil gehad voor 't Vaderland. Deze moedige voorvechter der Vlaamsche zaak was Broeder Gaston, Simons, van Putte-Capellen. Om de wantoestanden, zooveel mogelijk, te verhelpen, had hij Vlaamsche leergangen ingericht voor de Waalsche officieren van zijn bataillon. Daar hij beweerde dat den Gulden Sporenslag als nationale feestdag diende gevierd te worden, werd hij als staatsgevaarlijke aan de hoogere overheid aangeklaagd, van eenheid veranderd en naar 't front gestuurd, waar hij tijdens het laatste offensief sneuvelde. Een slachtoffer te meer om zijn Vlaamsche rechten vrij en vrank verdedigd te hebben! Moge zijn bloed een vruchtbaar zaad wezen, waaruit nieuwe geslachten van overtuigde Vlamingen ontkiemen, die de leus verwezenlijken: Vlaanderen voor Kristus, Alles voor Vlaanderen!

Rust in vrede koene IJzerhelden! Verheugt u, Dapperen, ge hebt den goeden strijd gestreden! God loone u, ware Vaderlanders en vurige kloosterbroeders, die glorievol sneefdet op 't edel slagveld der kristelijke naastenliefde voor de vrijheid van ons dierbaar Vaderland en de ontvoogding van ons geliefd Vlaanderen!

 


Broeder Scheppersinstituut


Broeder Bogaerts Heliodoor
Militair hospitaal Calais-Fr., Brancardier
Gestorven in het hospitaal Calais-Fr. op 13 januari 1915
Begraven te Calais Communal B.M.B. Graf n°313
Geboren te Zoersel

Brancardier Candidus Vivet
Gedood te Blauwput-Leuven op 28 augustus 1914
Geboren te Antwerpen

Broeder De Roy Simon
Brancardier
Overleden te Duitsland op 5 juli 1917

Broeder Simons Gaston
Brancardier
Gesneuveld te Balgerhoek op 30 oktober 1918
Geboren te Putte-Kapelle

Broeder Braspenning Frans-Anselmus
8ste linie brancardier
Stamnummer 108/47313
Gesneuveld te Diksmuide op 19 december 1915
Begraven te Adinkerke B.M.B. Graf n°131
Geboren te Meerle op 24 september 1880-35 jaar
Woonde te Mechelen
 


gedicht Vlaanderen

 

 

23-12-07

Baron Generaal Jules Jacques de Dixmude

baron jacques standbeeld
°Stavelot 24 februari 1858
+ Brussel 24 november 1928


baron jacques beschrijving standbeeld


Jacques
 

Luitenant-Generaal der infanterie

Commandant van het 3de Legerdivisie, 1916-1920

Commandant van de 2de Brigade van het 3de Legerdivisie, 1915-1916

Commandant van het 12de Linie Regiment, 1913-1915

Onder-Commandant van de Koninklijke Militaire School, 1908-1912



Baron Generaal Jules Jacques de Dixmude

Door Kolonel Ch. Brusten
Hoofd van de historische dienst van de Belgische Strijdkrachten

Na meer dan vier jaar vijandelijke bezetting trokken de zegevierende Belgische troepen in november 1918 triomfantelijk door de straten van Luik. Onder het volk hoorde men een stem roepen: "Leve de IJzerdivisie". De officier die aan het hoofd van deze divisie stond antwoordde in de taal van de streek: "De IJzerdivisie, hier is ze".

Wie was nu de commandant die zich zo één voelde met zijn eenheid? Het was Jacques, de roemrijkste bevelhebber van ons leger, de dapperste ook, de populairste, de meest geliefde en de eenvoudigste. "Onze" Jacques, zou weldra "Jacques de Dixmude" genoemd worden. Hij die zich zelf een echte leidersziel had weten te maken was er in gelukt hen allen, die in moeilijke omstandigheden onder zijn bevel hadden gestreden, naar zijn voorbeeld te vormen.

Hij werd te Stavelot geboren op 24 februari 1858. Hij werd er opgevoed door zijn grootoom langs moeders zijde. De rest van zijn familie woonde te Vielsalm, enkele kilometers verder.

Zijn levensideaal heeft hij zeker niet van zijn voorouders meegekregen alhoewel deze hem ongetwijfeld beïnvloed hebben. Van hen ontving hij zijn plichtsbewustzijn en zijn godsdienstzin, die gans zijn militaire carrière zullen tekenen.

Een militaire loopbaan lag echter niet helemaal in de traditie van de familie. Historiografen zochten dan ook tevergeefs naar de motieven van zijn roeping.

Koos hij die richting omwille van het prestige van het uniform, omwille van het avontuur of uit waaghalzerij? Vond hij het een eerste stap naar de vrijheid of werd hij beïnvloed door zijn professor? Men heeft er het raden naar. Zijn jeugd was echter gekenmerkt door een bijzonder sterke drang tot actie. In zijn memoires zou Jacques achteraf zelf schrijven: " Ik was overtuigd, ik was bezeten door het heilig vuur". Hij was er vast van overtuigd dat in de actie een onbeperkte macht schuilde. Hij voelde wanneer hij een opdracht aankon en voerde ze dan ook uit.

Op 1 mei 1876 werd hij opgenomen in de Koninklijke Militaire School te Brussel. Twee jaar later, op 4 mei 1878, verwierf hij de graad van onderluitenant. Tijdens de volgende vijf jaar actieve dienst verwierf hij een zekere beroepsvaardigheid en voelde hij zich geschikt het bevel te voeren.

Op 1 oktober 1883 gaat hij als luitenant naar de Krijgsschool. En op 7 december 1886 wordt hij adjunct benoemd bij de staf.



Jacques militaire school


Jacques aan de Koninklijke Militaire School te Brussel



In die periode deed de Onafhankelijke Kongo Staat, die in een nog praktisch volkomen onbekend Afrika in volle ontbolstering was, beroep op moedige en goedwillige mannen. Jacques kon niet ongevoelig blijven voor die uitnodiging van het onbekende, de actie, ja zelfs het gevaar. Evenmin lieten de voorbeelden van de eerste verkenners Stanley en Brazza hem onverschillig.

Van 1887 tot 1902 deed hij vier effectieve diensttermen in Kongo, hetzij in totaal 12 jaar. De eerste maal was hij adjunct bij de directie voor Transport, Openbare werken en Marine te Boma. Vervolgens stichter van en postoverste in het district der Bangalas in Opper-Kongo. Tijdens zijn tweede term was hij leider van de anti-slavenhandelexpeditie in het Tanganikagebied. Tijdens de derde periode was hij commissaris-generaal en vervolgens explorateur in de streek van het Leopold II-meer. Tijdens de vierde periode tenslotte was hij directeur van de studiecommissie van de spoorwegen in Katanga.

Het is hier niet de plaats om in details over zijn koloniale carrière uit te wijden. Maar daar toonde hij zich reeds een geboren soldaat. Wij willen er hier alleen aan herinneren dat hij tot die plejade pioniers behoort die ten koste van veel krachten, arbeid, opoffering, soms zelfs van bloedvergieten, zonder enige aanspraak op voordeel het koloniale bewind van België voorbereidden. Een bewind dat wij als gevolg van een vaak te overhaaste, verkeerd begrepen of vals uitgebuitte milddadigheid hebben moeten prijs geven, en dit misschien wel ten nadele van de beschaving en de wereldvrede.

Tijdens zijn twaalfjarig verblijf in Afrika bleef hij niet langer dan één jaar op dezelfde plaats. Voor de rest was hij steeds op verkenningstochten of op militaire zending in het oerwoud. Op die tochten moest hij het steeds stellen met een beperkt effectief. Vaak zag hij de dood in de ogen, soms daagde hij ze ook uit. Van 1891 tot 1894 nam hij deel aan de anti-slavenhandel beweging en nam het op tegen de handelaars in zwarte slaven. In die periode plunderden de Arabieren de streken van Soedan, de Opper-Nijl en het Centraal Plateau. De inwoners werden gevankelijk meegevoerd. Ten gevolge van de slechte behandeling kwam slechts een vijfde of zelf een tiende op de grootmarkten van waaruit ze naar Egypte, Perzië, Arabië, Turkije en Madagascar verzonden werden.

Ten gevolge van die handel, verdwenen jaarlijks vierhonderdduizend à één miljoen zwarten. Op enkele jaren tijds stelden zijn expedities een einde aan de "mensonwaardig schandaal". De inlandse bevolking was er hem dankbaar om. Jacques was vooral werkzaam in het gebied van het Tanganikameer. Hij oogstte er roem. Niets typeert hem beter dan het bezoek dat hij, alleen en ongewapend, bracht aan de slavenhandelaar die hij bestreed: Mohamed Ben Haflam, bijgenaamd Rumaliza wat betekent: "Die alles verwoest, die niets achterlaat". Een uitroeier dus. Van zijn stuk gebracht door zoveel moed liet de slavendrijver hem in leven.

Ondanks de soms zeer bittere kritiek- de tijd heeft ze trouwens verrechtvaardigd- was de koloniale loopbaan van Jacques een succes. Het loont de moeite te zoeken naar de motieven voor die kritiek. Waren het de omstandigheden? Ze waren eerder ongunstig maar in plaats van er onder te bezwijken heeft hij ze beheerst dank zij een spontaan optimisme waaraan niets kon weerstaan; dan zij zijn drang tot actie die hem deed organiseren, pacifiëren en ordenen; dank zij zijn energie die hem voortstuwde en waarvan één van zijn oversten zei: "Die man heeft het temperament van een held". Nooit twijfelde hij aan zijn werk. Hij zelf zegt: " Gelukkig heb ik de hoop die doet leven....de dag dat ik geen vertrouwen meer heb ben ik verloren".


Jacques te Congo


Jacques in Congo



De terugkeer in 1908 naar de engere horizon van het moederland en naar het garnizoensleven stoorde hem niet. Daar leerde hij de soldaten kennen. Door het dagelijks contact polste hij wat kon gevergd worden van de onvermoeibare toewijding en ruwe energie, die de soldaat aan de dag kon leggen. Voor een mens met dergelijke ondervinding echter lagen andere functies klaar. Hetzelfde jaar nog werd hij tweede bevelhebber van de Militaire School benoemd. Daar werd hij belast met de zeer moeilijke cursus over militaire opvoeding. Hij slaagde er in deze aantrekkelijk te maken dank zij vooral zijn persoonlijke aanleg. Naar hij zelf vertelde bezorgde deze nieuwe functie hem de mooiste levensvreugde: hij kon iets nuttigs ondernemen.

Jacques had enkele jaren later de gelegenheid de stof van zijn cursus, die nog zeer actueel is en gebaseerd op zijn gezond verstand, zijn mensen- en feitenkennis, zijn princiepen en zijn ideaal, in praktijk om te zetten. Zijn methode van onderrichten heeft de vuurproef doorstaan. Maar we mogen de kar niet voor de os spannen.

Evenals Foch was Jacques overtuigd van de kracht die van de morele waarde uitgaat. De moed van een soldaat in functie van zijn gemoedstoestand. Deze is op zijn beurt afhankelijk van de bevelhebber. Want energie is mededeeelbaar. Minderwaardigheid echter ook. Voor hem kwam het er dus op aan bij zijn publiek de hoge waarde in te prenten van het bevelhebbersschap, dat als een totale toewijding aan het land dient opgevat. Het idee "vaderland" blijft de hoofdgedachte van zijn onderricht. Voor de rest komt alles neer op energie, opleiding, volharding. Aldus Jacques.         

Voor hem is bevelhebber zijn meer dan bevelen geven. In hoofdzaak is het de kunst zich te doen gehoorzamen. Het is echt verlangen wat men beveelt. Het is verlangen dat het gegeven bevel zou uitgevoerd worden. Daartoe moet de bevelhebber de kunst bezitten het geweten aan te spreken. De mens voor hem te winnen. Het is de ondergeschikte er toe brengen datgene te willen wat de bevelhebber wil. En wel met dezelfde overgave. Dit is ten slotte de bepaling van de discipline; van de échte. Van deze discipline die overblijft op het slagveld. Van deze die tot de overwinning leidt. De ondergeschikte zal zich slecht op sleeptouw laten nemen indien de bevelhebber beroepsbekwaam is: hij moet het voorbeeld geven; zichzelf geven. Vakkennis en zakenkennis hebben.

Die manier van lesgeven kan vreemd lijken en vooral vermetel. Vooral dan in een tijdperk waar de hoofdgedachte van de primaire opvoeding van het kind maar al te veel revolutionair gekruid was. De bevelhebber der school zelf schreef hierover: "Een school, die jonge officieren moet vormen, moet als een citadel zijn. Zij moet bestand zijn tegen de ontbindende krachten vooral dan in een tijdperk dat gekenmerkt is door het langs alle kanten aanvallen der stellingen;door een steeds losbandiger wordende jeugd;door de klassen der gemeenschap die meer en meer anarchistisch worden.

Jacques begreep echter de jeugd. Evengoed als hij later zijn manschappen zal begrijpen en kennen. Hij wist dat de jeugd handelbaar was; dat ze ontroerd konden worden. Dat ze voor iets kon gewonnen worden. Hij wist dat ze behoefte had aan zelfdiscipline, aan actie, aan onbaatzuchtigheid, aan toewijding. Hij wist dat ze vatbaar was voor betekenisvolle grote begrippen, beschaving, leger, grenzen, vaderland. Geen waarheid, hoe hard ook, of hij drong ze op, herhaalde ze tot vervelens toe, verklaarde ze met voorbeelden en anecdoten.

Ten gevolge van een spijtig incident werd hij in 1912 naar de strijdende eenheden teruggezonden. Daar zette hij zijn actie verder en zou weldra de gelegenheid hebben er zijn cursus in praktijk om te zetten. Inderdaad, Duitsland schond de neutraliteit van België, die zij nochtans gewaarborgd had. Op 4 augustus 1914 werd ons land overrompeld. De oorlog zou de bevelhebber nog meer in het volle licht plaatsen. In talrijke tragische omstandigheden viel hem een eersterangsrol te beurt.

Als bevelhebber van het 12e Linieregiment voerde Jacques zelf de tegenaanval aan en sloeg daarbij een colonne terug die reeds aan de overwinning dacht. Hij kreeg hierdoor zoveel vat op zijn manschappen dat zijn naam voortaan evenveel waarde bezat als een vlag. Onder zijn bevel groeiden de eenheden uit tot elite-eenheden. Voor al die manschappen blijft hij "onze Jacques".



Generaal Jacques en Koning Albert I tussen de manschappen

Luitenant-generaal Jacques en Koning Albert I tussen de manschappen



Het Belgische leger moest zwichten voor het aantal. Verzameld in de versterkte vesting van Antwerpen poogde het twee keer een uitval op de flanken van het vijandelijke leger dat naar Parijs oprukte. Tijdens de eerste aanval bezette Jacques het aangeduide terrein met een gedeelte van het 12e linie, als voorhoede van de 3e divisie. Dit ondanks  een verwoed vijandelijk spervuur en hevige tegenaanvallen. 's Anderendaags benutte hij zijn succes, gesteund door het 9e linie. Een getuige vertelt hierover: "Jacques liet een vlag vooruitrukken  tot in de eerste gelederen. Hij vond ergens een geweer dat hij meescharrelde, riep een bevel, stormde aan het hoofd van zijn troepen vooruit, had geen oog voor het vijandelijk vuur".

Een van zijn officieren schrijft over Jacques: "Ik wil hier de figuur schilderen van de soldaat, de leider die ons bevool. Nooit zal ik zijn toespraak vergeten voor het marsbevel: "Wel te verstaan laten we de Duitsers buiten beschouwing". Nog zie ik zijn guitige glimlach, zijn onverstoorbaar goed humeur dat hij nooit verloor, zelfs niet in de hardste ogenblikken. Hij was kalm en vastberaden. Waar gevaar was zag je zijn rijzige gestalte. Een oude legerspreuk zegt: "Als je je voelt verzwakken kijk dan op naar je leiders." Met zo een leider waren wij zeker van de zege. Het aureool van de roem dat sinds Luik rond zijn naam zweefde werd nog groter na Haacht.

De terugtocht begon enkele dagen later. In de achterste gelederen had het 12e nog de moeilijkste opdrachten. Tegen zijn zin gaf Jacques het terrein prijs. Het geweer in de hand viel hij aan het hoofd van zijn manschappen driemaal aan. Enkelen aarzelden. Zonder zich om het vijandelijk machinegevuur te storen riep hij : "Als u niet mee gaat dan ga ik alleen." En hij ging. Allen volgden.

Maar het was vooral in Diksmuide dat hij legendarisch werd. Als bevelhebber van het bruggenhoofd was hij in Diksmuide de bezieler van de weerstand en één van de belangrijkste bewerkers van het Duitse oponthoud. Het bruggenhoofd voor de IJzer werd gevormd door het 12e linie en nadien door de brigade en de fuseliers

van admiraal Ronarch. In de meest dramatische ogenblikken was hij een toonbeeld van moed en kalmte. In deze druk bestookte stad hield hij het moreel van zijn troepen hoog. Hij schonk hen vertrouwen en gaf hen de wil stand te houden.

De lijdensweg van Diksmuide beschrijven is onbegonnen werk. En wat de soldaten er af zagen is nog erger. Op 20 oktober bereikte de strijd een hoogtepunt. Het was tragisch. Niet zozeer omwille  van de doodstrijd dan wel om de koele, verbeten woede en het mirakel van wil en kracht waarmede zij de inspanningen der Duitse divisies vernielden. Maar deze laatsten liepen steeds opnieuw storm tegen onze fragiele stellingen. In die hel hielden Jacques en zijn leger bijna veertien dagen stand. Aanval na aanval sloegen zij af. In de kelders der vernielde huizen geraakten zij aan het nodige voedsel. Op transport moesten zij inderdaad niet meer rekenen.

Jacques werd tweemaal gewond maar hij weigerde zich te laten verzorgen. Dit gebeurde pas na de strijd, samen met zijn eenheid, op 4 november 1914. Het Oorlogskruis en de benoeming als commandeur in de Leopoldsorde waren de beloning voor dit wapenfeit.  Op 30 april 1915 werd hij tot generaal bevorderd en het volgend jaar, op 7 april, aangesteld tot bevelhebber van de 3e legerdivisie. Hij zette onverdroten zijn werk verder. Hij bereidde zijn troepen voor op de strijd maar hield steeds rekening met zijn mannen. Hijzelf was steeds waar hij zijn moest. Hij was het levende voorbeeld en offerde zichzelf op. In de loopgraven en het kantonnement was hij te midden van zijn manschappen. Zonder aan prestige te verliezen maakte hij ze deelachtig van zijn goed humeur en zijn opgeruimdheid. Er was geen soldaat die zijn leider niet kende, hem niet eerbiedigde, bewonderde. Al zijn ondergeschikten kenden de weerklank van zijn naam en zijn roem. Ieder soldaat wenste deel uit te maken van zijn divisie.

Op 17 april bezette de 3e divisie de streek van Merckem. De vijand viel er binnen en vorderde slechts langzaam en ten koste van zware verliezen. Jacques beval ter plaatse weerstand te bieden en begon onmiddellijk met een tegenaanval. Met een overrompelende vaart werd het verloren terrein terug gewonnen. De vijand werd teruggeslagen. Hij liet er achthonderd doden en talrijke krijgsgevangenen achter.

Tijdens het bevrijdend offensief stond hij aan het hoofd van een aanvallende groep die was samengesteld uit de Belgische 3e en 9e divisie en een Franse divisie.

De mooiste vermeldingen, de hoogste Belgische en buitenlandse onderscheidingen werden hem omwille van zijn militaire waarden toegekend. Allen onderlijnden zijn moed, zijn energie, zijn uitdaging voor het gevaar, zijn mensenkennis.

Op 15 november 1919 wordt hij door koning Albert I tot de adel verheven en krijgt hij de titel van baron. Officieel heette hij nu : Jacques de Dixmude. Ginder op het terrein was hij het reeds in het heetst van het gevecht. Het wapenschild dat hem werd toegewezen synthetiseert op sprekende wijze de luister van een glorierijke loopbaan. Behalve de "Y" die ons herinnert aan het epos van de IJzer, staan er ook de wapenschilden van Diksmuide zelf en Merckem op. Beiden herinneren aan zijn heldendaden en zijn waakzaamheid. Verder lezen we er de spreuk: "Je tiendrai" (ik houd stand).

In april 1920 nam Jacques afscheid van het leger. Voor de jongere soldaten liet hij een boodschap na die gans zijn loopbaan kenmerkt: "Op uw vaandels schitteren de namen van de overwinningen en de heldendaden van uw voorgangers. Een enkele naam overtreft alle andere: IJzer. Het is een symbool voor de kwaliteiten van ons volk: energie, hardnekkigheid, toewijding, liefde voor de geboortegrond, opgeruimdheid, heldhaftigheid."

Zijn bevelhebbers en alle buitenlandse generaals waardeerden hem. Zij vonden het een eer hem te kunnen ontvangen. Maar bovenal werd hij door zijn manschappen op de handen gedragen. Wat ook zijn beroepskwaliteiten mochten geweest zijn, hen had hij steeds lief gehad. Steeds was hij "echt mens" gebleven. Jacques begreep zijn mannen. Tijdens zijn lange koloniale loopbaan had hij immers ook de ontmoediging gekend. Maar hij was steeds energiek genoeg om alles terug in de goede plooi te krijgen.

In 1899 trad hij in het huwelijk en kreeg vijf kinderen. Tijdens de scheiding, in het gevaar, toonde hij zich steeds vol liefde en toewijding. Aldus gaf hij het bewijs dat "Vaderland en Familie" één zijn, wat de anderen daarover ook mogen beweren.

Zoals hij hield van zijn familie, zo hield hij van de zwarten in het oerwoud, van zijn mannen in de kazerne en zijn soldaten in de oorlog. Hij kende de waarde van het leven en zag er tegen op nutteloos bloed te vergieten. Om de kans op verlies zo klein mogelijk te maken bracht hij in 1916 de compagnies met wacht in de vuurlijn van negen op drie. De geallieerden volgden nadien dit voorbeeld na.

Parafrazerend op zijn vroegere opleiding antwoordde de generaal aan een interviewer:

"Indien wij er in gelukken in dit leven dit vuur en die passie op te wekken die van een ondergeschikte een medewerker maken dan is men chef"

"Maar hoe kan men die zo moeilijke opgave tot de zijne maken, generaal?"

"Door de liefde. Maak u geliefd bij de mensen die u moet bevelen".

"En wanneer zullen die mensen u graag mogen?"

"Wanneer ze weten dat u van hen houdt."

Ook zijn voorgangers waren moedig, op de man af, spontaan, openhartig. Hij hield van zijn manschappen, zonder berekening, zonder aanstellerigheid, in zijn houding lag geen enkel bevel. Hij toonde zich zoals hij was. Hij was geen raadsel voor zijn manschappen. Eerlijk gaven zij zich volledig aan hun chef, die kreeg omdat hij gaf.

Op 24 november 1928 overleed Jacques te Brussel. In de Sint-Goedele kerk te Brussel had de officiële rouwhulde plaats. Zijn anciens van het 12e linie droegen hem ten grave. In zijn dood verenigde hij nog eens de grootsheid en de eenvoudigheid. Zijn gelijken beweren dat met hem de ideale bevelhebber is verdwenen. Een man die door zijn gezond verstand, zijn tact, zijn maat bij zijn ondergeschikten moed, militaire vaardigheid, zelfverloochening en opofferingsgeest aankweekte.

Moge de nieuwe generaties naar zijn voorbeeld leren hoe uit volle macht het vaderland te dienen. Een vaderland dat aan de basis lag en de passie was van dat leven dat een epos was.

Hij ontving volgende onderscheidingen:            

Grootkruis Leopoldsorde met Palm, Commandeur Orde van de Afrikaanse Ster en Kroonorde, Ridder Koninklijke Orde van de Leeuw,  Oorlogskruis 1914-1918 met Palmen, IJzer Medaille, Herinneringsmedaille van de Veldtocht 1914-1918, Overwinningsmedaille, Herinneringsmedaille van de Arabische Veldtocht, Militair Kruis 1ste Klasse, Dienstster, Regeringsmedaille van Koning Leopold II, Grootkruis St-Anna Orde met Zwaarden Rusland, Groot Officier Legioen van Eer Frankrijk, Orde van St.Michaël en St Joris Groot-Brittanië en Orde van de Ster van Karageorges met Zwaarden Servië, Commandeur Orde van St.Maurice en St.Lazarus Italië, Medaille voor Militaire Verdienste in Zilver Italië, Distinguished Service Medal Verenigde Staten, Oorlogskruis 1914-1918 met Palm Frankrijk.

Acht frontstrepen, één kwetsuurstreep.  

Met dank aan André De Clercq uit Hamme voor dit artikel

21-12-07

De moord op Stanislaus Nyczak (hoofdstuk V slot)

V. WIE WAS STANISLAUS NYCZAK ?

Heel wat moeilijker dan het terugvinden van zijn laatste rustplaats was de vraag naar de persoon van Stanislaus Nyczak : waar en wan­neer werd hij geboren ; wie waren zijn ouders, broers en zusters ; was hij gehuwd ; welk beroep oefende hij uit voor zijn oproeping ; wat was zijn karakter ; wat was zijn functie in het Duitse leger ?

We beperken ons hier tot het op een rijtje zetten van de, schaarse, gegevens die we hebben verzameld.

In het stadsarchief van Dendermonde wordt, zoals hoger aangehaald, een register bewaard van de gesneuvelden uit de Eerste Wereldoor­log die her en der werden ontgraven en. op het militair kerkhof van Appels opnieuw bijgezet.

Over Nyczak vonden we volgende gegevens

267

A

Gestorven te Lokeren
29-10-14
24-10-16

         B

Nyckak

    C

Stanislas

      D

Lokeren
16-5-18

     E

Musketier Landst.
 inf. I Altona
L.S.T

    F

Duitsch
258 L

     G

 

                  

 

(a) volgnummer in het register en tevens verwijzing naar het situeringsplan van het militair kerkhof

(b) plaats van overlijden (Elversele maakte immers deel uit van het Etappegebied Lokeren) - datum van aankomst in het Etappe­gebied (?) - datum van begrafenis (te Lokeren)

(c) familienaam (eigenlijk Nyczak) (d) voornaam

(e) plaats en datum van ontgraving

(f) aanduiding van compagnie en regiment

(g) nationaliteit - verwijzing naar ?

De in kolom f genoemde stad Altona is een industriestad in West­Duitsland die sedert 1937 een stadsdeel vormt van Hamburg. Altona telde toen ca. 250.000 inwoners.

Hoogstwaarschijnlijk betreft het hier de regimentsplaats van Nyc­zak, dus niet zijn geboorte- of woonplaats. In de bevolkingsre­gisters van Hamburg-Altona, die geheel op microfilm staan, is hij althans niet terug te vinden. (30)

Van waar is Stanislaus Nyczak dan wel afkomstig ? Een geinter­viewde meende dat hij een smidszoon uit Keulen was, een andere dat hij een juwelierszoon uit Leipzig (in Oost-Duitsland) was. Doch ook in de registers van deze steden bleek hij niet voor te komen.

Zelfs de "Deutsche Dienststelle für die Benachrichtigung der näch­sten Angehörigen von Gefallenen der ehemaligen deutschen Wehrmacht" (in Berlijn) kon ons geen aanduiding verschaffen. Men wist ons, met brief van 24.07.1985, enkel te vertellen waar hij momenteel begraven ligt, maar dat hadden we ondertussen zelf al ontdekt

"Grablage : Deutschen Soldatenfriedhof Vladsloo - Praetbosch /Belgien, Grab-Nr. 4-828."

Uit de "Belegungsliste" van het militair kerkhof in Vladslo wer­den we al niet veel wijzer

"Nyczak Stanislaus, Musketier

+ 20.10.1916 - 2./Ldst. J. Btl. I Altona Grab-Nr. 4-828."

Deze vrij cryptische aanduiding werd ons door de Volksbund Deut­sche Kriegsgräberfürsorge in Kassel als volgt toegelicht (in een schrijven van 24.01.1985)

"Musk. Stanislaus N y c z a k,     + 20.10.1916,

2. Kompanie Landsturm - Infanterie - Bataillon I, Altona, bestattet : Vladslo/Belgien, Block 4 - Grab 828."

Musketier Nyczak maakte dus deel uit van de 2de compagnie Landsturmm-Infanterie, bataljon I (van het Pruissische leger), waar­van de regimentsplaats zich te Altona bevond.

Voor verdere informatie verwees men ons naar het Militärgeschichtliches Forschungsamt in Freiburg/Breisgau. Daar deelde men ons uiteindelijk het volgende ontgoochelende bericht mee

"Die Personalunterlagen von Angehörigen des preussischen Kontingents der ehemaligen kaiserlichen deutschen Armee wurden im Heeresarchiv in Potsdam aufbewahrt. Diese Unterlagen sind 1945 vollständig verbrannt. Da das Landsturmm-Infanterie-Bataillon i zu dem genannten Kontingent gehörte, sind heutzutage keune Personalien feststellbar und es kan somit nichts Näheres über den Musketier Stanislaus Nyczak gesagt werden." (31)

Alles was opgegaan in de vlammen van Wereldoorlog II zodat de afkomst van Nyczak wel altijd een raadsel zal blijven. Het enige wat hieromtrent nog kan opgemerkt worden is dat de familienaam Nyczak op een Poolse afkomst lijkt te wijzen, en dat zou o.m. verklaren waarom hij bij-het Pruissische leger werd ingelijfd. Dit vermoeden wordt gedeeld door het Bayerisches Hauptstaatsarchiv in München

"Der Soldat Stanislas Nyczak dürfte, nach seinem Namen zu schliessen, die polnische Volkszugehörigkeit besessen haben, er hat demnach der Preussischen Armee angehört, deren einschlägige Akten im Zweiten Weltkrieg weitgehend vernichtet worden sind." (32)

Hoe oud was Nyczak toen hij in oktober 1916 om het leven kwam ? Ook op dit punt bestaat er geen eensgezindheid tussen de gein­terviewden.

Volgens wijlen Jozef Vermeire was hij 24 jaar. Ook Clement Vercauteren van Temse (°1899) (33), die Nyczak meermaals heeft ontmoet, schat zijn leeftijd op vooraan in de twintig. Volgens Frans en Marie Lefebure zou hij zelfs slechts 18 à 19 jaar zijn geweest.

Wijlen Emiel Teirbrood (1891-1985) daarentegen wierp op dat te Elversele vooral soldaten lagen die niet meer geschikt waren voor het front (invaliden en ouderen). Ook Nyczak was volgens hem niet meer zo jong.

Clement Vercauteren bevestigt dat de Duitsers die hier verble­ven, vooral oudere soldaten waren. Nyczak zou echter een uit­zondering zijn geweest en zou dat met name te danken hebben aan zijn rijke afkomst. De invloed van zijn ouders zou ervoor gezorgd hebben dat hij, ver genoeg van het front, een risicoloos postje kreeg. Dat het uiteindelijk toch niet zo risicoloos was, kon hij later jammer genoeg niet meer verder vertellen.

We houden het erbij dat Nyczak, in tegenstelling met de meeste van zijn collega's, nog vrij jong was. Zij die dat beweren zijn trouwens stuk voor stuk meerdere keren met de Duitse sol­daat in contact gekomen.

De moeder van Vincent Vermeire, Adelphine Vincke, nam tijdens Wereldoorlog I het kappersbedrijf waar van haar broer Jozef (1883-1926) die aan het front zat. Die kapperszaak was geves­tigd in de huidige herberg 't Hoeksken (Dorpsstraat 99). Ook Stanislaus Nyczak, "Otto" voor de vrienden, kwam zich geregeld laten "rasieren" en stond er bekend als een goede, sympathieke jongen.

Mieke Lefebure (°1902) en haar broer Frans (°1904) houden er een andere mening op na. Toen zij als kinderen al eens wat hout gingen sprokkelen, kwamen ze Nyczak vaak tegen. Ze moes­ten dan telkens hun karretje volledig leeghalen om te zien of er geen smokkelwaar onder verborgen zat. Nyczak was volgens hen een dienstklopper die per sé mensen wou "pakken".

Dat wordt bevestigd door Clement Vercauteren. Nyczak lag er voortdurend op gebrand om smokkelaars te kunnen betrappen. Hij arresteerde zelfs kinderen die al spelend de grens tussen Tielrode (Generaal Gouvernement) en Elversele (Etappegebied) overschreden. Al wie zich met smokkelpraktijken placht in te laten, wist dat hij voor Nyczak op zijn hoede moest zijn.

Nyczak zou dus een fervent, nimmer aflatend, vervolger van smokkelaars zijn geweest. Een heel ander beeld dus dan dat van de brave, sympathieke jongen. Al moeten we natuurlijk zoveel mogelijk nuanceren : wie zèlf als smokkelaar het slachtoffer is geweest van Nyczak, is wellicht vooringenomen.

Toch is het best mogelijk dat de ambitie van onze Duitse sol­daat om smokkelaars te vangen hem uiteindelijk fataal is gewor­den. Volgens Maria de Kerf, hebben haar vader en Medard, nadat ze betrapt waren, nog geprobeerd Nyczak om te kopen.

We herhalen nu de vraag die we aan het begin van dit hoofdstuk hebben gesteld : wie was Stanislaus Nyczak ? Op grond van de, weliswaar beperkte, gegevens in ons bezit, me­nen we die vraag als volgt te mogen beantwoorden:

Stanislaus Nyczak was een jonge Pool, van vooraan in de twintig, die bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog als musketier werd ingedeeld bij het Pruissische leger, meer bepaald bij de 2de compagnie Landsturm-Infanterie, Bataljon I, gekazerneerd te Altona (nabij Hamburg).

Als zoon van invloedrijke ouders kreeg hij een functie toegewe­zen in bezet België, ver genoeg van het front, in de Kommandan­tur Lokeren.

Dat belette hem niet de hem toegewezen job hoogst plichtsbewust op te vatten en met volle toewijding uit te oefenen. Aan de smokkelpraktijken in het grensgebied Elversele-Tielrode wou hij paal en perk stellen. Tot dan die fatale 20ste oktober 1916 kwam en hij zijn plichtsbewustzijn met de dood moest bekopen.


kaartende soldaten



30) Dit blijkt uit een brief van de Freie und Hansestadt Hamburg d.d. 17.5.1985

"auf Ihre o.a. Schreiben teilen wir mit, dass die von Ihnen be­zeichnete Person -Stanislaus N Y C Z A K- mit den von Ihnen ange­gebenen Daten im überprüften Alton./Hamburger Melderegister nicht ermittelt werden konnte."

31) Brief d.d. 11.2.1985 van het Militärgeschichtliches For­schungsamt, Grünwalderstrasse 10-14 - 7800 Freiburg im Breisgau.

32) Brief d.d. 4.10.1984 van het Bayerisches Hauptstaatsarchiv, Leonrodstrasse 57 - 8000 München.

33) Petrus "Clement" Vercauteren woont momenteel te Temse. Hij werd op 12 maart 1899 geboren in de "Kasseistraat" (Hogen­akkerstraat), op de grens tussen Elversele en Tielrode. Hij zou daar trouwens blijven wonen tot aan zijn huwelijk in 1928.


Bijlage 1 : Overzicht van de gevoerde briefwisseling

14.05.84 Consulaat-Generaal van de Bondsrepubliek Duitsland - De Keyserlei 5 - 2018 Antwerpen

Antwoord : 20.06.84

01.06.84 Prof. Dr. J. Dhaenens - Faculteit van de Rechtsge­leerdheid - Seminarie voor strafrecht en strafvorde­ring - Universiteitstraat 4 - 9000 Gent

Antwoord : 15.06.84

20.06.84 Rijksarchief te Gent - Geraard Duivelsteen - Geraard de Duivelstraat 1 - 9000 Gent

Antwoord : 25.06.84

27.06.84 Rijksarchief te Beveren-Waas - Kruibekesteenweg 39 - 2750 Beveren-Waas

Antwoord : 05.07.84

29.07.84 Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie - Herengracht 474 - 1017 CA Amsterdam

Antwoord : 06.08.84

29.07.84 Bundesarchiv Koblenz - Postfach 320 - 5400 Koblenz 1 (Bundesrepublik Deutschland)

Antwoord : zie Bundesarchiv Freiburg i.Br.

29.07.84 Bundesarchiv -Militärarchiv- Wiesentalstrasse 10 - 7800 Freiburg im Breisgau (BRD)

Antwoord : 10.08.84

29.07.84 Bundesarchiv -Zentralnachweisstelle- Abteigarten 6 - 5100 Aachen (BRD)

Antwoord : 19.09.84

11.08.84 Koninklijk Museum van het leger en van krijgsgeschie­denis - Jubelpark 3 - 1040 Brussel

Antwoord : 21.08.84

11.09.84 Archives de l'Etat à Huy -Couvent des Frères Mineurs­

5200 Huy

Antwoord : 15.09.84

11.09.84 Algemeen Rijksarchief - Ruisbroekstraat 2-6 - 1000 Brussel

Antwoord : 18.09.84

26.09.84 Krankenbuchlager Berlin - Wattstrasse 11-13 - 1000 Berlin 65 (BRD)

Antwoord : 22.10.84

26.09.84 Geheimes Staatsarchiv Preussischer Kulturbesitz - Archivstrasse 12-14 - 1000 Berlin 33 (Dahlem) (BRD)

Antwoord : 03.10.84

26.09.84 Bayerisches Hauptstaatsarchiv -Kriegsarchiv- Leon­rodstrasse 57 - 8000 München 19 (BRD)

Antwoord : 04.10.84

26.09.84 Hauptstaatsarchiv Stuttgart -Abteilung Militärarchiv-Gutenbergstrasse 109 - 7000 Stuttgart (BRD)

Antwoord : 03.10.84

26.09.84 Generallandesarchiv Karlsruhe - Nördl. Hildapromenade 2 - 7500 Karlsruhe 1 (BRD)

Antwoord : 16.10.84

26.09.84 Staatsarchiv Dresden - Archivstrasse 14 - 8060 Dres­den (Deutsche Demokratische Republik)

Antwoord : 20.11.84

04.12.84 Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge e.V. - Werner Hilpertstrasse 2 - 3500 Kassel (BRD)

Antwoord : 14.12.84 24.01.85

30.01.85 Militärgeschichtliches Forschungsamt -Abteilung AIF III- Grünwälderstrasse 10-14 - 7800 Freiburg im Breis­gau (BRD)

Antwoord : 11.02.85

18.02.85 Freie und Hansestadt Hamburg - Behörde für Inneres - Einwohner-Zentralamt - Hachmannplatz 2 - 2000 Ham­burg 1 (BRD)

Antwoord : 25.03.85 22.04.85 Idem

Antwoord : 17.05.85

(17.05.85) Deutsche Dienststelle (WASt) - Eichborndamm 167 - 1000 Berlin 51 (BRD)

Antwoord : 24.07.85

29.11.85 Stadtarchiv Leipzig - Postfach 780 - 701 Leipzig (DDR) Antwoord : 27.01.86

 


Bijlage 2 : Lijst van de medewerkers

- Alle tipgevers en geinterviewden, i.h.b. (zonder volledig te kunnen zijn) .

ADRIAENSSENS Hubert (Tielrode)

LEFEBURE Marie

ADRIAENSSENS Jozef (Tielrode)

MAES Josephine

CHRISTIAENS Jules

POPPE Theophiel (Kastel)

CUYT Marcel (Temse)

ROBBERECHT Emiel (Steendorp)

HAUWERE André (Dendermonde)

SMET Jerome (Temse)

DE KERF Malvina (Steendorp)

VAERENDONCK Jozef (Tielrode)

DE KERF Maria (Waasmunster)

VAN BRITSOM Suzanne

DE KOCKER August (+)

VAN BUYNDER Georges

DE LOOSE Alfons (Hamme)

VAN DER GUCHT Alfred (Sint­Niklaas)

DE LOOSE Elisabeth

VAN EXTERGHEM Alfons (Dender­monde

DE RYCK Luc (Temse)

VERCAUTEREN Clement (Temse)

DE SMET Louis

VERGUCHT Frans

DE WESTELINCK Marie

VERHELST Cesar

DE WITTE Margriet (+)

VERMEULEN Maria

HOENS Anna (Hamme)

VERSTEGEN Vedastus (Lokeren)

LAGET Sophie

VINCKE Maria

LEEMAN Hendrik (+)

LEFEBURE Frans

- Drukwerk : BOEL Roger

- Typwerk : PELEMAN Mia

- Het bestuur van de Heemkundige Kring Braem v.z.w., in het bijzonder

DE KEERSMAKER Marcel (bestuurslid tot december 1984)

DE KIMPE Marcel

DE WESTELINCK Willy LAMBRECHT Eduard

VAN DEN HEUVEL Eric

VERMEIRE Vincent


Bibliografie (enkel gepubliceerde bronnen)

BALTHAZAR, H. e.a., Geschiedenis. De moderne tijd van 1914 tot heden. Deurne, 1983 (Culturele geschiedenis van Vlaan­deren, dl. 4).

BERGE, F. VAN DEN, Dagboek van een oudstrijder 1914-1918. Wetteren, 1968.

BOEY, M., Tragedie 14/18. Het voorspel van "Vlaanderen aan de Ijzer". Met een voorwoord van Hendrik Borginon. Diks­muide/Tielt/Utrecht, 1974.

CONTAMINE, H., De grote oorlog 1914-1918. Bussum, 1973.

HEEMKUNDIGE KRING Braem. Driemaandelijks tijdschrift voor heemkunde, jg. 1 nr. 2 (Elversele, april 1969) (oorlogs­nummer 1914-1918).

ISACKER, K. VAN, Mijn land in de kering. 1830-1980, 2 dln. Antwerpen/Amsterdam, 19803-1983.

ONZE TEMSCHENAARS (o. red. v. 0. BULTERYS en Cl. DE LANDTS­HEER). 20 nrs. (Cherbourg, februari 1917 - Temse, mei 1919).

RAEMDONCK, F. VAN, Kroniek van Tielrode, 2 dln. Tielrode, 1972-1973.

VLAMINCK, C., Het etappengebied in België tijdens den oorlog 1914-1918. Brussel, 19223.

VOS, F. DE, Een bijna vergeten drama uit de Eerste Wereld­oorlog. De terechtstelling van M. Adriaenssens en J. de Kerf, in : Heemkundige Kring Braem. Driemaandelijks tijd­schrift voor heemkunde, jg. 7 nr. 2 (Elversele, juni 1975), pp. 2-5.

VOS, F. DE, Een vergeelde herinnering aan de Eerste Wereld­oorlog, in : De Souvereinen. Tijdschrift van de Heemkring van Lokeren, jg. 8 nr. 3 (Lokeren, juli 1977), pp. 84-86.

VOS, F. DE, Het oorlogsdagboek van Maurice Laekeman. Lokeren tijdens de eerste wereldoorlog, in : De Souvereinen. Tijd­schrift van de Heemkring van Lokeren, jg. 5 nr. 1 (Lokeren, januari 1974) - jg. 13 nr. 4 (Lokeren, december 1982).

VOS, F. DE, In Memoriam Mr Jozef van Winckel, in : De Souve­reinen..Tijdschrift van de Heemkring van Lokeren, jg. 3 nr. 3 (Lokeren, juni 1972), pp. 68-69.

WEVERBERGH, J. en R. VAN OPBROECKE, De bezetter bespied. Ant­werpen/Amsterdam, 1980.

Grote WINKLER PRINS, 20 dln. Amsterdam/Brussel, 1973-1975.

20-12-07

De moord op Stanislaus Nyczak (hoofdstuk IV)

IV. SPEURTOCHT NAAR EEN LIJK

­Zoals we hoger vermeldden werd de vermoorde Duitse soldaat, Stanislaus Nyczak, op 24 oktober 1916 op het kerkhof van Lokeren begraven. Toen wij daar in het najaar van 1984 een kijkje gin­gen nemen, moesten wij tot onze verwondering constateren dat er van Nyczak helemaal geen spoor meer was. Bovendien kon noch de huidige noch de vroegere grafmaker ons daar een afdoende verkla­ring voor geven.

Gelukkig kwamen we toen in contact met pater Vedastus Verstegen (°1906) van de Lokerense Minderbroeders. Hij signaleerde ons het oorlogsdagboek van Maurice Laekeman, waarin het volgende te lezen staat (betreffende het jaar 1918)

"Op 29 April werden den 3e en 4e engelschen krijgsgevangen begraven. Maar deze werden naar het militair kerkhof van Appels-Dendermonde ge­voerd. Men had besloten voortaan alle overleden soldaten te begraven op een nieuw aangelegd soldaten kerkhof te Appels-Dendermonde. Ook moesten al de reeds begraven soldaten alhier, en ook die nog op andere kerkhoven in den omtrek lagen, terug uitgegraven worden en naar dit mi­litaire kerkhof overgebracht worden.

Begin Mei kwam alhier den overschot toe van eene soldatendievisie die aan den Kemmelberg in de lucht gevlogen was. Zoo vertelden de soldaten zelf.

(...)

Op 6 Mei begon men alhier met de ontgraving der gesneuvelde en andere bezweken soldaten. Die vuile karwei wilde men ons opleggen, maar dit weigerden wij tot tweemaal toe en werden er gelukkiglijk van ontslagen. Echter werd ons streng bevolen de lijken goed aan te wijzen, een kaartje met hun naam en den nummer van begraving op de kist te hechten en deze te vergezellen, iedermaal er een transport was van 6 à 10 lijken naar Appels-Dendermonde. Ook werden de ontgraven soldaten uit de kommandan­tur naar ons kerkhof gebracht om dan medegevoerd te worden naar 't mili­tair kerkhof. Gezien wij de ontgraving niet deden kwam er een ploeg soldaten van 12 man die met dit vuil werkje gelast werden." (26)

In een volgende aflevering van het tijdschrift van De Soevereinen werd daar nog het volgende aan toegevoegd

"Telkenmale ontgroef men er dagelijks 6, waren de kisten te slecht dan werden deze in eene nieuwe geplaatst en opgestapeld in het klein dooden­huisje om 's anderdaags op een grooten wagen als beesten naar 't militair kerkhof van Appels-Dendermonde overgebracht te worden. Zo werden hier 26 duitsche, 2 engelsche en 2 belgische soldaten ontgraven. De andere belgische gesneuvelde soldaten mochten blijven liggen, op ons aandringen en zeggen dat ze allen in een gemeenzaam graf begraven lagen en het niet mogelijk was hun er afzonderlijk uit te halen.

Met deze leugen zagen
zij er van af. Twee belgische soldaten die wij vroeger al ontgraven had­den en op een andere afzonderlijke plaats hadden begraven moesten kost wat kost toch mede, niettegenstaande wij alles deden om hun hier te be­houden.

Al deze ontgravingen gedaan door halve wildemans soldaten en schnaps­schinkers, nam een einde den 23 Mei. Niet alleen wij, maar ook heel de gebuurte was tevreden om den vuilen geur bij het ontgraven en vervoeren der ontbindende lijken. " ( 27 )

Ook het stoffelijk overschot van Stanislaus Nyczak was dus in mei 1918 overgebracht naar het militair kerkhof van Appels bij Dender­monde.

In het stadsarchief van Dendermonde (28) konden wij een register inkijken over de ontgravingen 1914-19L8 : nr. 267 betrof Stanislas Nyckak (sic). De exacte begraafplaats stond gesitueerd op een plan van het militair kerkhof dat deel uitmaakt van het burgerlijk kerkhof van Appels. Uit het register bleek ook dat hij op 16 mei 1918 te Lokeren was ontgraven.

Op het kerkhof van Appels, Kerkhofwegel 17, vonden we weliswaar een paar honderd Belgische soldaten uit de Eerste Wereldoorlog, evenals enige Engelse, maar Duitsers zochten we er vruchteloos. Net als op het kerkhof van Lokeren dus geen Nyczak meer te vin­den.

We gingen toen de oude grafmaker, Alfons "Frans" van Exterghem
(°1908), thuis opzoeken. Gelukkig had de man een goed geheugen zodat hij ons wist te vertellen dat ca. 1955 alle Duitsers nogmaals werden ontgraven en overgebracht naar het militair kerkhof van Vladslo bij Diksmuide.

Op 3 december 1984 bezochten wij het militair kerkhof in de Hout­landstraat te Vladslo, een Duits soldatenkerkhof waar 25.644 ge­sneuvelden uit de Eerste Wereldoorlog werden herbegraven.

Het kerkhof werd opgericht door de Volksbund Deutsche Kriegsgräber-fürsorge uit Kassel in samenwerking met de Duitse Bondsregering. Het was in de jaren 1955-1957 dat op initiatief van deze Volksbund een massa Duitse gesneuvelden van diverse soldatenkerkhoven over heel België (o.m. dat van Dendermonde-Appels) werden verzameld op 4 grote begraafplaatsen in West-Vlaanderen (enkel voor gesneuvel­den van WO I) : Hooglede, Langemark, Menen en Vladslo. Dat van Vladslo is prachtig gelegen in het uitgestrekt Praatbos, een restant van het vroegere Bos van Koekelare. Achteraan op de begraaf­plaats staat het beroemde "Treurende ouderpaar", een standbeeld van Käthe Kollwitz dat ze opdroeg aan haar zoon Peter (gesneuveld op 23.10.1914). (29)

De aanleg van het kerkhof is bijzonder sober gehouden. Per 20 soldaten werd er een vierkante steen voorzien met vermelding van de naam, de functie en de overlijdensdatum.

Aanvankelijk leek het ons onbegonnen werk om uit 25.644 namen die van Nyczak terug te vinden. Er was gelukkig een registerruimte met een 6-delig alfabetisch register ("Belegungsliste"). Met be­hulp hiervan konden we het graf van Nyczak lokaliseren in blok 4, grafsteen 828.

Op de aangegeven plaats vonden we de volgende vermelding terug

"Stanislaus Nyczak   musketier   + 20.10.16."

Na heel wat hindernissen en omwegen stonden we uiteindelijk dan toch voor de laatste (?) "laatste rustplaats" van de te Elversele om het leven gebrachte Duitse. soldaat.


begraafplaats Vladslo

 


graf Stanislaus Nyczak Vladslo


 

26) DE VOS, F., Het oorlogsdagboek van Maurice Laekeman. Loke­ren tijdens de eerste wereldoorlog, in : De Souvereinen. Tijdschrift van de Heemkring van Lokeren, jg. 12 nr. 3 (Lo­keren, september 1981), pp. 99-100.

27) De Souvereinen. Tijdschrift van de Heemkring van Lokeren,, jg. 13 nr. 1 (Lokeren, maart 1982), p. 29.

28) Het stadsarchief van Dendermonde vond een onderkomen in het nieuw Administratief Centrum, Franz Courtensstraat 11 -9330 Dendermonde.

Het bedoelde register bevindt zich in een doos met het op­schrift "Militie - Ontgravingen 1914-18 - registers 1940-43 - Opeisingen".

29) In de inleiding tot het 6-delig alfabetisch register van de begraafplaats vonden we daarover de volgende, ontroerende, toelichting

"Bei der Zusammenbettung kam mit den Toden Kameraden aus Eessen­-Roggeveld auch Peter Kollwitz nach Vladslo-Praetbosch und mit ihm die Plastik des trauernden Elternpaares von Käthe Kollwitz, die ihrem Sohn aus der Kraft ihrer Liebe und ihres hohen Künstlertums dieses Grabmal schuf. Es steht unmittelbar vor seinem Grab und gleichzeitig vor dem gesamten Gräberfeld und ist Symbol für alle Eltern, die vor den Gräbern ihrer gefallenen Söhne beten."

19-12-07

De moord op Stanislaus Nyczak (hoofdstuk III 9)

9. 9 januari 1917 : Voltrekking van het vonnis

Gedurende de nacht van 8 op 9 januari 1917 werden Jozef de Kerf en Medard Adriaenssens voorbereid op de dood door 2 paters uit het franciscanenklooster te Lokeren : pater Richardus (20), toen­malig gardiaan, en pater Amandus (21).


paters



Op dinsdag 9 januari, vroeg in de morgen, werden de 2 ter dood veroordeelden "van onder de Paraplu" gehaald door 4 rijkswachters.

Eén van hen, Jozef de Kerf, slaagde er nog in zich los te rukken en weg te lopen. Indien hij de weg had geweten te Lokeren, was hij zeker kunnen ontvluchten. Nu liep hij recht in de armen van een groep Duitse soldaten.

Beiden werden toen, samen met hun doodskist, op een zware vracht­auto geladen en naar Elversele gevoerd.

Toen ze rond half 9 op de Legen Heirweg te Elversele arriveerden, heerste er reeds een ongewone drukte. Duitsers te voet en te paard hielden de nieuwsgierigen op afstand, terwijl de 2 veroor­deelden, die nog steeds werden bijgestaan door pater Richard, uit de camion werden gehaald.

Medard rookte een sigaret en zwaaide met zijn klak naar de omstaanders. Hij riep herhaalde­lijk dat hij nog veel moed had. De Kerf daarentegen was toen al meer dood dan levend en kon nog nauwelijks op zijn benen staan.

Van op de Legen Heirweg ging het te, voet naar de plaats van exe­cutie, een 50-tal meter oostelijk van de plaats waar de moord werd gepleegd. De plaats van de moord zelf was té gevaarlijk om­dat de binnendijk niet zo ver kwam en men wou vermijden dat er bij de executie verdwaalde kogels in Hamme zouden terechtkomen.


plaats executie

Plaats van de executie


Bij de executie mocht niemand aanwezig zijn. Toch waren er waag­halzen die alles hadden kunnen zien, o.m. Frans Lefebure, Theo­phiel Berckmoes en Sophie Laget.

De Kerf en Adriaenssens werden in het "meersken" aan 2 jonge ca­nada's gebonden, met hun gezicht naar de Legen Heirweg, en ver­volgens geblinddoekt. Pater Richard liep ondertussen steeds maar heen en weer tussen de 2 veroordeelden. Medard zou nog geroepen hebben : "We zijn hier met een man te weinig", daarmee waarschijn­lijk doelend op diegene die hen verraden had (zijn nonkel ?).

De executie werd volgens Maurice Laekeman voltrokken door 24 Uhlanen. Sophie Laget daarentegen beweert dat slechts 2 keer 4 Duitsers naar voren moesten treden. De waarheid zal, zoals ge­woonlijk, wel ergens in het midden liggen. In het frontblaadje Onze Temschenaars, onder redactie van Octaaf Bulterys en Clemens de Landtsheer, is trouwens sprake van een peloton van 10 man. (22)

Het was exact 4 minuten vóór 9 uur toen de schoten vielen (zo blijkt uit de pas in 1919 opgemaakte overlijdensakte).

Volgens Frans Lefebure werd het executiepeloton geronseld onder de Duitsers die te Elversele logeerden. Verscheidene Elversele­naren, o.m. Frans' vader, gaven hun logeerders de raad zich niet te melden aangezien ze zich dan onsympathiek zouden maken bij de plaatselijke bevolking.

Nadat de executie voltrokken was, gingen de Duitsers weg zonder nog naar de lijken om te kijken. Dat was de verantwoordelijkheid van champetter Albert van Vlierberghe en hulpchampetter Cesar de Loose.

Het waren jongens van ter plaatse, o.m. Achiel Teirbrood (1895­1975), Petrus Boel (1894-1982) en Jozef Bogaert ("Jef Kamiel"), die de kisten met elsklippers naar de Legen Heirweg droegen.

Daar werden ze op een platte boerenkar geplaatst en naar het kerk­hof van Elversele gereden. Het bloedspoor kon heel de weg gevolgd worden.

Dezelfde dag nog kwam de moeder van Medard haar zoon afleggen in het dodenhuisje van Elversele.

Beide geëxecuteerden werden in hun respectieve parochies begra­ven : Medard te Tielrode, De Kerf te Temse.

In de canada's waaraan ze waren gestorven werden, kort na de exe­cutie, kruisen gesneden door onbekenden. Die kruisen zijn daar jarenlang te zien geweest.

De dag van de executie, 9 januari 1917, publiceerden de Duitsers een 2-talige affiche (Duits-Nederlands) waarin het vonnis en de voltrekking ervan werden bekendgemaakt. (23)

De Duitsers lieten anderzijds niet toe dat er een overlijdensakte werd opgemaakt voor de 2 onfortuinlijke smokkelaars. Dit leverde enkele jaren later problemen op voor De Kerfs weduwe. Zij wou hertrouwen met Jozef Penneman uit Temse (°Tielrode 29.04.1883), doch wettelijk gezien was zij nog steeds getrouwd met Jozef de Kerf.

Dit werd rechtgezet bij vonnis (toen nog in het Frans) van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde d.d. 01.03.1919. Be­doeld vonnis werd op 25 maart 1919 woordelijk overgeschreven in de overlijdensakten van de gemeente Elversele (akte nr. 3). (24)

Het was uiteindelijk pas op 22 juli 1920 dat Irma van Remoortere hertrouwde met mandenmaker Jozef Penneman. Uit dit 2de huwelijk werden nogmaals 4 kinderen geboren, waarvan weerom 3 jong gestor­ven. Enkel Oscar, een halfbroer dus van Maria de Kerf, overleef­de (°Temse, 05.09.1921).Jozef Penneman overleed op 04.11.1948, 65 jaar oud.

Irma van Remoortere, reeds 2 maal weduwe, zou ca. 1959 nog een 3de maal in het huwelijk treden met een Temsenaar die in Boechout woonde. Het was toen dat ze alle herinneringen aan haar eerste echtgenoot verbrandde. Ze overleed in maart 1964, 70 jaar oud.

Ook het overlijden van Medard Adriaenssens diende bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde te worden vastge­steld. Dit vonnis dateert van 26.07.1919. Het werd overgenomen in de overlijdensakten van de gemeente Elversele van het lopende jaar op 18.09.1919 (akte nr. 22). (25)


20) Pater Richardus Degreef werd geboren te Sint-Truiden op 1 juni 1875. Op 23 september 1892, amper 17 jaar oud, trad hij in bij de Franciscanen. Hij werd priester gewijd op 27 mei 1899.  Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij gardiaan (overste) van het Minderbroedersklooster te Lokeren. Later werd hij, in zijn functie van gardiaan, overgeplaatst naar Sint-Niklaas. Hij overleed te Sint-Truiden op 4 maart 1929.

21) Pater Amandus Hardy zag het levenslicht op 25 juni 1857 te Aalter. Hij werd priester gewijd te Gent op 29 augustus 1880. Op 29 april 1885 werd hij geprofest bij de Minderbroeders van Tielt. In latere jaren was hij o.m. gardiaan van verscheidene franciscanenkloosters. Hij overleed te Lokeren op 17 mei 1929.

22) Zie daarvoor : Onze Temschenaars, nr. 1 (Cherbourg, februari­maart 1917), p. 2.

Er dient hier onmiddellijk aan toegevoegd dat wat in Onze Tem­schenaars aangaande de moord en de executie die daarop volgde gepubliceerd werd, weinig nauwkeurig is. Hoogstwaarschijnlijk betreft het hier nieuwtjes die De Landtsheer, vanuit Cherbourg in Frankrijk, slechts via heel wat omwegen te weten kwam

"In de maand Januari 11. wilden twee mannen van Temsche naar het etappengebied. Een Duitsch schildwacht wilde hen weerhouden; een gevecht ontstond en de soldaat werd gedood. Patrouiles werden hun achterna gezonden en namen ze gevangen. De mannen werden aan een boom gebonden en door een peloton van 10 man doodgeschoten. Dit vonnis werd achter 't kerkhof voltrokken. Wel 500 inwoners zijn de lijken komen groeten. Volgens 't schijnt is het een zeke­ren "den Daf" en zijn makker."

(Onze Temschenaars, nr. 1 (Cherbourg, februari-maart 1917), p. 2)

"In ons nr 1 spraken we van twee broeders, waaronder een zekeren "den Daf" zou zijn, die naar Holland wilden vluchten, een Duitsch schildwacht doodden en aangehouden werden. Ziehier volgens "Ons Vlaanderen" meldt, op welke tragische wijze onze twee arme mede­burgers den dood vonden : Beide mannen werden in een open auto naar Temsche gebracht, waar ze de doodstraf zouden ondergaan. Elk zat bij zijne doodskist en zoo werden beide mannen door de straten der gemeente gevoerd. Een van de jongens weende luid, de andere wuifde met zijn zakdoek. Op de plaats waar zij de doodstraf zouden ondergaan vroeg de jongste, pas 21 jaar oud, de toelating nog een woord aan zijn makker te mogen toesturen. Dit werd toege­staan : Kamaraad, sprak hij op vasten toon, schep moed wij hebben onzen plicht gedaan ! - Daarop werden ze geblinddoekt en doodge­schoten. - Naar wij vernemen zou de tweede gefusilleerde burger

Ferdinand De Buyser zijn. Arme jongens !"

(Onze Temschenaars, nr. 2 (Cherbourg, april 1917), p. 4)

23)  
De tekst van deze tweetalige affiche d.d. 9.1.1917 luidt, in hut Nederlands, als volgt

"1. Bij vonnis van het veldgerecht der Etappenkommandantur 11 Garde van 25. November 1916, bekrachtigd op den 1. December 1916 zijn,

de handelaar Medard Adriaenssens van Tielrode,en de wever Josef De Cerf van Temsche,
wegens gemeenschappelijken moord op eenen zich in dienst bevindende sol­daat
ter dood
veroordeeld, en heden op de plaats der misdaad te Elverzele doodgeschoten geworden.

2. De scheepsarbeider Edmond Adriaenssens van Tielrode is door hetzelfde vonnis wegens medeplichtigheid aan de moord tot 3 jaren tuchthuisstraf veroordeeld geworden.

Lokeren, 9. Januari 1917. (get.) v. d. Knesebeck,

Oberstleutnant u. Etappen­kommandant."

(Koninklijke Oudheidkundige Kring van het Land van Waas verzameling Aanplakbiljetten Wereldoorlog I, indexnummer 191715)

24)  
Overlijdensakten van de gemeente Elversele : 1919 nr. 3

"Nous Albert, roi des Belges, A tous présents et à venir faisons savoir : Le Tribunal de première instance séant à Termonde, première chambre, a rendu sur requête le jugement suivant : A Messieurs les Présidents et Juges du Tribunal de première Instance de Termonde; - Le Procureur du Roi de l'arrondissement de Termonde a l'honneur de vous exposer : Que le nommé De Kerf Joseph époux de Van Remoortere Irma est décédé à Elversele, le neuf Janvier 1900 et dix-sept à huit heures cinquante six minutes du matin (heure de l'Europe Centrale); - Que le fait de ce décès est établi à suffisance par les pièces join­tes à la requête; - Que l'acte de décès du prénommé n'a pas été in­scrit dans les régistres de l'Etat-Civil de la Commune d'Elversele; -

Que Van Remoortere Irma, veuve de De Kerf Joseph, se propose de se remarier; - Qu'elle est indigente; - C'est pourquoi il requiert, vu l'article 7 de la loi du 16 Aout 1887, qu'il plaise au Tribunal dé­clarer qu'est décédé à Elversele le neuf Janvier 1900 dix-sept à huit heures cinquante six minutes (Heure Europe-Centrale), le nommé De Kerf Joseph fils de David et de Meirleir Elisa, son épouse, né à Tamise le dix-huit Décembre 1800 nonante, époux de Van Remoortere Irma; - et que le jugement à intervenir tien­dra bien d'acte de décès ordonner que ce jugement sera transcrit aux regietres de l'Etat-Civil à Elversele de l'année courante et que mention en sera faire au registre des actes de décès de l'année 1900 dix-sept, en marge de l'endroit ou l'acte (inscrit) lisez : aurait du être inscrit - Fait au Parquet à Termonde le vingt-six février 1900 dix-neuf. Le Procureur du Roi, /signé/ Schramme. Nous président du Tribunal de première instance séant à Termonde, commettons Monsieur le Juge Langerock pour faire rapport. Termonde le vingt-huit février 1900 dix-neuf /signé/ A. Van der Linden. - Le Tribunal de première Instance séant à Termonde; Vu la requête présentée d'office par Monsieur le Pro­cureur du Roi près de ce siège; - Vu les pièces y annexées; - Oui Monsieur le Juge Langerock; Attendu qu'il est établi par les pièces produites que le nommé De Kerf Joseph époux de Van Remoortere Irma, est décédé à Elversele, le neuf Jan vier 1900 dix-sept à huit heures cinquante six minutes du matin (heure de l'Europe centrale). - Constaté que le susnommé De Kerf Jo­seph époux de Van Remoortere Irma est décédé à Elversele le neuf Janvier 1900 dix-sept à huit heures cinquante six minutes du matin (heure de l'Europe centrale); - Ordonne que le présent jugement sera transcrit sur les registres des décès de l'année courante de la commune de Elversele et que mention en sera faite en marge de la place que l'acte eut été regulièrement inscrit. - Ainsi fait et prononcé à l'audience publique de la première chambre du premier Mars 1900 dix-neuf, ou étaient pré­sents Messieurs Van der Linden, Président Langerock et Geerinckx,

Juges, Van Winckel, juge suppléant délégué comme juge f.f. de Procureur du Roi à défaut de ce magistrat et de ses Substituts tout légalement empêchés; Vandermeeren greffier-adjoint surnumé­raire /signé/ A. Van der Linden. Paul Vandermeeren. - Mandons et ordonnans à tous huissiers à ce requis, de mettre le pré­sent jugement à exécution. A nos Procureurs généraux et à nos Procureurs près les Tribunaux de première Instance d'y tenir la main et à tous commandants et officiers de la force publique d'y prêter main-forte lorsqu'ils en seront légalement requis. En foi de quoi le présent Jugement a été signé et scellé du sceau du Tribunal. Pour première Grosse conforme délivrée à Monsieur Ie Procureur du Roi. Le greffier /signé/ Paul van der Meeren. - Ingeschreven overeenkomstig het artikel een honderd een van het Burgerlijk Wetboek door ons schepene afgevaardigde ambtenaar van den Burgerlijken Stand der gemeente Elversele, den vijf en twintigsten Maart negentien honderd en negentien en die mits deze ook goedkeurt de doorhaling van zes en vijftig woorden in bovenstaanden akt

(handt. A. Vermeire)"

N.B. De schrapping van 56 woorden betreft de voorgedrukte tekst van de 4 akten die men nodig had om dit vonnis in te schrijven.

25)  Overlijdensakten van de gemeente Elversele : 1919 nr. 22, de tekst is, op de namen na, analoog met die van het vonnis betreffende Jozef de Kerf.


18-12-07

De moord op Stanislaus Nyczak (hoofdstuk III 7+8)

Vaak zat hij, geheel alleen, gehurkt op straat, met zijn rug te­gen het oude Volkshuis (rechtover zijn deur). Bij één van die gelegenheden kwamen 2 Duitsers te paard de Beestenhoek ingereden. Ze vroegen hem waar Jozef De Kerf woonde. De Kerf maakte zich bekend en liet zich gewillig in de boeien slaan. Het leek alsof hij had toegegeven aan een innerlijke drang die hem verplichtte om zich aan te geven. Hij werd overgebracht naar Lokeren en eveneens opgesloten in "De Paraplu".

De familie De Kerf begreep niet waarom hij en Medard niet naar Nederland waren gevlucht, desnoods door een put te graven onder de elektrische grensdraad. Daartoe hadden ze toch ruimschoots de tijd gehad. Maar Medard dacht waarschijnlijk dat er hem niets kon gebeuren, terwijl De Kerf gewoon de kracht niet meer had. Volgens Cesar Verhelst zaten De Kerf en Medard te Lokeren opge­sloten in afzonderlijke cellen, doch slechts gescheiden door een gangetje. Ze zouden zichzelf volledig hebben verraden toen ze - terwijl ze werden afgeluisterd - elkaar aanpraatten wat ze tij­dens de ondervraging al of niet mochten zeggen.

8. 24 november 1916 : Voor de krijgsraad

Op 24 november 1916 verschenen de 3 betichten voor de Duitse krijgsraad. Het proces vond plaats in de gemeenteraadszaal van het Lokerense stadhuis. (17) Er werden verscheidene getuigen verhoord. De beschuldigden, die met kettingen gebonden waren, werden verdedigd door de Lokerense advocaat Jozef van Winckel. (18)

Jammer genoeg is het dossier van het proces niet bewaard geble­ven. Dit had immers heel wat aan het licht kunnen brengen over de omstandigheden waarin de moord werd gepleegd, de personen die bij de smokkelaffaire betrokken waren en de daders verklikt hebben, enz..


Meester Jozef Van Winckel

Meester Jozef Van Winckel 


Het archief van de toenmalig fungerende Duitse krijgsraad wordt waarschijnlijk in diverse Duitse archiefdepots bewaard. Voor­zover die tenminste niet gedurende de Tweede Wereldoorlog werden platgebombardeerd. 

De kans is trouwens reëel dat de stukken betreffende de zaak Nyczak in Potsdam (nabij West-Berlijn) werden bewaard, en dit archief is in 1945 geheel in de vlammen opgegaan.

Op 25 november werd het vonnis geveld, zo blijkt uit een affiche van begin 1917 : de handelaar Medard Adriaenssens van Tielrode, 31 jaar oud, en de wever Jozef de Kerf van Temse, 24 jaar oud, werden ter dood veroordeeld ; de scheepsarbeider Edmond Adriaens­sens van Tielrode, 42 jaar oud, werd veroordeeld tot 3 jaar tuchthuisstraf. (19)

Dat vonnis werd een week later, begin december, officieel be­krachtigd.


 bekendmaking veroordeling

Bekendmaking van het vonnis


Vóór het vonnis werd voltrokken, zouden de beide ter dood veroor­deelden nog verscheidene weken opgesloten blijven, aan handen en voeten gebonden, in de Lokerense gevangenis. Vanuit zijn cel schreef Jozef de Kerf nog een 10-tal brieven aan zijn echtgenote, Irma van Remoortere. Maria de Kerf (°1912), Jozefs dochter, heeft deze brieven meermaals gelezen. Haar vader beschreef daar­in hoe hij aan handen en voeten gebonden lag, en er toch nog in slaagde op de muren van zijn cel te schrijven en te tekenen. Hij bezat een grote artistieke aanleg want ook zijn brieven wa­ren doorspekt met tekeningen waarin hij zijn betreurenswaardige situatie uitbeeldde.

Ook Madeleine de Kerf, de dochter van zijn oudste broer Nand, heeft die brieven eertijds gelezen. Haar nonkel was volgens haar geen praktiserend christen. Hij werd echter "bewerkt" door de aalmoezenier van de gevangenis en had een muur van zijn cel vol kruisen getekend. Op zijn knieën vóór die kruisen gezeten (zoals hij zichzelf afbeeldde in de brieven aan zijn vrouw) zwoer hij bij God en al zijn engelen dat hij onschuldig was en dat de Boeman, Medards nonkel, zijn verdiende straf niet zou ontlopen.

Toen Jozefs weduwe ca. 1959 voor de derde keer huwde, heeft ze jammer genoeg al deze brieven verbrand, evenals een haarlok die haar eerste man haar had toegestuurd en een kerkboek dat hij in de marges grotendeels had volgeschreven.

Toch is er één stuk proza van Jozef de Kerf bewaard gebleven.Het werd ons bezorgd door Suzanne van Britsom (Legen Heirweg 98b). Hoe het in haar bezit kwam is een heel verhaal.

Haar moeder, Martha Rotthier (1900-1961), woonde vóór haar huwelijk in de Groenstraat te Waasmunster. Ze had een 16-tal broers en zusters, waarvan verscheidene jong gestorven. In 1917 hadden haar ouders aan 2 ontsnapte Belgische krijgsgevangenen geduren­de enkele dagen onderdak verleend. Toen deze 2 opnieuw op krach­ten waren gekomen, zou hun knecht, "Medard Kadul", hen over de Nederlandse grens loodsen. Daartoe moesten ze evenwel, midden in de winter, ergens over een water zwemmen. Eén van de 2 vluchtenden werd onpasselijk en moest noodgedwongen terugzwem­men. Ook zijn maat keerde toen terug. Op dat ogenblik werden ze betrapt door Duitse soldaten en opnieuw gevangen genomen. Ook heel het gezin Rotthier werd toen opgepakt en opgesloten te Lokeren. Enkel Alfons (1902-1977), de jongste van de 17 kinde­ren, mocht thuisblijven omdat hij nog geen 16 jaar oud was.

Te Lokeren werden de gezinsleden allen in een afzonderlijke cel opgesloten. Het toeval wou dat Martha terechtkwam in de cel waar enige tijd voordien Jozef de Kerf verblijf had gehouden. Op de muur stond een heel verhaal geschreven.

Gelukkig had Martha de tegenwoordigheid van geest gehad om wat briefpapier mee te nemen (in de hoop dat zij wel eens een brief­je aan haar familie zou kunnen buitensmokkelen), zodat ze de ontboezemingen van De Kerf kon overschrijven. Het is dit stuk­je papier dat, via enkele omwegen, een 8-tal jaren geleden in handen kwam van haar dochter, Suzanne Van Britsom.

Ziehier wat Martha Rotthier in de cel van De Kerf op de muren te lezen vond

"Jozef de kerf van Temsche bijgenaamd den daft. Ik ben onplichtig tot der dood veroordeeld den 2 December 1916. Getrouwt met Emma Van Remoortere beiden 24 jaren en hebben 4 kinders 1 van 4 jaar en 1 van 1 jaar en een pas geboren tweeling terwijl ik in de gevangenis zat. dit is toch wel wreed zoo jong moeten sterven onplichtig en mijne vrouw Emma de sukelas en ik word betichd voor die moord van dien soldaat te Elversele ik heb er bij geweest maar Medar Adrianses heeft hem dood gestoken met zijn mes en daar bij hem nog den kop opengeslagen met zijn geweer en daarvoor moet ik ook sterven omdat ik mijne klak voor zijnen mond gehouden en zijn licht afgetrok­ken heb.

Maar God zal hem wel vinden. En den Boeman den nonkel van Medar die heeft maar 3 jaren gehad omdat die eerst gesproken heeft, en hij heeft het op mij gestoken dat ik hem dood geslagen, en dat hij niets gedaan heeft dat is goed afgewerkt voor hem maar hij doet mij onplichtig ster­ven maar den boeman zat op zijne beenen en heeft hem eene steek gege­ven met de boijenet in zijnen rug.

Eten heb ik genoeg in mijne laatste dagen zij hebben mij nog eens goed gevet heer dat zij mij slachten gelijk een varken alle dagen 29 sneden brood smorgens kreeg ik 7 sneden brood en eene kom koffie smidags eene kom soep en 8 schellen kop vleesch met brood Savonds 8 sneden brood met kop vleesch maar dat heeft maar 14 dagen geduurt en daarmee was het ook gedaan en vloeiën en luisen zooveel ik maar wil. Jozef De Kerf van Temsche gebonden aan handen en voeten dag en nacht ; ik loop hier rond gelijk een zwerveling."

De Kerf schreef deze tekst in december 1916 en toch leefde hij nog in de veronderstelling dat hij 4 kinderen had. Het is best mogelijk dat men hem niet had meegedeeld dat de op 16 november 1916 geboren tweeling nog dezelfde dag overleed. Doch ook zijn 2de kind, Joanna-Florencia, was reeds op 26 maart 1916 gestorven. Was De Kerf toen reeds zozeer van streek dat hij zijn kind nog in leven achtte?

 


Jozef de Kerf
Jozef De Kerf 


17) Begin februari 1975 begon men de gemeenteraadszaal van Lokeren te herschilderen. Boven het schilderij "De Boerenkrijg" van Leo Steel hing een vrij alledaags kruisbeeld. Ingevolge de schilderwerken werd het echter van de muur gehaald en ontdek­te men dat er zich aan de achterzijde een opening bevond die was afgesloten met een zinken plaatje. In de holte zat een vergeeld stukje papier verborgen met het officiële stadszegel van Lokeren erop en volgende tekst

"STAD LOKEREN

Het Gemeentebestuur der Stad Lokeren bevestigd (sic) dat dit kruisbeeld gehangen heeft aan den wand der zaal van het Duitsch krijgsgerecht geduren­de de bezetting van 1914 tot 1918, dat het ge­bruikt werd voor de eedaflegging der getuigen in crimineele zaken, en dat, onder andere, de getuigen er op gezworen hebben in de zaak der terdoodveroordeling van De Kerf en Adriaenssens van Elversele.

De Secretaris             De Burgemeester

(get.) Henri Klein.       (get.) A. Raemdonck."

(DE VOS, F., Een vergeelde herinnering aan de Eerste Wereldoorlog, in : De Souvereinen. Tijdschrift van de Heemkring van Lokeren, jg. 8 nr. 3 (Lokeren, juli 1977), pp. 85-86)

18) De Lokerense advocaat Jozef van Winckel werd geboren op 3 okto­ber 1882. Hij overleed op 5 mei 1972, bijna 90 jaar oud. Meester Van Winckel had een levendige belangstelling voor alles wat met heemkunde, oudheidkunde of folklore te maken had. Op 20 april 1969 was hij te Elversele nog te gast op de opening van de tentoonstelling van Heemkundige Kring Braem over de Eerste Wereldoorlog.

Literatuur : DE VOS, F., In Memoriam Mr Jozef van Winckel, in De Souvereinen. Tijdschrift van de Heemkring van Lokeren, jg. 3 nr. 3 (Lokeren, juni 1972), pp. 68-69.

19) Het verdere lot van "den Boeman" is ons niet bekend. Is hij wel­licht in Duitsland gebleven en daar overleden ?

17-12-07

De moord op Stanislaus Nyczak (hoofdstuk III 5+6+7)

 5. 24 oktober 1916 : Begrafenis van Stanislaus Nyczak

Terwijl de Duitsers alles in het werk stelden om de daders van de moord op het spoor te komen, werd het slachtoffer op 24 ok­tober te Lokeren op het kerkhof begraven.

De plechtigheid werd in detail beschreven in het dagboek van Maurice Laekeman (11)

"Op 24 Oct. werd den duitschen vermoorden soldaat ingsgelijk alhier, links van de 2 gesneuvelden begraven. Dit was een katholiek en werd (p. 36) met nog meer plecht begraven dan den verdronken soldaat. De lijkstoet bestond uit : harmonie,2e klas lijkwagen met lijk, waarvan de kist was versierd met de duitsche vlag en veel groen, twee paarden trokken de koets, dan volgden mannen van zijne compagnie, dragende een 17 tal kronen, dan den katholieken aalmoezenier, de kommandant en an­dere officieren der bezettende macht, verder een 200 tal soldaten die de stoet sloten. Aan het graf werd door den aalmoezenier de laatste gebeden gelezen en dan een lange lijkrede uitgesproken. Eene zangaf­deling der soldaten zong twee gezangen en de harmonie speelde doodmarschen. In één woord het was een plechtige begrafenis. Daarna toog men te­rug naar de stad onder het spelen der harmonie, die gelijk den Zondag te voren nog een concert gaf op het kiosk der Groote Markt."


 

begrafenis Stanislaus Nyczak


Enige tijd nadien werd te Elversele in het Klein-Broek, op de plaats van de moord, een zware, arduinen zerksteen opgericht. Sophie Laget herinnert zich nog precies wat daar ingebeiteld stond .

"Hier viel door moorderhand,

in trouwe plichtsvervulling der land

den landsturmman Stanislaus Nyczak."

(maar dan wel in het Duits en met vermelding van geboorte- en overlijdensdatum).

Volgens Georges Van Buynder (°1913) zou de vader van Nyczak nog naar die zerksteen komen kijken zijn. Het was op een zondagmor­gen enkele jaren na de oorlog, net toen ze met de duiven aan het spelen waren. Ze zagen een man steeds over en weer lopen op de Legen Heirweg. Hij was klein van gestalte, ietwat gedrongen, en droeg een bolhoed. Uiteindelijk vroeg hij hen waar de zerksteen van zijn zoon stond.

Later werd die steen door onbekenden stukgeslagen. De stukken zouden nog lange tijd op het kerkhof van Elversele hebben gele­gen, in de hoek bij het dodenhuisje.

6) 3 November 1916:Nog meer gijzelaars

Toen de Duitsers een 2-tal weken nadien nog geen stap verder waren gekomen, zochten zij hun toevlucht in drastischer metho­des.

Alle mannelijke inwoners van Elversele tussen 17 en 45 jaar dien­den op 3 november 1916 te verzamelen op het kerkplein en in de "dreef" (Hof ter Elstlaan). Wie ouder was dan 45 jaar, werd op­gesloten in de kerk om later op de dag opnieuw te worden vrijge­laten.

Van eerstgenoemden echter werden er zowat 130 gevangen geno­men (12) en, onder strenge begeleiding van Uhlanen (Duitsers te paard), te voet naar Lokeren geleid. Eén van hen was wijlen Emiel Teirbrood (1891-1985), die toen 25 jaar oud was. Hij her­innerde zich nog hoe ze te Lokeren op de Oude Brug werden opgesloten in de blekerij van de heer Ohrem. (13) Ze sliepen er in de magazijnen op stro dat Elverseelse boeren hadden aangevoerd. 's Morgens konden ze zich wassen in de spoel­vijvers van de blekerij.

Ene Désiré Laureys moest voor de gijzelaars koken. Felix van Raemdonck (1882-1973), bakker in de Dorpsstraat, reed iedere dag naar Lokeren met brood en melk. Dagelijks togen er ook Elverse­lenaren te voet naar ginder met een boterham of zo die ze thuis hadden kunnen uitsparen.

Iedere dag moesten de gijzelaars 2 uur in de voormiddag en 2 uur in de namiddag, dwangarbeid verrichten aan de Lokerse stadswegen of in het station.

Wie evenwel de Duitsers bruikbare inlichtingen kon bezorgen, werd in vrijheid gesteld. Op die manier zijn de Duitsers heel wat te weten gekomen over smokkelpraktijken in het grensgebied. Ook Camiel D'Haen werd op die manier verklikt. Samen met zijn dochter Margriet (1897-1972), werd hij opgesloten te Lokeren en pas weer vrijgelaten nadat hij bekend had graan te hebben verkocht aan De Kerf en Adriaenssens.

Op 17 november was het onderzoek naar de moord zover gevorderd dat de resterende gijzelaars in vrijheid werden gesteld. Enkele weken later zoude gemeente Elversele een briefje krijgen

van de burgemeester van Lokeren waarin "hoffelijk" verzocht werd de verblijfskosten van haar inwoners te willen vergoeden

"ik heb de eer Ued. te doen geworden eene rekening, ten bedrage van Frs. 4-25, wegens verblyfkosten der gegyzelde inwoners uwer gemeen­te. Zeer hoffelyk verzoek ik Ued. voor de vereffening van deze reke­ning te willen zorgen.

Aanvaardt, Geachte Heeren, de verzekering myner beste gevoelens."

(brief van 2.12.1916) (14)

Een maand later, op 05.01.1917, stuurde de burgemeester van Lo­keren een herinneringsschrijven waarin hij bovendien aandrong op de vereffening van gemaakte onderhoudskosten

"Veroorloof mg Ued. te herinneren dat uw Bestuur nog eene som van

Frs. 24-50 verschuldigd is aan Stadsmagazyn, Zelestraat, alhier, we­gens onderhoudskosten der inwoners uwer gemeente, die hier tydelijk werden opgesloten. (...) (15)

7. 17 november 1916 : De daders gearresteerd ­

Zoals gezegd werden de ca. 130 Elverseelse gijzelaars op 17 no­vember vrijgelaten. Men was er immers in geslaagd de daders te vatten.

Wie hen verklikt heeft, is niet duidelijk. Uit het feit dat Camiel D'Haen verscheidene dagen gevangen heeft gezeten, mag wellicht worden afgeleid dat iemand zijn transacties met Adri­aenssens en De Kerf heeft bekend gemaakt bij de Duitsers. Er worden in dit verband verscheidene namen genoemd, maar de kies­heid verbiedt ons om die openbaar te maken.

Vanaf dat ogenblik is alles waarschijnlijk in een stroomversnel­ling terechtgekomen : wij vermoeden dat "den Boeman", Edmond Adriaenssens, tijdens een dagelijkse controle in café Schutters­hof te Tielrode als eerste de feiten bekend heeft en meteen alle schuld op zijn 2 kornuiten geschoven. Dat zou verklaren waarom hij er met 3 jaar opsluiting vanaf kwam, terwijl Medard en De Kerf ter dood werden veroordeeld. Of viel Medard Adriaenssens zelf door de mand toen bleek dat hij een verwonding had tussen duim en wijsvinger, die afkomstig was van een bajonetsnede (of­schoon hij zelf beweerde dat ze te wijten was aan het stroppen van een haas) ? Dezelfde dag nog werd Medard Adriaenssens in café Schuttershof gearresteerd en met een kar overgebracht naar Lokeren, waar hij werd opgesloten "in de Paraplu". (16)

Enkele Uhlanen reden toen onmiddellijk naar Temse om er Jozef De Kerf te arresteren. Deze was sedert de moord nooit meer de­zelfde geweest. Hij werd gekweld door gewetenswroeging en was voortdurend in gedachten verzonken.

Madeleine De Kerf (°1906), dochter van zijn broer Ferdinand, herinnert zich hoe ze eens het haar van haar grootmoeder, Jozefs moeder, inlegde toen deze de moord te Elversele ter sprake bracht. Jozef, die zich toen ook in huis bevond, gaf echter geen krimp.

 


plaats van de moord

 11) Maurice Laekeman, 25 jaar oud toen de oorlog uitbrak, was een zoon van de toenmalige grafmaker van Lokeren en had al­dus toegang tot heel wat plaatsen en gebeurtenissen waar an­deren niet mochten komen. Zo kwam hij b.v. bijna dagelijks op het stadhuis van Lokeren waar hij heel wat informatie uit de eerste hand kon verkrijgen. Hij hield alles minu­tieus bij in een dagboek dat een treffend beeld geeft van 4 jaar bezetting.

Het aangehaalde citaat komt uit : DE VOS, F., Het oorlogs­dagboek van Maurice Laekeman. Lokeren tijdens de eerste wereldoorlog, in : De Souvereinen. Tijdschrift van de Heem­kring van Lokeren, jg. 8 nr. 2 (Lokeren, april 1977), pp. 35-36.

12) Blijkens een brief van het gemeentebestuur van Elverseled.d. 1.10.1919 aan een of ander ministerie (Gemeentearchief Temse, nr. 547 Gemeente Elversele. Oorlog en zijn gevolgen 1914-1918. Doos 2, bundel nr. 2 : Opgeëiste burgers).

13) Een gedeelte van de voormalige blekerij bestaat nog steeds, nabij het huidige slachthuis, op de Oude Brug.

14) Gemeentearchief Temse, nr. 205.1.: Gemeente Elversele. Briefwisseling 1916-1917.

15) Gemeentearchief Temse, nr. 205.1.: Gemeente Elversele. Briefwisseling 1916-1917.

16)  De gevangenis van de Duitsers te Lokeren was ondergebracht in de paraplufabriek van de heer E.Swens in de Roomstraat (nabij de Markt). Een paraplu deed er dienst als uithang­bord, vandaar de populaire uitdrukking "Hij zit in de para­plu" of "Hij zit onder de paraplu".

De Lokerense gevangenis was aanvankelijk eigenlijk onder­gebracht in de bovenzalen van het nieuwe postgebouw. Vrij spoedig echter verhuisde men naar de paraplufabriek van de heer Swens.

Nog later, toen het paraplufabriekje te klein werd, drong zich de noodzaak op van een tweede gevangenis. Die vond een onderkomen in een statige woning op de Grote Kaai. Gedurende heel die periode werd ook van de stedelijke ge­vangenis verder druk gebruik gemaakt.

16-12-07

De moord op Stanislaus Nyczak (hoofdstuk III 3+4)

Wat verder botsten ze echter op de Duitse schildwacht Stanislaus Nyczak die hen tegenhield en naar hun papieren vroeg. Kwam Nyczak daar toevallig voorbij nadat hij de post had afgege­ven bij de wachtpost aan de Durmebrug ? Of had hij uitdrukke­lijk opdracht gekregen om te patrouilleren, nadat de Duitsers er lucht van hadden gekregen dat er in het Elverseels Klein-­Broek regelmatig smokkelaars op pad waren ? (6)

Feit is dat Nyczak, allicht met zijn geweer in de aanslag, de 3 mannen begeleidde naar hun bootje op de Durme waar ze hun papie­ren hadden achtergelaten. Dat zouden ze de lichtgelovige Duit­ser althans hebben wijsgemaakt.

Aan de Biergracht gekomen, ter hoogte van café De Halve Maan (doch een paar honderd meter zuidelijker), heeft Medard wellicht van een onoplettendheid van Nyczak gebruik gemaakt om deze te over­vallen en zijn wapen afhandig te maken. Terwijl "den Boeman", Medards nonkel, de Duitser bij zijn benen in bedwang hield, heeft Medard hem dan doodgestoken met zijn mes en het hoofd ver­brijzeld met zijn eigen geweer. Jozef de Kerf had, volgens ei­gen geschreven verklaring, enkel Nyczaks licht afhandig gemaakt en zijn klak voor de mond van de Duitser gehouden om diens ge­roep te dempen.

Toen Cesar Verhelst (°1900) en een 7-tal dorpsgenoten rond half 8 's avonds terugkwamen van de tekenschool in Hamme, werden ze ter hoogte van "den boer van den Bleek" (waar nu het slachthuis is) staande gehouden door een Duitse Feldwebel. Nadat deze. hun reis­passen had gecontroleerd, mochten ze verder gaan. Waarschijn­lijk was Nyczak toen al vermist en waren de Duitsers naar hem op zoek. Pas de volgende morgen echter zou men zijn lijk ont­dekken.

3. 21 oktober 1916 : Ontdekking van het lijk

Wie ontdekte als eerste de vermoorde Duitser ? En wie bracht de ontdekking als eerste aan het licht ? Uit diverse interviews hebben wij kunnen opmaken dat het hier niet over dezelfde per­so(o)n(en) gaat.

Alfons van Buynder (1880-1948), vader van Georges, ging vroeg in de morgen, alvorens zijn dagtaak in brouwerij Vermeire aan te vatten, bladeren rijven naar het "bosken" in het Klein-Broek. Hij zag de Duitser liggen met zijn gezicht in de gracht en ver­wittigde "Ciske de Metser" (7), de vader van Louis de Smet, die in de onmiddellijke nabijheid woonde (waar nu Vincent Vermeire woont, Legen Heirweg 50). Ciske keerde de Duitser op zijn zij en zag hoe lelijk deze was toegetakeld. Hij vreesde echter re­presailles en ried Alfons van Buynder aan er met geen woord over te reppen.

Even later passeerde Josephine Vermeire (1891-1972) daar, echt­genote van Jozef Gobel (1886-1971). Deze echtelingen woonden toen nog op de hoek van de Legen Heirweg en de Burggravestraat (nu café Bierwinkel) en bebouwden een, lapje grond in het Klein­-Broek dat toebehoorde aan Louis Naudts, vader van schepen Emiel Naudts.

Ook Charles Berckmoes (1876-1973), vader van Theophiel, huurde daar een akkertje. Hij woonde waar nu Roger Thierens woont (Legen Heirweg 24) en werd nadien opgepakt door de Duitsers die meenden dat de smokkelaars van bij hem kwamen.

Josephine Vermeire, die op weg was om wat groenten te halen, zag op haar beurt de vermoorde Duitser liggen en riep er Jan ("Wan­nus") Fonteyn bij die op een nabijgelegen akker aan het werk was. Deze besloot de ontdekking te melden "bij Frettes", waar het hoofdkwartier van de Duitsers gevestigd was. Het nieuws ging toen als een lopend vuurtje rond en heel wat nieuwsgierigen gin­gen het lijk bekijken nog vóór de Duitsers er arriveerden. Eén van hen was Marie ("Mieken") Lefebure (°1902). De Duitser lag volgens haar op zijn rechterzijde over de gracht, met zijn hoofd tegen de aangrenzende akker en zijn benen in het wegeltje (zo was hij dus waarschijnlijk achtergelaten door Ciske de Met­ser, die hem uit de gracht had getrokken).

Ook Sophie ("Fieken") Laget (°1901) heeft geruime tijd op het lijk staan kijken en kan zich nog haarfijn bepaalde details her­inneren : zijn borst was volledig doorkerfd, zijn hoofd door­stoken zodat de hersenen eruit puilden. Zijn polsen waren overgesneden. Zijn bajonet lag in 3 stukken, zijn geweer was door­midden gebroken.

Dezelfde voormiddag nog gingen de Duitsers met het onderzoek van start. De eersten die op het gemeentehuis ondervraagd wer­den waren de 8 jonge mannen die de avond tevoren van de teken­school in Hamme waren gekomen.

Naast Cesar Verhelst waren dat Henri Bocklandt, Camiel en Henri de Caluwé, Frans en Jozef Claeyé en nog 2 Sombekenaars (Remi Goossens en Alois van Raemdonck). Cesar Verhelst vertelt hoe ze, één voor één, door luitenant Schmidt op de rooster werden gelegd. Toen bleek dat geen van hen iets wist, werden ze allen weer vrijgelaten. Een reispas voor Hamme zouden ze echter niet meer krijgen, zodat het voor de meesten van hen het einde bete­kende van de tekenschool.

‘s Namiddags kwamen de weerbare mannen aan de beurt. Allen moesten naar het centrum komen. Wie enige verwonding had aan de handen, werd in het gemeentehuis ondervraagd. Dat was o.m. het geval voor Edmond Verbeke (1889-1969) en Jan de Grave (1872-­1928). Toen ook zij onschuldig bleken, mochten ze weer naar huis.


 gevangenis Lokeren

 


4. 22 oktober 1916 : Speurtocht naar de daders

De Duitsers stelden uiteraard alles in het werk om de daders van deze koelbloedige moord te achterhalen. Er kwamen zelfs speurhonden aan te pas die steeds opnieuw het spoor bijster raakten aan de oever van de Durme.

Sommigen beweren dat deze Duitse speurhonden in Tielrode opnieuw het spoor konden oppikken en aldus de bebloede, achtergelaten, kleren van Medard ontdekten. Dat lijkt ons evenwel weinig waar­schijnlijk.

Voorlopig bleven de daders onvindbaar en de Duitsers lanceerden reeds op 22 oktober 1916 een aanplakbiljet waarin 500 fr. werd beloofd aan wie hen op het spoor van de moordenaars kon zetten.

De gemeente Elversele werd bestraft met opschorting van passen en briefwisseling ; de politie-uur werd vastgesteld op 8 uur 's avonds (daarna mocht niemand nog buiten) (8) en alle herber­gen werden voor onbepaalde tijd gesloten. (9) Bovendien werden 3 inwoners als gijzelaars aangehouden. Vol­gens Maria Vincke, echtgenote van Jozef De Wree (Hogenakker­straat 25), betrof het hier o.m. haar vader Leon Vincke (1883­1974), de latere burgemeester van Elversele, en Vital Volckerick (1866-?), toenmalig gemeenteraadslid.

Ook burgemeester Wauman werd onmiddellijk na de feiten onder­vraagd en met opsluiting bedreigd ingeval het niet dadelijk zou uitkomen. Onze burgemeester was toen helemaal van slag en toen luitenant Schmidt woedend uitriep "Ik zal die apen allemaal naar hier halen", verstond hij "Gij zult mij karren met rapen naar hier halen". Hij liet toen terstond de veldwachter naar de Stokthoek en de Bovenhoek rijden, zodat even later er al on­middellijk een 3-tal boeren met een kar rapen kwamen aangereden. Dat maakte Schmidt nog razender.

De volgende dag, 23 oktober 1916, liet Etappecommandant Von dem Knesebeck een nieuw aanplakbiljet circuleren. De Duitsers wis­ten toen al dat ze de daders dienden te zoeken onder smokkelaars die rond 20 oktober rogge hadden opgekocht in Elversele of Sombeke. Opnieuw werd een beloning van 500 fr. uitgeloofd aan wie bruikbare inlichtingen kon geven. (10)

De Duitsers zouden het daar trouwens niet bij laten. Nog steeds grepen er controles plaats op eventuele verwondingen. Ook te Tielrode gebeurde dat, en wel in café Schuttershof (op de hoek van de Gentstraat en de Hofstraat), toen uitgebaat door Petrus ("Pier") Vaerendonck en Celestine Verbiest. Het huis wordt nu nog bewoond door hun zoon, Jozef Vaerendonck (°1905), Gent­straat 88. Jozef beweert dat het bij hem thuis was dat Medard enkele weken later werd aangehouden om op een kar naar Lokeren te worden gevoerd.

Twee hoofdverdachten in de beginfase van het onderzoek waren Arthur Verbeke (1892-1970), beter gekend als "de witten Tuur", en Arthur van Puymbroeck. Laatstgenoemde was een Hammenaar die in de Moortelstraat woonde.

Vermits beiden al eens eerder waren opgepakt voor smokkelprak­tijken, werden ze opnieuw aan de tand gevoeld. De "witten Tuur" zou zich bovendien gekwetst hebben aan de hand bij het kappen van hout. Ze werden ondervraagd in de stal van café De Halve Maan. Dat dat niet erg zachtaardig gebeurde, kon Arthur Verbeke getuigen. Toen hij later op het Hollands Hof woonde (in de Dorpsstraat, net vóór de huidige wijk Ganstienden), vertelde hij o.m. aan Theophiel Poppe en Henri Peersman dat hij en Arthur Van Puymbroeck ieder door 6 Duitsers werden aangepakt en grauw en blauw geslagen. De omwonenden hadden hen huizenver horen huilen.

Volgens sommige geinterviewden was het niet Arthur Van Puymbroeck maar "Smetjen" (Petrus-Augustinus Smet, 1864-1924), tweede echt­genoot van "Emma Loter" (Maria-Emma Engels, 1868-?). Volgens Cesar Verhelst waren er in de beginfase trouwens wel nog meer verdachten die door de Duitsers hardhandig werden onder­vraagd.


6)  Cesar Verhelst (°1900) meent dat Nyczak zich even tevoren had laten scheren bij Edward Hoens (1899-1963), die toen nog inwoonde bij zijn ouders, Petrus Hoens en Margriet van Walle, in café De Bierboom (op de hoek van de Meersstraat). Toen Nyczak terugkeerde naar de brouwerij van Alfred Ver­meire -waar hij volgens Cesar logeerde- zou hij de smokke­laars betrapt hebben en met hen zijn meegegaan.

7) Bernardus-Franciscus de Smet (1856-1934), beter gekend als Ciske de Metser, gehuwd met Leonie de Keyzer (1856-1921).

8) Ook in "gewone" omstandigheden was er tijdens de Eerste Wereldoorlog een politie-uur van kracht, na hetwelk men zich niet meer op straat mocht vertonen. In de zomer was dat vanaf 22 uur, in de winter vanaf 21 uur

9) De tekst van dit aanplakbiljet, dat op 22 oktober 1916 te Lokeren werd gedrukt, luidt als volgt

"In den nacht van 20. tot 21.10.1916 werd op het grondgebied der gemeente Elversele een duitsche soldaat door belgische burgers vermoord.Ik heb drie inwoners van deze gemeente als gijzelaars doen aanhouden en ik zal ze volgens krijgsrecht behandelen, indien de geringste kwaadwilligheid bemerkt wordt.

In Elversele worden alle herbergen ge­sloten, de politie-uur wordt op 8 uren `s avonds vastgesteld, pas- en postopschorsing wordt over de gemeente uitgesproken.

Degene, die den dader zoo kan aanwijzen, dat hem de daad kan bewezen worden zal eene belooning van fr. 500 ontvangen.

Von dem Knesebeck, Oberstleutnant und Etappenkommandant."

(Koninklijke Oudheidkundige Kring van het Land van Waas verzameling Aanplakbiljetten Wereldoorlog I, indexnummer 1916/187)

10) De tekst van dit nieuwe aanplakbiljet luidt als volgt

"Als daders van den, in den nacht van 20 tot 21 oktober gepleegden moord op een Landsturm­man, worden verschillende smokkelaars ver­dacht, die in Elversele of Sombeke of in de nabuurschap dezer gemeenten, den 20 okt.1916 of kort daarvoor, Rogge opgekocht hebben. Alle personen die in deze dagen in de aange­gevene gemeenten Rogge verkocht hebben of van zulkdanige verkoopen kennis hebben, moeten dat zonder uitstel bij hunne Gemeenteoverheid aangeven.

In zoover zij zich zelven, door den verkoop van Rogge, aan het deelnemen van smokkelen schuldig gemaakt hebben, verzeker ik hun straffeloosheid, en doe daarbij nog uitdrukke­lijk opmerken, dat degene die den dader zóó aangeeft dat hij rechterlijk vervolgd kan wor­den, eene belooning van 500 fr. bekomt.

Lokeren, den 23 Oktober 1916.

De Gerichtsheer, von dem Knesebeck, Oberstleutnant en Kommandant."

(Koninklijke Oudheidkundige Kring van het Land van Waas verzameling Aanplakbiljetten Wereldoorlog I, indexnummer 1916/188)

Romdenne Alice


Met dank aan André Declerq uit Hamme voor de foto'sromdenne alice
romdenne alice.1

15-12-07

De moord op Stanislaus Nyczak (hoofdstuk III 1+2)

 

III. DE MOORD OP STANISLAUS NYCZAK

1. Even voorstellen : Medard Adriaenssens en Jozef de Kerf
­
Medard Adriaenssens,"Medard van den Dhaene", werd te Tielrode
in het "Kattestraatje" (officieel Kaaistraat) geboren op 31 juli
1885 als derde van de 17 kinderen van August Adriaenssens
(°Tielrode 11.08.1863), metser van beroep, en Emelina Adriaens­-
sens (°Tielrode 06.04.1863).

Hij had 7 broers en 9 zusters,waarvan er evenwel verscheidene jong zijn gestorven:

Gustaaf (016.01.1883), Maria-Juliana (°26.03.1884),

Anna-Wivina (°07.04.1887), Maria-Celestina °25.06.1888),

Maria-Cleopha (°29.07.1889), Juliaan-Franciscus (°07.09.1890),

Albert (°02.10.1891), Richard (°14.12.1892),

Maria-Josepha (°26.07.1894), Hendrica-Maria (°25.08.1895),

Theophiel-Alfons (°15.09.1896), Adolf (°25.11.1897),

Alfons-Gerard (°07.08.1901), Hendrika-Maria (°01.03.1903),

Josephina-Leonia (°09.03.1905), Esther-Ludovica (°23.06.1906).

Wie wat wiskundig aangelegd is, heeft spoedig uitgekiend dat moeder Emeline van haar 19 tot haar 43 jaar bijna onafgebroken in gezegende toestand verkeerde. Van dat indrukwekkende kroost is momenteel enkel nog Hendrika-Maria (°01.03.1903) in leven. Zij is bij oudere Elverselenáren wellicht beter gekend als "Arjètjen", de vroegere dienstmeid van pastoor Robert de Pauw (die pastoor was te Elversele van 1963 tot 1967).

Medard ging, net als verscheidene van zijn broers, in de stiel bij zijn vader en werd metserdiender. Hij zag voor zichzelf evenwel een andere toekomst weggelegd en stapte over naar de poeliersbranche. 

Met kar en paardje reed hij heel de streek af om konijnen, kip­pen, e.d.m. op te kopen en, geslacht, weer aan de man te brengen. Vaak werd hij op die tochten vergezeld door zijn broer Alfons.

Medard kwam als poelier soms terecht bij Ferdinand ("Nand") de Kerf (2), Jozef de Kerfs oudere broer, die te Temse op de "Bees­tenhoek" woonde. Medard kwam daar trouwens vaak op herbergbe­zoek en zou er verkering hebben gehad met de herbergiersdochter Anna Roosens.

Alle geïnterviewden die Medard "van den Dhaene", al dan niet persoonlijk, hebben gekend zijn het erover eens dat hij van geen kleintje vervaard was en voor niemand uit de weg ging. Sommigen beweren dat hij steeds gewapend was met een stevige knuppel waar nagels doorheen waren geslagen. Hij zou een buitenbeentje zijn geweest in de familie Adriaenssens die voor het overige een goe­de reputatie genoot en bekend stond om haar onbesproken levens­wandel.

Medard was bovendien een onverschrokken smokkelaar en was als zodanig vaak bedrijvig langsheen de Durmeoevers, in het gevaar­lijke grensgebied tussen Elversele (Etappegebied) en Tielrode (Generaal Gouvernement). Dat hij uiteindelijk toch eens tegen de lamp zou lopen, daarvan was hij zich zelf maar al te zeer be­wust. Dat zou hij trouwens nog uitdrukkelijk gezegd hebben te­gen o.m. de gezusters Margriet en Martha de Wree, beter gekend als Margriet en Martha "van de Prost". Zij waren de oudste dochters van Filip de Wree en Anna de Coster en woonden op het boerenerf waar nu nog August Rooms en zijn echtgenote wonen (Legen Heirweg 85). Medard kwam er regelmatig op bezoek, al dan niet vergezeld van zijn nonkel Edmond, een jongere broer van zijn moeder, beter gekend als "den Boeman".

Deze Edmond Adriaenssens, scheepsarbeider van beroep, werd te Tielrode geboren op 14 januari 1874, en was dus 11 jaar ouder dan Medard. Op 27 mei 1896 trad hij in het huwelijk met de fa­briekswerkster Maria-Pelagia van Gendt (°Tielrode 28.01.1875). Uit dit huwelijk werden een 8-tal kinderen geboren:

Josepha (°16.01.1897)

Martha-Maria (°03.10.1898)

Kamiel-Joseph (°22.10.1899)

Felix-Frans (°29.01.1902)

Albert-Stefaan (°07.04.1903)

Pieter-Paul (°10.07.1904)

Pauline-Victorine (°06.10.1905)

Camilla-Josephine (°22.12.1906)

Jozef de Kerf, "Jef van den Daf", werd op 18 december 1892 gebo­ren te Temse op de "Beestenhoek" (de huidige Vrijheidsstraat) als zesde kind van David ("Daf") de Kerf (°Temse 30.05.1857), gelaagwerker, en Elisa de Meireleir (°Sint-Niklaas 08.03.1862). Hij had 7 broers en 4 zusters, waarvan er ook weer verscheidene op jeugdige leeftijd overleden:

Ferdinand (°23.12.1886) ("Nand")

Maria-Celestine (°04.12.1887) ("Lestien")

Maria-Philomene (°13.04.1889)

Jozef (°21.10.1890, doch reeds overleden op 28.05.1891 zodat er later een tweede Jozef volgde)

Magdalena-Leonie (°27.12.1891)

Frans (°15.10.1894)

Theodoor-Frans (°17.06.1896) ("Door")

Jozef Amedé (°14.09.1897)

Frans (°19.09.1898)

Kamiel (°19.11.1900) ("Miel")

Esther-Lucia (°12.12.1902). Esther overleed enke­le jaren geleden als laatste van het gezin. Zij zou een beeld­schone vrouw zijn geweest en trok in de jaren 20 met fotograaf Verbiest van Temse naar Parijs waar zij poseerde voor liefdes­postkaarten, die toen bijzonder in zwang waren.

Jozef de Kerf, wever van beroep, trad op 16 december 1914 (toen de Eerste Wereldoorlog reeds volop aan de gang was) in het huwe­lijk met de fabriekswerkster Irma van Remoortere (°Temse 01.05.1893).

Ruim 2 jaar voor hun huwelijk, op 19 oktober 1912, werd hun dochter Maria-Leonie geboren, die momenteel te Waasmunster woont (Nijverheidslaan 32). Zij herinnert zich nog heel goed haar ge­boortehuis op de Beestenhoek.

Deze Beestenhoek (de huidige Vrijheidsstraat, van waaruit men nu, over de viaduct heen, de Krijgsbaan bereikt) liep vroeger naar het "Hollanders Gelaag" (in de Veldstraat, net buiten het dorp zo genoemd naar Jozef D'Hollander die er in 1797 een steengelaag uitbaatte). Aan de overzijde van de August Wautersstraat lag het "Veldstraatje" (de huidige Scheldestraat, die naar de Markt van Temse leidt).

Eertijds bevond zich op de Beestenhoek het oude Volkshuis. Daar tegenover lag een hofje met 2 huizen : in het achterste woonden Maria's grootouders, David de Kerf en Elisa De Meireleir ; in het voorste, een herberg, woonde haar peter, Nand de Kerf (haar vaders oudste broer). Bij hem woonde Jozef de Kerf in met vrouw en kind. Afgezien van Maria-Leonia zou hij nog 3 dochters krij­gen, doch die zijn allen jong gestorven:

Joanna-Florencia (°08.11.1915 - + 26.03.1916,4/ maand oud)

Elisa (°16.11.1916 om 11 uur - + 16.11.1916 om 17 uur, 6 uur oud)

Maria-Ludovica (°16.11.1916 om 12u.30 - + 16.11.1916 om 23 uur, 10/ uur oud)

De tweeling die op 16 november 1916 werd geboren en weer over­leed, heeft Jozef nooit gezien vermits hij toen reeds opgesloten zat te Lokeren. De aangifte van de geboortes werd, bij ont­stentenis van de vader, door de vroedvrouw verricht

"Het jaar negentien honderd zestien, den zestienden November ten vier ure namiddag, voor ons Jan Van Bogaert Schepen aangestelden ambtenaar van den burgerlijken stand van de gemeente Temsche is verschenen : alsheb­bende de verlossing bijgestaan, de vader gevangen zijnde : Cesarina Martens, vroedvrouw, oud 29 jaar : (...)."

2. 20-oktober-1916 : De-moord-en-wat-eraan-voorafging

Zoals gezegd kwam Medard vaak op de Beestenhoek te Temse waar hij verkering had met Anna Roosens en waar hij als poelier regel­matig konijnen, kippen, jonge duifjes, e.d. ging opkopen bij Nand de Kerf.

Aldus leerde hij ook Nands jongere broer Jozef kennen. Hij slaagde erin deze te overreden om al eens mee op smokkeltocht te gaan naar Elversele.

Jozefs vrouw, Irma van Remoortere, had weinig vertrouwen in de figuur van Medard en waarschuwde haar man herhaalde keren dat hij op die manier in slechte papieren zou geraken. Jozef had daar evenwel geen oren naar en op 20 oktober 1916 spraken ze af om het nogmaals te wagen. Ze zouden bij het invallen van de duisternis om rogge gaan bij Camiel D'Haen en Marie Engels ("Marie Kassei") te Elversele.(3)

Deze echtelingen woonden de hoek van Hof ter Elstlaan en Vestwegel (waar laatst Frans Kocker en Ivonne de Block hebben gewoond ; in de vroege jaren 70 afgebroken). Medards nonkel, Edmond Adriaenssens, zou hen ver­gezellen. (4)

Op grond van diverse getuigenissen menen we hun tocht als volgt te mogen reconstrueren : (zie plannetje op volgende bladzijde)

Ergens te Tielrode, misschien wel aan het veer, gingen de 3 smokkelaars met hun bootje te water op de Durme. Langsheen de Luizenbos (het eiland in de Durme dat ca. 1935 verdween) peddel­den ze naar Elversele waar ze aanmeerden in het Klein-Broek. Voorzien van een kruiwagen gingen ze toen verder. Ze kwamen zo voorbij de plaats waar in latere jaren de vuilnisbelt lag en volgden dan het nu verdwenen wegeltje - evenwijdig met de Heirweg - dat hen in de Merenwegel bracht. Daar ging het naar rechts en opnieuw naar links in het eveneens verdwenen wegeltje dat, langsheen de houtkaai van De Vos, de Merenwegel met de Pontweg verbond. De Pontweg staken ze over zodat ze zich onmid­dellijk in de wegel bevonden die van de kapel naar het Hof ter Elst leidt. Van daar was het nog maar enkele stappen tot bij Camiel D'Haen en Marie "Kassei".

De rogge werd betaald en op de kruiwagen geladen, en onmiddel­lijk daarna vatten de 3 mannen langs dezelfde weg de terugtocht aan. Dat ze gehaast waren kon wijlen Jozef Vermeire (5) beves­tigen. Hij woonde toen tijdelijk in bij zijn schoonouders, pol­derwachter Constant de Loose en diens vrouw Joanna Baeck, in de Dorpsstraat. 


plan pag20

  

1= aanlegplaats in het Klein-Broek

2= Camiel D'Haen x Marie Engels

3= plaats van de moord

4= plaats van executie


Op die bewuste avond van 20 oktober 1916 ging hij, via de Duiven­hoek, om pekelharing bij Charles van Bossche en Amelie "de Pa­ling". Dezen woonden op de Pontweg in het tweede huis voorbij de kapelwegel. Toen Jozef Vermeire ter hoogte van de wegel kwam, botste hij op 3 mannen met een kruiwagen waarop een zak lag. Eén van hen riep : "Uit de weg, of we rijden u de benen af." Ze liepen de Pontweg over en verdwenen in de wegel langsheen de houtkaai van De Vos.
kwartier Duitse grenswachters 1917



2) Ferdinand De Kerf werd geboren te Temse op 23 december 1886. Tijdens Wereldoorlog I zat hij aan het front, zodat hij niet thuis was toen de feiten met zijn broer zich voordeden. Toen in 1940 de Tweede Wereldoorlog uitbrak-hij was toen al 54 jaar-vervoegde hij de Burgerbrigade in Zwijndrecht. Op 17 mei 1940 moest hij met 3 makkers voor een gevaarvolle opdracht naar Adinkerke. Hij nam toen met bange voorgevoelens afscheid van zijn gezin. Omdat hij vreesde dat de trein naar de kust zou worden gebombardeerd, stelde hij voor met de fiets te rijden. Ze waren nog maar op Bergendries te Lokeren toen hij, omstreeks 13 uur, bij een bombardement het leven verloor.

3) Camiel D'Haen (1865-1926) huwde in 1895 met Marie Thérèse Engels (1864-1939).

4) Volgens wijlen Florent Van Raemdonck, voormalig directeur van de gemeenteschool te Tielrode, was er nog een vierde smokkelaar bij de zaak betrokken: ene Pauwels van Temse. We hebben daar evenwel nergens anders enige bevestiging voor gevonden. Van Raemdonck meent voorts ook dat de smokkelaars slaags geraakt zijn met een hele patrouille Duitsers, en dus niet met Nyczak alleen.
Dat lijkt ons nog veel onwaarschijnlijker vermits-zelfs indien de smokkelaars op dat ogenblik hadden kunnen ontsnappen-de Duitsers binnen de kortste keren de daders zouden hebben opgespoord en aangehouden.(Raemdonck, F. Van, Kroniek van Tielrode, dl.I.Tielrode, 1972. pp. BI-3/4). 

5)Jozef Vermeire (1885-1970), gehuwd met Adelphine Vincke (1885-1933), was aanvankelijk een binnenschipper. Bij het uitbreken van de oorlog diende hij zijn boot achter te laten in Dendermonde. Hij trok met vrouw en kinderen in bij zijn schoonouders in de Dorpsstraat te Elversele. Na de oorlog, in 1919, volgde hij zijn vader "Cent van Over" op als veerman van het Sint-Rochusveer te Sombeke. 

14-12-07

De Bie Rudolf Joannes Josephina

Geboren op donderdag 23 april 1885 te Boom (sergeant BV 1903 foerier/2de karabiniers 4/2), woonachtig te Aarschot, Beguinhofstraat 4 en te Mechelen, Herreynstraat, overleden op donderdag 24 februari 1916 te Kensington(GB) aan de gevolgen van meningitis of een hersentumor, begraven te Kensal Green(Londen) graf nr.12219. Hij werd later begraven in een gemeenschappelijke graf op dezelfde begraafplaats. Rudolf staat niet op het monument der gesneuvelden van Boom vermeld. Vervoegde het leger in: 1903; gereformeerd te Antwerpen op 16 september 1914.

Rudolf was de zoon van spoorwegbediende Joannes Franciscus(°Geel 24 mei 1856) en Maria Isabella Charlotte Cesters (°Boom 31 augustus 1857). Zij huwden te Boom op 2 september 1882 en woonden er op de Antwerpsesteenweg nr.68.


monument de bie


 Hij staat op het monument van Kensal Green vermeld als De Bie Rodolphe



monument Kensal Green

De Rooms-katholieke begraafplaats St.Mary werd in 1858 opgericht en grenst aan de begraafplaats van Kensal Green. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden er vooral Belgische militairen begraven. Op de begraafplaats is een monument opgericht ter nagedachtenis van de gesneuvelde Belgische militairen.  
 

Op het monument staat onderstaande tekst te lezen:

"Hier rusten Belgische soldaten die nadat zij in den strijd voor 's lands onafhankelijkheid werden gekwetst in Engeland werden opgenomen en in dit gastvrij land stierven.
God schenk hun den eeuwige rust. Belgie beware trouw hun aandenken"


         

Het monument bevat de namen van 77 Belgische militairen

BASTIAENEN HENRI

+15 NOVEMBER 1915

BILIAU ALBERT

+ OKTOBER 1914

BINAER FRANCOIS

+25 NOVEMBER 1914

BOGAERS AUGUSTE

+30 OKTOBER 1914

BOLSIUS JACQUES

+18 FEBRUARI 1919

BRAUN ALBERT

+17 JULI 1918

CLAESSENS FRANCOIS

+17 NOVEMBER 1914

CLAREBOUT HENRI

+12 MEI 1919

CLAUS FRANCOIS

+15 NOVEMBER 1914

COLEBUNDERS PIERRE

+18 JULI 1915

CORMAN FREDERIC

+3 DECEMBER 1918

DE BIE RODOLPHE

+24 FEBRUARI 1916

DE JONGHE GABRIEL

+17 NOVEMBER 1918

DEGRANDE CAMILLE

+20 OKTOBER 1918

DEGRANDE GUSTAVE

+4 MAART 1915

DE KEYSER LOUIS

+8 SEPTEMBER 1917

DE PLAEN ISIDORE

+11 NOVEMBER 1914

DE SMET PIERRE

+7 NOVEMBER 1914

DE VOLDERE JEAN

+1 NOVEMBER 1914

DEWEZ EUGENE

+5 NOVEMBER 1914

DEWILDE HENRI

+20 NOVEMBER 1917

DIRICKX JEAN

+9 AUGUSTUS 1916

DUEZ GEORGES

+1 NOVEMBER 1914

FRAIPONT DESIRE

+5 SEPTEMBER 1915

FRANCOIS GEORGES

+5 NOVEMBER 1914

GANZEMAN FRANCOIS

+5 NOVEMBER 1914

GHYSELS ADOLPHE

+23 AUGUSTUS 1916

GILLES ALPHONSE

+11 NOVEMBER 1917

GILLET JEAN

+9 APRIL 1918

HUYBRECHTS LOUIS

+13 OKTOBER 1917

HUYGELEN OCTAVE

+17 JULI 1915

JANSEGERS EDOUARD

+23 JANUARI 1917

JANSSENS ERNEST

+19 SEPTEMBER 1917

JOLIVE RAPHAEL

+1 APRIL 1918

JOURDAIN PIERRE

+11 NOVEMBER 1914

KARNAS ARMAND

+25 DECEMBER 1918

LAMARCHE EDOUARD

+26 JANUARI 1915

LEIRE GRYSOLLE

+8 APRIL 1915

LEMAITRE FRANCOIS

+19 OKTOBER 1918

LEMMENS JOSEPH

+13 JULI 1918

LE ROY de GANSENDRIES GEORGES

+5 NOVEMBER 1918

MAEREMANS GUILLAUME

+28 MEI 1915

MAERTENS PROSPER

+22 OKTOBER 1914

MAES JEAN

+7 MEI 1915

MEIRE ARTHUR

+27 OKTOBER 1914

MERTENS EMMANUEL

+2 OKTOBER 1916

MONARD VICTOR

+25 SEPTEMBER 1918

MUYLDERMANS ALPHONSE

+10 APRIL 1918

PAQUE JEAN

+8 OKTOBER 1915

PEETERS CHARLES

+4 NOVEMBER 1914

PIRE ALBERT

+10 NOVEMBER 1918

ROYMANS DESIRE

+12 FEBRUARI 1915

SCHEEPERS CHARLES

+11 NOVEMBER 1914

SINNER ALBERT

+9 NOVEMBER 1914

SMETS JOSEPH

+17 JANUARI 1917

SNELLAERT OCTAVE

+25 OKTOBER 1918

SPARMONT WILLIAM

+28 OKTOBER 1917

SWINNENS AUGUSTE

+26 MAART 1917

TAGON OSCAR

+15 DECEMBER 1917

VAN CAMPENHOUDT EDOUARD

+15 FEBRUARI 1915

VAN den EEDE LAURENT

+28 JANUARI 1918

VAN den KIEBOOM FRANCOIS

+13 FEBRUARI 1918

VAN der KINDEREN ANDRE

+28 MAART 1919

VAN der MOLEN CHARLES

+19 OKTOBER 1918

VAN DEUN ARTHUR

+5 MAART 1916

VAN DOREN ALPHONSE

+13 JANUARI 1919

VAN DUYTEKOM EDOUARD

+5 JANUARI 1918

VAN DYCK HENRI

+1 DECEMBER 1918

VAN DYCK JEAN

+5 NOVEMBER 1918

VAN GREVELING LIEVIN

+28 OKTOBER 1914

VAN HOMELLE

+22 OKTOBER 1914

VAN PUYENBROECK FRANCOIS

+12 OKTOBER 1917

VERBEECK MICHEL

+19 MEI 1917

VERBRAECKEN EDOUARD

+14 JULI 1918

VERSCHOORE JULES

+23 SEPTEMBER 1918

VERSLYP JOSEPH

+13 OKTOBER 1918

VLEMINCKX JEAN

+25 NOVEMBER 1918


gedenkplaat Kensal Green
 

Gedenkplaat op de begraafplaats


13-12-07

De moord op Stanislaus Nyczak (hoofdstuk II)

II. ELVERSELE TIJDENS WERELDOORLOG I

Toen de Duitsers begin oktober 1914, na de verovering van Antwerpen, verder naar het westen trokken, lieten zij overal bezettingstroepen achter die de organisatie van het veroverde gebied op zich namen.

De indeling van onze gewesten (zowat het hinterland van de frontstreek) gebeurde, vanuit militair-strategisch oogpunt, in Etappegebieden of Kommandanturs : Sint-Niklaas, Lokeren, Wetteren, Dendermonde, enz..

Wat niet bij een of andere Kommandantur was ingedeeld, behoor­de tot het Generaal Gouvernement dat onder het commando stond van de Duitse generaal Von Bissing (overleden op 18 april 1917). Temse en Tielrode b.v. gingen op 24 juli 1916 over van Etappe­naar Gouvernementsgebied. Op genoemde datum werd immers de Kommandantur Sint-Niklaas afgeschaft en bij het Generaal Gou­vernement gevoegd.

Als gevolg daarvan bestond de Kommandantur Lokeren vanaf dat ogenblik uit volgende gemeenten : Lokeren, Zeveneken, Daknam, Eksaarde, Moerbeke, Sinaai, Waasmunster, Stekene, Kemzeke, Sint-Gillis-Waas, Sint-Pauwels, Vrasene, Meerdonk, De Klinge, Verrebroek, Kieldrecht, Doel, Belsele en Elversele. (1)

(zie plannetje onder de foto van burgemeester Wauman)

Elversele heeft steeds deel uitgemaakt van het Etappegebied Lokeren, dat één van de strengst bewaakte was vermits de Duit­sers beseften dat het de toegangspoort tot Antwerpen vormde. Lokeren was een strategisch knooppunt tussen Antwerpen, Gent, Dendermonde en de grens met Nederland. Van hieruit konden de Duitsers een groot gebied onder controle houden en voorkomen dat het Duitse veldleger, aan het Ijzerfront, in de rug zou worden aangevallen.

Het toenmalige Elverseelse gemeentebestuur bestond uit burge­meester Petrus Wauman, de schepenen Alfred Vermeire en Jozef de Witte, de raadsleden Leon de Brabander, Jozef Cornelis, John Kerckx, Vital Volckerick en Jozef D'Hooghe en gemeente­secretaris Jozef Claus.



1)Toen de oorlog al bijna ten einde was, op 25 september 1918, werden Sint-Niklaas, Nieuwkerken, Temse en Tielrode opnieuw bij het Etappegebied gevoegd. Maar toen was het voor de Duitsers al pijnlijk duidelijk geworden dat ze de oorlog zouden verliezen.

burgemeester Petrus Wauman

BURGEMEESTER PETRUS WAUMAN


ETAPPENGEBIED

(overgenomen uit : VLAMINCK, C., Het Etappengebied in België tijdens den oorlog 1914-1918. Brussel, 1922 (3de druk). p. 34)


Het had uiteraard niet het minste beslissingsrecht.
Zijn bevoegdheid bleef beperkt tot het uitvoeren van de orders die door de Duitse Kommandantur te Lokeren werden uitgevaardigd. Aan het hoofd van die Kommandantur stond "Oberstleutnant" Von dem Knesebeck, die op 11 februari 1917 overleed.

Elversele was dus op bestuurlijk vlak geheel afhankelijk van het Lokerense Etappegebied. De, weliswaar schaarse, briefwis­seling b.v. die voor Elversele was bestemd, werd eerst te Lo­keren gecensureerd alvorens zij hier kon worden bedeeld. Ook officiële aankondigingen (opeisingen, inbeslagnemingen, mede­delingen enz.) werden vanuit Lokeren verspreid. Jozef Verhelst ("Jef van Pierkes", 1863-1942) moest om de 2 dagen met zijn fiets naar Lokeren om daar de correspondentie voor Elversele in ontvangst te nemen en ze te Elversele af te geven op het gemeentehuis (toen nog in het huidige café Sportpaleis). Op 28.07.1916 deelde het Gemeentebestuur van Waasmunster mee dat het - in opdracht van de Lokerse Kommandantur - zelf de corres­pondentie voor Waasmunster en Elversele te Lokeren moest afha­len.

Het Waasmunsters magistraat verzocht dan ook zijn Elver­seelse collega's de briefwisseling voor onze gemeente dagelijks te laten afhalen op het gemeentehuis van Waasmunster omstreeks 5 uur in de namiddag. Voor "Jef van Pierkes" was de verplaat­sing toen niet meer zo groot.

Zelfs het plaatselijk onderwijs werd via de Kommandantur geor­ganiseerd. Elversele maakte deel uit van het schoolkanton Lo­keren, dat op zijn beurt onder het schoolgebied Aalst ressor­teerde.

Dat ook Elversele toen aardig wat Duitse soldaten in garnizoen had, blijkt uit het feit dat op de gevel van ieder huis een houten plakkaat was aangebracht met vermelding van het aantal Duitsers dat er verbleef. In diverse huizen waren bovendien wachtposten geinstalleerd :zo b.v. bij Alois de Westelinck (op de Kettermuit), Petrus Vermeulen (op de Legen Heirweg, na­bij de grens met Tielrode), en bij Frans Verhelst (café Roskam in de Stokthoek).

Het hoofdkwartier van de Duitsers, waar de beruchte luitenant Schmidt verblijf hield, was ondergebracht in de brouwerij van Alfred Vermeire op de Legen Heirweg ("bij Frettes"). Daar zou ook Stanislaus Nyczak, volgens enkele onze zegslieden, gelogeerd hebben.

Oudere Elverselenaren beweren dat in onze gemeente vooral Duit­sers verbleven die niet meer geschikt waren voor het front (ouderen en invaliden).

Anderzijds verbleven er te Elversele voortdurend ook een paar honderd jonge Duitsers die hier een 4 maand durende opleiding doormaakten alvorens naar het front te worden gestuurd. Hun schietoefeningen hielden ze op de Legen Heirweg, rechtover café Hof van Appelsvoorde. De keuken van dit Bayerisches Rekruten Depot bevond zich op het erf van Edmond Verbeke in de Dorps­straat.

Elversele vormde de uithoek van het Lokerense Etappegebied. Wie het grondgebied van Tielrode (deel uitmakend van het Generaal Gouvernement) wou betreden, moest in het bezit zijn van een geldig paspoort. Een dergelijk paspoort kon slechts worden bekomen, mits betaling, op het pasbureau van de Duitse Komman­dantur te Lokeren.

De Duitsers gebruikten het Etappegebied ook om er hun jaarlijkse oogst op te doen en zodoende de voeding van het leger en de be­voorrading van Duitsland te blijven verzekeren. De gemeentearchieven van Elversele staan trouwens bol van de invorderingen en inbeslagnemingen waarvan de plaatselijke be­volking gedurende ruim 4 jaar te lijden had. Zowat alles kwam toen voor inlevering in aanmerking : tarwe, rogge, haver, maste­luin, aardappelen, wortelen, bieten, vlas, kemp, hooi, stro, fruit allerhande, paarden, koeien, geiten, schapewol, enz..

Al naargelang de Duitsers aan één of ander gebrek hadden, be­valen zij de nodige inbeslagnemingen.~ De geldelijke vergoeding die zij hiervoor in ruil gaven, was vaak niet voldoende om het verlies van het ingeleverde te compenseren. In de lente van 1917, toen de Duitsers met een tekort aan muni­tie te kampen kregen, werden ook koper, lood, tin en andere metalen aangeslagen. Wie al eens wat meende achter te houden, riskeerde huiszoekingen en zware boetes.

Een en ander leidde ertoe dat de bevolking zienderogen verarmde, temeer daar de winters van 1916-1917 en 1917-1918 bijzonder streng waren. De Durme vroor dicht, zodat bovendien de toevoer van kolen ten zeerste werd bemoeilijkt.

Anderzijds waren elementaire voedingsmiddelen als brood, bloem, aardappelen en vlees strikt gerantsoeneerd en werden ze door de voedingscomités eerlijk (?) onder de bevolking verdeeld. Nog in 1917, op 29 april, werd te Elversele door enkele leden van de Spaar- en Leengilde van Elversele, een bevoorradingscom­missie gesticht onder de benaming "Sint-Cornelis".

Stichters ervan waren Joseph Verberckmoes, Vital Volckerick, Clement Elewaut, Charles Geldof, Leon Vincke (de latere burgemeester), Petrus Cordeel, August de Belie, Frederik Colman, Charles Maes en Petrus Bogaert. Het nieuw opgerichte comité stond onder de supervisie van een provinciale bevoorradingscommissie.

De nood van de bevolking werd enigszins gelenigd toen de Vere­nigde Staten vanaf medio 1917 systematisch de levensmiddelen­verzekering op zich namen. Zij die het hebben meegemaakt be­weren echter dat er soms meer werd gestolen dan wat uiteindelijk ten goede kwam van de behoeftigen. Zodat velen, teneinde raad, hun toevlucht zochten in het smokkelbedrijf. Vaak de enige ma­nier om aan betaalbare levensmiddelen te geraken. Een befaamde smokkelwegel verbond Elversele, langsheen de Durme, met Tielrode. Dààr zou zich in oktober 1916 een bloederig drama afspelen.



kwartier Duitse grenswachters



12-12-07

De moord op Stanislaus Nyczak (inleiding + hoofdstuk I)

Van André De Clercq uit Hamme kreeg ik de toestemming om een uniek verhaal op dit blog te publiceren. Het verhaal is een reconstructie van de moord op de Duitse soldaat Stanislaus Nyczak te Elversele op 20 oktober 1916. André reconstrueerde dit drama samen met auteur Luc Peleman. Het onderzoek duurde verschillende jaren en werd uiteindelijk in 1986 te boek gesteld en uitgegeven door de heemkundige kring "Braem" van Elversele.

Het boek is uniek in zijn soort en beslaat bronvermeldingen en foto's inbegrepen meer dan 60 pagina's. Het is een eer om dit op mijn blog te mogen publiceren. Ik wens jullie alvast veel leesplezier!


voorblad


Inleiding


Zowat 70 jaar geleden, in de nacht van 20 op 21 oktober 1916, werd te Elversele de Duitse soldaat Stanislaus Nyczak op af­schuwelijke wijze om het leven gebracht. Uit graankorrels die

her en der in de nabijheid van het lijk verspreid lagen, mocht men afleiden dat de man het slachtoffer was geworden van smok­kelaars die hij op heterdaad had betrapt.

Ca. 130 Elverseelse
mannen tussen 17 en 45 jaar werden als gijzelaars meegevoerd naar Lokeren. Gelukkig voor hen kwam vrij spoedig aan het licht wie de daders waren geweest : Medard Adriaenssens uit Tielrode en Jozef de Kerf uit Temse. Wie weet wat er zou gebeurd zijn indien de moord onopgelost was gebleven. Te Elversele besefte men toen terdege dat het lot van 130 van haar inwoners (zowat 1/10 dus) aan een zijden draadje had gehan­gen.

Vandaag, 70 jaar later, hebben we getracht deze boeiende ge­schiedenis in al haar aspecten te reconstrueren. Dat was geen sinecure want heel wat bevoorrechte getuigen hadden ondertus­sen het tijdelijke met het eeuwige verwisseld, terwijl anderen een aantal feiten of toestanden, over de jaren heen, àl te zeer hadden verdraaid of geïdealiseerd. Bij sommigen werden zelfs zulkdanig pijnlijke herinneringen losgeweekt, dat wij schuld­gevoelens zouden hebben gekregen indien we verder hadden aange­drongen.

Al zijn de verzamelde gegevens uit verschillende tientallen ar­chiefbezoeken, interviews en brieven aan archiefdepots in bin­nen- en buitenland dus eerder schaars, wij hebben niettemin getracht in de mate van het mogelijke een steekhoudend verhaal op papier te zetten. De vraag of wij hier al dan niet in ge­slaagd zijn, laten wij aan het oordeel van de lezer over.
 

I. WERELDOORLOG I : OORZAKEN EN VERLOOP

Directe aanleiding tot het uitbreken van Wereldoorlog I was de moord op de Oostenrijkse troonopvolger Frans-Ferdinand op 28 juni 1914 te Sarajevo.

De eigenlijke oorzaken liggen evenwel veel dieper en werden ge­durende ettelijke tientallen jaren voorbereid. Sedert de Frans­Duitse oorlog van 1870 heerste er immers voortdurend een soort latente onvrede tussen de Europese staten. Eén reden daartoe was het ongelijk verdeeld koloniaal bezit : Groot-Brittannië, Frankrijk en Rusland (de "haves") mochten zich verheugen in heel wat buiten-Europese bezittingen ; Duitsland, Italië en Oostenrijk-Hongarije daarentegen (de "have-nots") voelden zich eerder stiefmoederlijk behandeld.

Reeds in 1879 sloten Duitsland en Oostenrijk-Hongarije een Duple Alliantie, waarbij zij elkaar wederzijdse steun toezeg­den ingeval van een Russische bedreiging. In 1892 werd het zelfs een Triple Alliantie toen ook Italië zich bij de andere twee "have-nots" aansloot. Als één van de drie mogendheden door twee of meer landen werd aangevallen, zouden de bondge­noten ter hulp snellen. Dit gold ook wanneer Italië of Duits­land zou worden aangevallen door Frankrijk alleen.

Eén en ander leidde in 1892-1894 tot een Tweebond tussen Frank­rijk en Rusland, waarbij werd afgesproken dat beide landen zou­den mobiliseren indien een mogendheid van de Triple Alliantie tot de aanval overging.

Toen Frankrijk ook met Engeland een zgn. Entente Cordiale sloot, in 1904, lag de weg open naar een Triple Entente tussen de "haves" : Frankrijk, Engeland en Rusland (in augustus 1907). Het waren voornamelijk de onderlinge koloniale betrekkingen die in deze overeenkomsten werden geregeld. Engeland weigerde voorlopig immers nog steeds onvoorwaardelijk zijn steun toe te zeggen in geval van oorlog.

Daarmee lagen de kaarten verdeeld en kon het grote oorlogsspel beginnen. 

De eerste zet was voor Duitsland dat de Triple Entente op de proef wou stellen door, in 1905 en nogmaals in 1911, de Franse aanspraken op Marokko te betwisten. De Duitse interventie had evenwel niet het gewenste effect vermits alle staten (behalve Oostenrijk-Hongarije) de zijde van de Fransen kozen.

Een andere broeihaard van politieke onrust was de Balkan (in het zuidoosten van Europa) die nog steeds gebukt ging onder de overheersing van deels Oostenrijk-Hongarije, deels het, welis­waar zeer verzwakte, Turkse rijk.

In dat gebied woonden de Serven (die zich reeds eerder in een onafhankelijk koninkrijk hadden verenigd) naast Bosniërs, Kro­aten en Slovenen. Deze vier volkeren voelden zich sterk genoeg verwant om een Zuidslavische of Joegoslavische statenbond na te streven. Het onafhankelijke Servië werd het centrum van de­ze Zuidslavische agitatie.

De Turken werden definitief teruggedrongen in de Balkanoorlogen van 1912-1913. Oostenrijk-Hongarije daarentegen had nog maar pas in 1908 Bosnië en Hercegovina formeel geannexeerd, terwijl het er bovendien op diplomatiek gebied voor had gezorgd dat Servië niet te veel voordeel kon putten uit de succesvolle Balkanoorlogen.

Het latente conflict tussen Servië en Oostenrijk-Hongarije dat trouwens heel wat complexer was dan hier in enkele regels kan worden weergegeven, leidde uiteindelijk tot het uitbreken van de eerste Wereldoorlog.: op 28 juni 1914 werd in Sarajevo, de hoofdstad van Bosnië, de Oostenrijkse aartshertog Frans-Ferdinand samen met zijn vrouw, gravin Sophie, door een jonge Serviër met pistoolschoten om het leven gebracht.

Oostenrijk-Hongarije zag hierin een kans om zijn invloed in de Balkan te vergroten en verbrak, na een ultimatum, alle di­plomatieke betrekkingen met Servië. Op 28 juli 1914, een maand na de moord, verklaarde Oostenrijk-Hongarije de oorlog aan Servië.

Toen de Russen aanstalten maakten om Servië ter hulp te komen, verklaarde Duitsland op 1 augustus de oorlog aan Rusland ; op 3 augustus tevens aan de Russische bondgenoot Frankrijk.

Vanaf dat ogenblik mocht ook België meespelen. Duitsland trad immers het verdrag van 1839, waarbij België als vrije staat werd erkend, met de voeten en viel op dinsdag 4 augustus 1914 ons land binnen, om op het westelijk front de Fransen bij ver­rassing uit te schakelen en vervolgens op het oostelijk front de Russen aan te pakken.

De Duitsers hadden wellicht nooit verwacht dat zij in het kleine België op zoveel weerstand zouden stuiten : eerst rond de ves­tigingen Luik en Antwerpen, nadien aan de Westvlaamse Ijzer waar zij er nimmer in zouden slagen een definitieve overwinning te behalen.

Vrij spoedig na het openen van de vijandelijkheden, kon met recht en reden worden gesproken van een wereldoorlog : Groot­Brittannië mobiliseerde, nadat Duitsland had geweigerd zijn troepen uit België terug te trekken ;Japan steunde de gealli­eerden omdat het de Duitse bezittingen in het Verre Oosten hoopte in te palmen ; Turkije koos partij tégen de Russen ; Italië liet zijn vroegere bondgenoten in de steek en sloot zich, zij het eerder passief, aan bij de geallieerden ; Bulgarije sloot zich aan bij de centraler, Roemenië daarentegen bij de geallieerden.

Lange tijd zag het er naar uit dat de Duitsers aan het langste eind zouden trekken. Temeer daar zij op het oostelijk front als grote overwinnaars uit de strijd kwamen. De Russen, die zich na de revolutie van 1917 achter de Bolsjewieken van Lenin schaarden, wensten vrede en waren bij het vredesverdrag van Brest-Litowsk, dat in maart 1918 werd ondertekend, bereid enor­me gebieden af te staan.

De Duitsers bewerkten echter hun eigen ondergang toen zij in een meedogenloze onderzeebootoorlog een groot aantal koopvaar­dijschepen kelderden en aldus de Verenigde Staten van Amerika tegen zich in het harnas joegen.

In april 1917 verklaarden de Verenigde Staten de oorlog aan de centralen. Andere landen volgden dit voorbeeld : Cuba, Siam, China, Brazilië en de Middenamerikaanse staten.

Voor Duitsland betekende dit het begin van het einde. Na een verwoed offensief van de geallieerden in september 1918, ca­pituleerden de vermoeide Duitse troepen. Op 11 november 1918 om 11 uur 's morgens werd het vuren gestaakt. Maar toen waren al heel wat haveloze en afgematte Duitsers uit onze streken verdwenen.

De Decker Frans Jan

Geboren op 9 juni 1891 te Reet (Soldaat 2 kl. OV /7 Linie / 5 Cie.),  ongehuwd overleden op 18 maart 1918 te Ramskapelle aan de verwondingen van obusscherven. Begraven te Veurne op 20 maart 1918 (graf nr.394). Herbegraven op de militaire begraafplaats van De Panne op 7 november 1924 (graf nr. J 18). De pleegouders van Frans werden uitgenodigd om de inhuldiging van het monument der gesneuvelden op 14 Oktober 1923 bij te wonen. Zij woonden te Boom, Krekelenberg nr.22/1. 


 De Decker Jan

Frans was de zoon van werkman Franciscus(°Boom 5 juli 1862 +Boom 12 september 1901) en Maria Ludovica Mampaey(°Rumst 30 september 1861 +Boom 31 december 1900). Zij woonden te Boom, Schomme 158.


  monument De Decker Jan

Frans staat op het monument der gesneuvelden vermeld


  zerk De Decker Jan

De laatste rustplaats van Frans Jan op de militaire begraafplaats van De Panne

11-12-07

Deckers Carolus Ludovicus

Fabrieksarbeider, woonachtig te Boom en er geboren op zaterdag 21 juli 1894(soldaat 2kl. Mil. 1914/6de linie 4/4). Carolus sneuvelde op zaterdag 17 april 1915 te Woumen en werd begraven te Lo op het gemeentelijk kerkhof graf nr.24. Hij werd herbegraven  te Boom op 9 maart 1922.  Op 23 augustus 1920 ontving zijn vader de nalatenschap van Carolus. Dit was 21,62 fr.


Deckers Karel
 

Carolus was de zoon van meestergast Petrus Franciscus(°Boom 10 september 1859) en Maria Pelagia Wijckmans(°Boom 29 januari 1865). Zij huwden te Boom op 12 oktober 1891 en werden uitgenodigd om de inhuldiging van het monument der gesneuvelden op 14 oktober 1923 bij te wonen. Zij woonden toen te Noeveren nr.198.


monument Deckers Karel

Carolus staat op het monument der gesneuvelden vermeld als Deckers Karel Lod.



zerk Deckers Karel
 

Carolus kreeg een laatste rustplaats op het erepark van het kerkhof te Boom
Zijn geboortedatum staat echter foutief op de zerk. Er staat 21/7/1897 i.p.v. 21/7/1894

09:30 Gepost door Marc in militairen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: deckers, wijckmans, boom, wereldoorlog i, woumen |  Facebook |

10-12-07

De Bleser Frans

Geboren op zondag 20 mei 1894 te Boom , in het huis gelegen Nielsestraat nr.134(volgens geboorteakte nr.221, soldaat 2kl.mil.1914/9de linie 1/1), woonachtig te Niel, Boomsestraat  nr.111, vermist op zaterdag 28 september 1918 te Langemark. Hij verdween bij de gevechten om Stadenberg. Tijdens deze gevechten werden de Duitsers door honderden kanonnen uit het bos van Houthulst verjaagd. Zij zaten daar reeds vier jaar ingebunkerd. Franciscus staat niet op het monument der gesneuvelden vermeld. Hij maakte achtereenvolgens deel uit van volgende legereenheden:

13 januari 1917-  naar 9de linieregiment/1ste cie.

15 november 1917- gekwetst en geëvacueerd naar I.M.D.

19 november 1917- terug bij 9de linie/1ste cie.


De Bleser Frans
 

Hij was de zoon van Joannes Constant (°Sint-Amands 23 april 1853) en Rosalia Van Den Neucker (°Boom 10 september 1857). Zij huwden te Boom op 7 augustus 1878.


09-12-07

Beulens Cornelius Franciscus

Geboren op vrijdag 13 februari 1880 te Boom (soldaat 2Kl. mil.1900/artil.verst.plaats Antwerpen), woonachtig te Hoboken, Krugerstraat 214. Cornelius overleed op dinsdag 30 mei 1916 te Harderwijk(NL) aan de gevolgen van tuberculose in het sanatorium "Sonnevanck" en er begraven.  Vervoegde het leger in: 1900

Cornelius huwde te Boom op 1 januari 1904 met naaister Irma De Smet (°Boom 14 augustus 1882). Hij was de zoon van Joannes Beulens die te Boom overleed op 13 december 1879, en Joanna Catharina Mampaey. Joanna werd te Boom geboren rond 1846 en overleed er op 21 april 1903. Zij was toen voor een tweede maal gehuwd met Frans De Paep. Op 17 september 1901 werd te Boom van Cornelius en Irma een dochter Bertha Catharina geboren die zij bij hun huwelijk erkenden.  Cornelius staat niet op het monument der gesneuvelden vermeld.

Het onderstaande fictieve verhaal, gebaseerd op Cornelius Franciscus Beulens, werd geschreven door Theo Bakker. Theo heeft een boek over het sanatorium te Harderwijk geschreven waar ook het onderstaande verhaal in staat. In dit sanatorium verbleven veel Belgen. Voor meer info over dit boek kan je terecht bij het Zorg-en kenniscentrum "Sonnevanck", Sonnevancklaan nr.2 te 3847 LC Harderwijk(NL),tel. 0031/341414942.

In een vreemd land...

Frans Buelens was een van de eerste Belgen die in Sonnevanck kwam kuren. Hij rust met bijna driehonderdvijftig lotgenoten op het Belgisch Militair Ereveld in Harderwijk, op begraafplaats Oostergaarde. Ze stierven aan de Spaanse Griep, aan de tering of gewoon van ellende. Ver weg van Hoboken en Antwerpen, waar hij woonde en als dokopzichter werkzaam was. Ver weg ook van zijn vrouw Irma en hun kinderen.

‘De laatste drie jaren waren een nachtmerrie, maar dan met één verschil. Dit was geen droom maar de werkelijkheid, erger dan iemand het ooit kan verzinnen. Het begon in 1914 met de mobilisatie. Het leven van mij en mijn gezin werd verstoord door de oproep om ‘onder de wapenen' te komen. Ik was niet de enige, want veel van de mannen waarmee ik in de haven van Antwerpen werkte, moesten ook. De oorlogsdreiging was groot en joeg ons, gewone mensen, veel schrik aan. Ons bestaan werd er ernstig door verstoord en het leger bood geen alternatief voor het betrekkelijk rustige leven dat we leidden. Oké, rijk waren we niet en het leven was hard, maar samen met Irma en de kinderen had ik het goed. De dreigende oorlog veranderde echter alles.

Ik werd opgeleid tot schutter. Niet dat het zoveel voorstelde, want het grootste gedeelte van mijn opleiding bestond uit marcheren en poetsen, maar ik had een geweer en mocht een enkele keer met losse flodders schieten.

Na mijn korte opleiding werd het ernst toen de Duitsers in augustus 1914 ons land binnenvielen. Samen met duizenden anderen moesten we Antwerpen verdedigen, maar voordat we werkelijk in actie konden komen was het al voorbij.

Na een vreselijk bombardement van de stad tekende de legerleiding de overgave en vluchtte het legerkorps naar Nederland. We dachten dat het daar beter zou zijn. We wisten niet dat Nederland ook een vijand was. In plaats van ons vrij te kunnen bewegen, werden we opgesloten. Eerst in het zuiden, later hoorden we dat we naar het noorden zouden gaan, naar Zeist of Amersfoort. We gingen eerst per trein naar Amersfoort waar we in een groot legerkamp werden gehuisvest. Na veertien dagen doelloos wachtten trokken we door naar Harderwijk, waar we met meer dan tienduizend man arriveerden.

Hoewel het oktober was, werden we gehuisvest in een tentenkamp op de hei. Ik maakte me zorgen hoe het thuis zou gaan. De verschrikkelijkste verhalen deden de ronde, maar echt nieuws was er niet. Het was alleen maar gissen en raden, niemand die het wist.

Op één uur lopen van het station stond ons kamp, de tenten lagen klaar om te worden opgezet. We sliepen met z'n zessen in een kleine tent die nog het meest op een indiaanse tipi leek. We hoopten dat het niet lang zou duren voordat we naar België konden terugkeren, maar de dagen verstreken. De dagen werden weken, de weken werden maanden en na de winter kwam het eerste voorjaar in een vreemd land. We moesten bouwen: grote houten barrakken namen de plaats in van de tenten.

In elke barak tweehonderdvijftig soldaten, zonder veel licht en ventilatie.

Kun je je voorstellen hoe het daar rook? In totaal waren er vijftig barrakken in het kamp en nog wat kleine gebouwen. Het kamp was afgesloten met prikkeldraad. Sporadisch mochten we er uit, maar ook dan was er weinig te beleven. Geld hadden we niet en de bevolking van Harderwijk bekeek ons alsof we wilde beesten waren.

Het eerste jaar in Holland verliep afschuwelijk. In de zomer van 1915 werd ik ziek, althans toen openbaarde zich de ziekte waar ik al langer last van had. Hoesten, vermoeidheid, koorts en gewichtsverlies. De dokter dacht aan tering.

Omdat er een sanatorium in de buurt was met plaatsen voor militairen mocht ik daarheen in plaats van naar de ziekenbarak. Sonnevanck heette dat sanatorium, het lag niet ver van ons kamp. Het was een verademing vergeleken met het kamp. Als het kamp de hel was, dan was Sonnevanck de hemel. We hadden er een klein paviljoen waar zo'n dertig militairen verbleven. Er waren voor mij drie belangrijke dingen in Sonnevanck. Ten eerste waren er vrouwen. Zusters die voor ons zorgden. Ze waren druk en streng, maar ook zorgzaam en goed. Maar bovenal waren het vrouwen. Ze deden me aan Irma denken, mijn eigen vrouw, met wie ik geen contact kon krijgen en waarvan ik niet wist hoe het met haar ging. Ten tweede was het er schoon en licht. Het was een andere wereld dan de bedompte en stinkende barak in het kamp die maar een paar kilometer verderop stond. Ten derde was er rust. Ik moest rusten en had een schoon bed. Het eten was er anders dan thuis, maar het was goed en meer dan voldoende. Roken was er niet meer bij en ook een pint kregen we daar niet. Het leven verliep rustig. Onderling spraken we over thuis en over de oorlog. Niets was zeker, we kregen bevestiging noch ontkenning.

Mijn ziekte verliep niet voorspoedig. Ondanks de betere omstandigheden, de therapie en de zorg bleef ik koorts houden. Ook viel ik af. Ik had chronische diarree en moest veel hoesten. Soms spuwde ik bloed. Mocht ik in het begin nog in het bos wandelen, nu lag ik de hele dag op bed.

Van tijd tot tijd kreeg ik bezoek van mijn kameraden. Een enkele keer kwam meneer pastoor vanuit het interneringskamp. Ik vroeg me in toenemende mate af wat de zin was van mijn bestaan. Er was niemand die daarop een antwoord kon geven. De pastoor niet, de dokter niet, mijn maten niet. Ik moest er maar in berusten, zeiden ze, maar dat kon ik niet en dat wilde ik ook niet. Mijn vrouw en kinderen waren ver weg, mijn eigen huis, ja, zelfs mijn land was onbereikbaar en ik twijfelde of ik het ooit terug zou zien. Hoe moest dat met mijn kinderen, leefden ze nog, wie zou voor ze zorgen? Mijn vrouw kon het niet alleen aan. Ik had er veel verdriet om.

Met mijn kameraden kon ik er niet over spreken. Waarom wist ik niet, maar ik durfde mijn angst niet te tonen. Op een dag kwam een van de zusters bij me zitten. Het was alsof ze alles begreep zonder dat ik haar iets hoefde te zeggen. Ze keek me aan en legde haar hand op mijn hand. Ze leek op de maagd Maria, een heilige bijna. Hoe het verder moest gaan wist ik niet, ik kon me alleen maar overgeven en afwachten. Misschien kwam het toch nog goed, al zou ik niet weten hoe. Die zuster wist het wel. Misschien door mijn hand vast te houden of door er alleen maar te zijn.'


zerk Beulens Joannes Baptist Harderwijk

Laatste rustplaats op de militaire begraafplaats "Oostergaarde" te Harderwijk.


tentenkamp Harderwijk
Tentenkamp te harderwijk


Harderwijk sanatorium hoofdgebouw

Hoofdgebouw van het sanatorium te Harderwijk.


Kerstefeest 1916 sanatorium Harderwijk
Kerstfeest 1916 in het sanatorium te Harderwijk.

08-12-07

Ams Joannes Baptist

Landbouwer, geboren op vrijdag 8 november 1895 te Boom (soldaat 2 kl. OV 1914/11e linie), woonachtig te Schelle en te Merksplas, overleden op maandag 14 juni 1915 te Stuivekenskerke (Oud-Stuivekenskerke).

Op 1 december 1920 ontving het gemeentebestuur een brief van de krijgsbegravingsdienst met de vraag of zij wisten waar de familie van Joannes woonde. Het gemeentebestuur zond op 14 december een antwoord waarvan de inhoud niet gekend is. Uit een schrijven van 17 juli 1921 blijkt dat zijn vader te Merksplas verbleef in de volgens het briefhoofd"Ministerie van Justitie; Staatsweldadigheidskoloniën; Bedelaarswerkhuis te Merxplas"(dit was een gesloten instelling).

De vader van Joannes Baptist schrijft het gemeentebestuur van Boom met de vraag of zij aan het ministerie van landsverdediging diverse officiële stukken kunnen bezorgen, waaronder de overlijdensakte van zijn echtgenote, een attest dat zijn zoon nooit getrouwd geweest is enz...Hij drukte tevens de wens uit dat de gemeente alle briefwisseling die hem aanbelangde liet doorsturen naar Merksplas. Nog volgens deze brief zou zijn zoon op 12 juni 1915 overleden zijn.

Joannes staat niet op het monument der gesneuvelden vermeld. Joannes Baptist was de zoon van Joannes Baptist(°Niel 13 december 1872) en Maria Eugenia Peeters(°Niel 7 januari 1876).
Zij huwden te Boom op 16 juni 1894 en woonden bij de geboorte van Joannes te Noeveren nr. 198.
Joannes vervoegde het leger in:1914.


monument karabiniers Oud-Stuivekenskerke
Monument ter ere van het 1ste en 2de karabiniers wielrijders

 

07-12-07

Aerts Victor Eduard

Geboren op zaterdag 11 september 1886 te Boom, in het huis gelegen Vrijheidshoek nr.71, overleden op zondag 11 juli 1920 te Rouen (l'Hôtel Dieu) aan maagkanker. Hij staat niet op het monument der gesneuvelden vermeld. De reden hiervoor is de omzendbrief van 18 maart 1920 van gouverneur Baron van de Werve en van Schilde. Deze brief bepaalde dat 30 september 1919 de uiterlijke datum van overlijden was waarop een militair erkend werd als oorlogsslachtoffer. Victor kwam dus niet meer in aanmerking.      

           Victor was getrouwd met Francisca Leonia Van Moer. Hij was de zoon van voerman en brouwersgast Josephus Eduardus (°Sint-Niklaas 13 mei 1847) en arbeidster Ludovica Philomena Withouck(°Boom 14 april 1851). Josephus en Ludovica huwden te Boom op 16 november 1871 en woonden er in de Vrijheidshoek nr.71.

Fragment uit de brief van de gouverneur:

"Antwerpen den 18 maart 1920

Aan de gemeentebesturen der provinciën,

Door den heer minister van landsverdediging werd volgende omzendbrief tot de krijgsoverheden gericht:

"In de verschillende garnizoenen worden nog voortdurend op de militaire kerkhoven al de soldaten zonder onderscheid begraven die in de gezondheidsinrichtingen komen te overlijden.

Die handelswijze onttrekt aan die begraafplaatsen het karakter van kerkhof dat hen kenmerkt. Er dient opgemerkt  dat de militaire begraafplaatsen in de toekomst niet meer voor den begravingsdienst mogen aangewend worden; zij moeten uitsluitelijk voorbehouden worden aan de dapperen die tijdens den oorlog hun leven voor het vaderland opofferden.

Dienvolgens zullen op de militaire begraafplaatsen en in de voorbehouden grasperken van de gemeentekerkhoven, nog enkel mogen ter aarde worden besteld de stoffelijke overblijfsels van de soldaten, die zouden bezwijken aan de gevolgen van wonden of ziekten die zij tijdens de oorlog hebben opgedaan.  Het einde van dezen  laatsten vastgesteld zijnde op 30 september 1919 ".


  ROUEN(F), L'HôTEL DIEU

Le Musée Flaubert et d'histoire de la médecine  51 rue Lecat

Tijdens de Eerste Wereldoorlog deed het dienst als Brits militair hospitaal. L'hôtel Dieu is de Franse benaming voor Godshuis of gasthuis. Het gebouw kende door de eeuwen heen diverse bestemmingen. Zo was het tijdens de Franse Revolutie een gevangenis. Het was ook een tijd een tehuis voor wezen. Momenteel bevindt er zich in de gebouwen het museum  van de geschiedenis van de geneeskunde. De stad Rouen werd tijdens de Tweede Wereldoorlog grotendeels verwoest door bombardementen.

l'hotel dieu
Ingang l'hôtel Dieu


l'hotel dieu ziekenzaal
Ziekenzaal l'hôtel Dieu

11:00 Gepost door Marc in militairen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: wereldoorlog i, rouen, van moer, withouck, boom |  Facebook |

06-12-07

Aerts Constant Louis

Steenbakker, geboren op zondag 24 juni 1894 te Boom, in het huis gelegen Krekelenberg nr.138,(soldaat 2 kl. mil. 1914 reg.7e linie/1 cie.), woonachtig te Terhagen, gesneuveld op zondag 29 september 1918 te Moorslede en er begraven op woensdag 2 oktober 1918, graf 12. Herbegraven op 3 maart 1923 op de gemeentelijke begraafplaats te Terhagen(volgens database Danny Wilssens). Het graf is er echter niet (meer?) te vinden. Constant staat niet op het monument der gesneuvelden vermeld. Constant was de zoon van Henri (° Ruisbroek 7 november 1868) en Joanna Maria De Wachter
(° Ruisbroek 4 oktober 1866). Zij huwden te Boom op 13 januari 1892.

Op de website "Blindganger" http://users.pandora.be/blindganger/  van Freddy Vandenbroucke is hiervan het onderstaande relaas te lezen:

 "Op 28 september begon de grote slag, met de Belgen ten noorden van de weg Ieper-Zonnebeke en de Britten ten zuiden. De eerste twee dagen was de vooruitgang bemoedigend. Veel dorpen (meestal enkel nog de ruines) werden ingenomen. Het verst kwamen de Belgen en Britten in de omgeving van Dadizele waar de weg Menen - Roeselare gezamenlijk werd bereikt. Het bos van Houthulst, een formidabel uitgebouwde stelling, werd op één dag ingenomen. Moeizaam ging het aan de westkant van Westrozebeke (Zeugeberg) waar de Duitse weerstand bijzonder taai was en enkel een acute dreiging van omsingeling de Duitsers uit hun posities verdreef. De Belgen slaagden erin hun linies te verleggen tot aan de westrand van Roeselare. Daar viel het offensief voorlopig stil, wachtend tot de artillerie haar stukken dichterbij had kunnen brengen. Ook al omdat daar een onverwacht obstakel opdook: de goed gecamoufleerde "Flandern stellung". 

Ook de Britten rukten snel op. De oude slagvelden rond Geluveld en Hill 60 werden snel overschreden en weldra bereikten ze de rand van de dorpskom van Geluwe. De bevrijding van de dorpskom zal wel nog twee weken op zich laten wachten. Iets noordelijker hebben ze zich wel kunnen nestelen in het centrum van Dadizele, het eerste dorp dat zij innemen waarvan de behuizing nog enigszins rechtop is gebleven".

Dankzij een tip van  Freddy Vandenbroucke kwam ik te weten dat er een boek genaamd Van het Vrijbos tot Roeselare, Eindoffensief 1918  bestaat  dat dit eindoffensief  gedetailleerd beschrijft en waar ook de gevechten in Moorslede aan bod komen waar vele Belgen het leven lieten. Verdere informatie over auteurs Robert Baccarne en Jan Steen kan je vinden op de website  "Wereldoorlog I in de Westhoek" onder de link "literatuur"  http://www.wo1.be/

 


ingang kerkhof Terhagen

Zij-ingang van de gemeentelijke begraafplaats te Terhagen

05-12-07

Adams Karel Juliaan

Horlogemaker en spoorwegarbeider, geboren op dinsdag 30 september 1884 te Lovenjoul (soldaat/5de linie), woonachtig in de Blauwstraat Nr.47, overleden op maandag 4 november 1918 te Boom thuis "in zijn haardstede"ten gevolge van een longontsteking. Het ministerie van landsverdediging stuurde op 10 december 1920 aan het gemeentebestuur een brief. Hierin vroegen zij om een kopij van de overlijdensakte. Tevens wilden zij weten hoe hij zijn eenheid had verlaten.

Op 22 april 1921 ontving het gemeentebestuur van Boom via "den IJzeren weg" 4 kruisen.
De krijgsbegravingsdienst verzocht de gemeente om een kruis op het graf van Karel aan te brengen. Blijkbaar bestond er twijfel over de omstandigheden waarin Karel overleed want de krijgsbegravingsdienst stuurde op 7 juli 1921 terug een brief vanuit Mechelen met de vraag in welke omstandigheden hij overleden was(ziekte of kwetsuur) en of hij wel aan de oorlog had deelgenomen. Indien mogelijk hadden zij ook graag een bewijs verkregen van een militaire geneesheer.

Hij huwde op zaterdag 23 november 1912 te Boom (getuigen waren Juul Van Den Broek schoonbroer Bruidegom en haar broer Eugeen Jacobs), op 28-jarige leeftijd met  Maria Julia Jacobs (26 jaar oud), geboren op zondag 5 september 1886 te Boom,dochter van Pieter Jozef Jacobs  en Maria Catharina De Gres.Maria Julia werd uitgenodigd om de inhuldiging van het monument der gesneuvelden op 14 oktober 1923 bij te wonen. Zij woonde toen in de Blauwstraat nr.5. Karel was de zoon van schoenmaker Augustijn Adams(°Lovenjoul 22 juli 1856)  en Virginia Nijs. Zij woonden te Lovenjoul.

 


adams julius monument
 



Karel staat op het monument der gesneuvelden vermeld als Adams Julius

Claes Jan Frans

Fabrieksarbeider en steenbakker, geboren op donderdag 19 juli 1894 te Terhagen (soldaat 2 kl.mil.1914/2de jagers te voet 11de cie.), woonachtig te Boom, gesneuveld op zondag 3 november 1918 te Ertvelde (Stoepe).


In het boek 'Ertvelde' door Achiel De Vos staat over de krijgsverrichtingen van 3 november 1918 het volgende te lezen: "de linkeroever van het kanaal Gent-Terneuzen wordt betrokken bij het grote bevrijdingsoffensief van 1918 vanaf 2 november. De pastoor van Kluizen schrijft: "Op zondag 3 november om 8 1/2 uur 's morgens begon de beschieting van het dorp door Duitse en Belgische soldaten.

Tegen het kanaal van Terneuzen werden door de Duitschers 45 huizen in brand gestoken, het kasteel van de Edele familie de Potter d'Indoye werd ten grooten deelen omvergeschoten en de Duitschers deden de groote brug van het kanaal in de lucht vliegen. Onze moedige soldaten vochten aan het kanaal tot op 11 november dag van den wapenstilstand, maar helaas vielen er hier 12 op het veld van eer." Ook voor Ertvelde op de linkeroever van het kanaal was het een gelijkaardige, bange oorlogsweek. De toren van de kerk werd door verscheidene granaatinslagen getroffen. De kerk  zelf werd na de doorbraak aan de IJzer als 'Kriegslazarett' ingericht."


Joannes werd begraven op dinsdag 5 november 1918 te Eeklo, graf nr.6. Herbegraven op de militaire begraafplaats van Steenbrugge op 18 maart 1924, graf nr.530. Hij was 1.68m. groot en had een blonde haarkleur. Joannes vervoegde het leger op 21 september 1914.. Op 1 oktober 1917 was hij in dienst bij de 11de cie. 2de jagers te voet. Hij overleed ongehuwd. Joannes was de zoon van Joannes Ludovicus(°Boom 5 januari 1869) en Anna Maria Somers(°Boom 24 april 1867). Joannes en Anna huwden te Boom op 25 mei 1893. Zij werden uitgenodigd om de inhuldiging van het monument der gesneuvelden op 14 oktober 1923 bij te wonen en woonden toen in de Bosstraat nr.103.

 

claes jan bidprentje

 


claes jan monument Joannes staat op het monument der
gesneuvelden 
 vermeld als Claes Jan

04-12-07

Capelle Julianus Edmondus Victor

Haarkapper, geboren op woensdag 20 november 1889 te Antwerpen (soldaat 2 Kl. OV/genie 5 D.A./3de cie.) Julianus woonde te Boom bij zijn pleegvader.Hij sneuvelde op maandag 30 september 1918 tijdens het eindoffensief te Koksijde-Bad. Julianus kwam om bij het bombardement van het kantonnement; Ex 1 linieregiment. De archieven vermelden hier nog bij dat hij werd "uiteengerukt".Het gemeentebestuur vroeg gratis vervoerskaartjes aan voor Clement Ceulemans zodat hij een bezoek kon brengen aan het graf van Julianus. Clement woonde te Boom in de Hoogstraat nr.14. Alvorens deze te kunnen verkrijgen diende het gemeentebestuur een verklaring van overlijden van Julianus aan het ministerie van landsverdediging te bezorgen samen met een getuigschrift dat Clement Ceulemans wel degelijk de pleegvader van Julianus was.

Julianus werd begraven op dinsdag 1 oktober 1918 in De Panne , "Duinhoek", graf nr.B/154.


capelle juliaan

Hij was 1,69m. groot en had een licht kastanjebruine haarkleur. Vervoegde het leger op 14 maart 1915. Op 1 oktober 1917 was hij in dienst bij de 3de cie. 5de regiment genie. Hij was de zoon van Hyronimus Lieven en Maria Louisa Baele, beiden woonachtig te Antwerpen.


capelle juliaan monument

               
Julianus staat op het monument der gesneuvelden vermeld als Capelle Juliaan


zerk capelle juliaan

De laatste rustplaats van Juliaan op de militaire begraafplaats van De Panne, graf nr. B 154

03-12-07

Verlinden Frans Hendrik

Grootvader van Marc Verlinden uit Boom 

Op 7 oktober 1914 werd mijn grootvader Frans Hendrik Verlinden krijgsgevangen genomen te Duffel. Hij zou de rest van de oorlog doorbrengen in Friedrichsfeld te Duitsland. Op 26 mei 1918 schreef hij een brief naar zijn zuster Marie in Frankrijk waarin hij zijn hoop uitdrukte om snel vrij te komen. Die hoop putte hij uit het gerucht dat er gevangenen zouden uitgewisseld worden. Toen hij uiteindelijk was teruggekeerd uit gevangenschap, waarvan de juiste datum niet bekend is, begon zijn persoonlijke strijd om de toekenning van een frontstreep.

Ik vond in zijn militair dossier diverse documenten die een polemiek van ca. dertig jaar behelzen. Jammer genoeg bevat het dossier ook diverse lacunes. Ik heb mijn grootvader hierover ook nooit iets kunnen vragen want hij overleed reeds in 1941. Mijn vader werd in 1936 geboren en heeft enkel nog een vage herinnering aan zijn vader. Het oudste document in het dossier dateert van 12 november 1920. Hierin verstrekte mijn grootvader enkele persoonlijk gegevens zoals zijn  geboortedatum, naam van zijn echtgenote, stamnummer enz… Op dit formulier staat ook te lezen dat hij krijgsgevangen werd genomen op 7 oktober 1914 en dit bleef tot 31 december 1918.

Dit formulier is met vrij grote zekerheid het eerste dat mijn grootvader verstuurde. Het was gericht aan het « Strijdersfonds » in de Wetstraat nr.2 te Brussel. In de hoofding van het formulier staat o.a. te lezen :  « Vragenlijst betrekkelijk het vaststellen der rechten van den strijder op het voordeel der wet van 25 augustus 1920, die een blijk van dankbaarheid toekent aan de militairen van den oorlog 1914-1918 ». Mijn grootvader kon toen niet vermoeden dat de « blijk van dankbaarheid » nog héél lang op zich zou laten wachten. Hijzelf zou de uitkomst nooit vernemen.

In een vrij summier document dat vanuit Namen werd verstuurd op 10 september 1921 staat te lezen :  « Accordé zéro chevrons de front ». Zijn aanvraag tot het bekomen van een frontstreep was dus duidelijk negatief beoordeeld. In datzelfde document vond ik ook een vrij onopvallende kribbel waaruit bleek dat mijn grootvader nooit  het oorlogskruis heeft ontvangen. Dit was althans het geval op 10 september 1921. Mogelijk heeft hij het oorlogskruis later nog ontvangen. Het dossier onthult hierover verder niets. In een nota van het Ministerie der Landsverdediging gericht aan het Strijdersfonds op 15  december 1921,  staat o.a. dat mijn grootvader op 16 april 1893 werd geboren te Bremdonck(dit moet Breendonk zijn). Hij maakte deel uit van het negende linie, bracht drie maanden aan het front door en 49 maanden achter het front. Er staat dus niet dat hij krijgsgevangene was gedurende 49 maanden.

We maken nu een sprong in de tijd want het eerstvolgende document werd op 2 juli 1937 verstuurd. Mijn grootvader was tewerkgesteld als schrijnwerker bij de N.M.B.S.(Belgische spoorwegen). Die verstuurden een brief naar het departement van landsverdediging waarin zij vroegen naar de staat van de toekenning der frontstrepen « in zake het burgerlijk pensioen ». Het antwoord hierover is niet bekend. Op 21 maart 1938 moet er terug een brief verstuurd zijn t.a.v. de Minister van landsverdediging. Dit wordt althans vermeld op een nieuwe vragenlijst die mijn grootvader toegestuurd kreeg.

Uit deze lijst blijkt de frustratie van mijn grootvader die begrijpelijk zijn ongeduld begon te verliezen . Bij de vraag « gelief al de dokumenten bij te voegen die gij verzamelen kunt om de echtheid uwer verklaringen te bewijzen : attestaties uwer oversten of van getuigen…. », repliceerde hij: « Is het dan nog verplicht om bij al deze gegevens nog andere te voegen of is het er om te doen ons nog langer om den tuin te lijden ». Of hij « lijden » opzettelijk zo schreef  is mij niet bekend, het zou in elk geval spitsvondig geweest zijn.


 

Ik vermoed in elk geval dat deze repliek niet in zijn voordeel heeft gepleit. Op deze vragenlijst vernam ik wel voor het eerst de omstandigheden waarin mijn grootvader krijgsgevangen werd genomen. Onder de vraag « naam uwer oversten(officieren en onder-officieren) onder wier bevelen gij stond op het oogenblik uwer gevangenneming » antwoordde mijn grootvader het volgende : «  den bevelhebber was slechts 2 dagen in de cie, ken zijn naam niet. Te Duffel omtrent het papierfabrik met korporaal Verhoeven in datum van 7 october 1914 van 6 op 7 in den morgend krijgsgevangen genomen op de wacht. Krijgsgevangen genomen met Korporaal Verhoeven en nog 6 man waarvan ik de namen niet ken, allen van het 9de linie ».  

Het antwoord liet niet lang op zich wachten. Reeds op 20 mei 1938 verstuurde Kolonel Lebert, voorziter der commissie n°3 een antwoord,  vergezeld van dezelfde vragenlijst die mijn grootvader was vergeten te ondertekenen. Als gevolg van zijn blijk van ergernis wees de kolonel hem op het reglement waaraan moest voldaan worden teneinde frontstrepen te kunnen bekomen. Hierin werd geïnsinueerd dat mijn grootvader zich niet voldoende zou verzet hebben toen hij krijgsgevangen werd genomen tenzij hij met harde bewijzen het tegendeel kon staven. Ik citeer : « naar aanleiding van Uwe onbetamelijke vraag houd ik er aan Uwe bijzondere aandacht te trekken op het hieronderstaande uittreksel van de wet van 2 juli 1932 betreffende het verleenen van frontstrepen. UITTREKSEL. Artiekel 1-h, de militairen die gedurende eene krijgsverrichting van eene samengestelde eenheid of deel van eenheid ongekwetst in handen van den vijand zijn gevallen hebben recht op de bij hunne gevangenneming loopende streep, voor zoover zij onweerlegbaar bewijzen dat zij, vooraleer in ‘s vijands handen te vallen, al de te hunner beschikking gestelde verdedigingsmiddelen hebben uitgeput ».


 

Als gevolg van dit antwoord ging mijn grootvader naarstig op zoek naar de gevraagde bewijzen. Dit bleek niet zo evidend te zijn waardoor hij op 7 juli 1938 een herinneringsbrief ontving waarin hem een laatste kans werd geboden om de vragenlijst binnen de dertig dagen te bezorgen. Zo niet zou zijn zaak geklasseerd en afgesloten worden. Hij ging ten rade bij de Nationale Strijdersbond(afdeling Londerzeel St.-Jozef). Die verstuurden op 14 juli 1938 in zijn naam een brief aan het hoofd van het 9de lineregiment met de vraag zo snel mogelijk de gevraagde bewijzen te bezorgen. Was het een bewuste administratieve fout ? Feit is dat de gevraagde bewijzen op 19 juli 1938 werden bezorgd maar wel met een grove fout waardoor ze waardeloos bleken te zijn.


 

Volgens het hoofd van het 9de linieregiment stond in het stamboek van mijn grootvader opgetekend dat hij op 6 augustus 1914 krijgsgevangen werd genomen i.p.v. 7 oktober 1914. Tevens stond er te lezen : «  officieren die WAARSCHIJNLIJK in deze eenheid tegenwoordig waren ; Kapitein Lormier ». Pogingen om de bewuste kapitein te vinden bleken van nutteloze aard te zijn. Een schrijven hiervoor aan de « Abdij van ter Kameren » bleef zonder gevolg. Alle hoop bleek verloren te zijn maar ex-korporaal Verhoeven slaagde er letterlijk en figuurlijk in om op 25 juli 1938 het licht in de duisternis te laten schijnen. Omer Henri Verhoeven, woonachtig in Sint-Lambrechts-Woluwe, was namelijk na de oorlog een zaak begonnen in « Lustrerie et tous appareils électro-ménagers »

 

Onder deze hoofding leverde hij een verklaring af die de beweringen van mijn grootvader bevestigden. Hij schreef o.a.  dat zij zich op de ochtend van 7 oktober 1914 aan de oevers van de Nete bevonden tussen de spoorweg en het kerkhof toen zij plots omsingeld werden door de Duitsers en er niets anders restte dan hun overgave. Opmerkelijk is dat er op deze brief in potlood werd geschreven dat er aan korporaal Verhoeven op 25 juli 1934 een frontstreep was toegekend. Deze verklaring zou uiteindelijk de doorslag geven maar de tweede wereldbrand stond reeds voor de deur en de administratieve molen maalt zoals bekend zeer traag.

Op 26 november 1956 werd de felbegeerde frontstreep toegekend. Mijn grootvader heeft het niet meer mogen meemaken want hij overleed op 22 december 1941 in het ziekenhuis te Mechelen na een maagoperatie. Volgens zijn zonen was dit een gevolg van de ontberingen die hij had doorstaan tijdens zijn gevangenschap   



Verlinden  


Frans Hendrik Verlinden ° Breendonk 16 april 1893 + Mechelen 22 december 1941. Frans staat rechts op de foto, voor hem op de stoel zijn echtgenote Coleta Lauwers(°Londerzeel 30 juni 1896 + Londerzeel 11 augustus 1983) Frans was de zoon van beenhouwer Ferdinand en Philomena Smets. 

         

02-12-07

Goeman Julien

 Overgrootvader van Jan Elbers uit Wilrijk

Geboren in Brussel is Julien eerst als voertuiggarnierder à [ garniseur de voiture] aan de kost gekomen. Heeft op 7 september 1883 op 16 jarige leeftijd dienst genomen als beroepsmilitair. Hij krijgt: N°. de Matricule: 40546. Maakte de volgende carrièrestappen:
  •  Op 12 november 1883 wordt hij korporaal.
  •  Op 6 april 1885 wordt hij sergeant.
  •  Op 9 januari 1886 wordt hij voor 1 jaar ingedeeld bij het Regiment des Carabinieres, waar hij de schermschool volgt. = (ecóle d' éscrime = school voor schermkunst)
  •  In januari 1887 voegt  hij zich terug bij het 5de Linie Regiment. 
  •  Op 3 april 1887 wordt hij 1ste sergeant. Krijgt tevens een eerste chevron (streep) vanwege zijn anciënniteit.
  •  In januari 1891 wordt Julien terug voor 1 jaar toegevoegd bij het Regiment des Carabinieres om zijn schermlessen te vervolledigen zodat hij zelf lesgever kan worden. = (ecóle d' éscrime = school voor schermkunst).
  •  In januari 1892 vervoegt hij terug het 5de Linie Regiment.
  •  December 1894 Julien ontvangt het "Decoration Militaire" 2de klasse voor zijn goede staat van dienst.
  •  December 1899 Julien ontvangt het "Decoration Militaire" 1ste klasse voor zijn goede staat van dienst.
  •  Op 19 juli 1900 wordt hij tot sergeant-majoor bevorderd.
  •  Ontvangt op 4 december 1905 bij Koninklijk Besluit n°: 15335 de "Medaille Complementair" du Règne S.M. Leopold II.
  •  1913 slaagt in de bijkomende cursus: arme nouveau "les mitrailleurs".
  •  11 november 1914 wordt ingedeeld bij de 1ste compagnie van de 2de Brigade divisie van het 25ste Linie Regiment.
  •  Ontvangt op 31 maart 1917 de medaille: "Chevalier de l'ordre de Leopold II".
  •  Is tussen 13 september 1917 en 2 juni 1918 C.I.M. "Militair Instructeur" bij de volgende compagnies: 5de Cie. en 6de Cie. van het 2de bataljon, 3de Cie. en peletons 4. 5. 6. der 2de compagnie van het 1ste bataljon. 
  •  Op 4 november 1918 wordt hij vermeld in de annalen van het "Corps des P.G." (Corps aux Pieds de Geurre  korps op voet van oorlog).
  •  Op 9 november 1918 twee dagen voor het einde van W.O. I, wordt hij ingedeeld bij de administratietroepen van de gezondheidsdiensten van het militair hospitaal St. Anna te Brugge.
  •  10 april 1919, komt aan te Antwerpen, wordt er los ingedeeld maar weer bij het "oude" P.G. .
  •  Vervoegt op 13 juli 1919 de 8ste Cie. van het 5de Linie Regiment.
  •  Ontvangt 1- : la medaille "De La Victoire" op 22 september 1919.
  •  Ontvangt 2- : "Le Medaille Commémorative De La Geurre 1914 - 1918" op 22 september 1919.
  •  Mag vanaf 20 februari 1921 (wet van 29 augustus 1919) twee bijkomende - chevrons - frontstrepen dragen. 
  •  Ontvangt het Ereteken van de IJzer op 12 mei 1921.
  •  Bevordert als Adjudant op 29 april 1924.
  •  Wordt op 11 december 1924 "Chevalier de l'ordre de La Couronne" ofte "Ridder in de Kroonorde".
    [ K.B. 19313 staatsblad n°: 37 pagina 10] 

 Gaat op pensioen na 42 jaar militaire dienst op 4 februari 1925.

goeman1
 

Julien Goeman op 33 jarige leeftijd. Foto ter gelegenheid bevordering naar sergeant - majoor

 

 

 

 

 

 


goeman2
Een stuk eigenhandig geschreven CV  (1922) door Julien,  naar aanleiding van z'n aanvraag voor bevordering  tot  Adjudant

goeman3   
 Ontvangstbewijs voor het reeds ontvangen "Ereteken van de IJzer" in 1921     

goeman4
Gedeeltelijk uitreksel ( data  van bijtekening) van het persoonlijk dossier van Julien, nu Adjudant.    
 
 
 
 
 
 
 

 
 
 

goeman5

Toezegging van het pensioenbedrag. Bijvoegsel: toezegging medaille "Ridder in de Kroonorde".

 

 

 

 

 


 goeman6 

Aanvraag voor zijn "VUURKAART" als oud-strijder bij de verbroedering der 5de, 15de en 25ste Linie Regimenten.

08:48 Gepost door Marc in militairen | Permalink | Commentaren (5) | Tags: goeman, brussel, wereldoorlog i |  Facebook |