29-01-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel I)

De Willebroekenaar, korporaal Frans Amelinckx, nam mede het initiatief om het frontblaadje "Willebroeck aan 't front" te stichten. De bedoeling was het thuisfront in te lichten over het lot en belevenissen van de Willebroekenaars.  Hij beschreef er zijn wedervaren tijdens WOI tot in de kleinste details. Niet enkel de oorlogsgruwel komt aan bod maar ook de zeldzame "plezierige" momenten die hij beleefde met zijn strijdmakkers. Het is een boeiend verhaal geworden dat het frontleven van onze Belgische jongens op een unieke wijze weergeeft. Het verhaal zal hier in diverse afleveringen gepubliceerd worden. Frans Amelinckx kwam hier eerder reeds aan bod. Op volgende link kan je van hem enkele foto's vinden:  http://degrooteoorlog.skynetblogs.be/tag/1/Bulskamp


1 augustus 1914, algemene mobilisatie. Al de reservetroepen van het leger tot de klasse 1899, werden onder de wapens geroepen.

Het regimentsdepot van het 5e linieregiment, waartoe ik behoorde, was te Schelle (St. Bernard), bij Hemiksem. Vóór 12 uur moest men zich in het depot melden om niet gestraft te worden voor telaatkoming.

Na de middag, zonder eerst te eten hebben gekregen, naar het depot om de plunjezak, waarin de nodige uitrustingsstukken zich bevonden, te halen en naar buiten brengen om op de weide in rijen te rangschikken. Iedere soldaat moest bij die zak blijven staan om verdere bevelen af te wachten.

Het toeval wilde dat de officier die het bevel voerde, de onderluitenant Van Dromme was, die mijn pelotonoverste was tijdens mijn normale dienst als militiaan. Vernoemde luitenant kreeg mij te pakken en zegde, korporaal Amelinckx  U zijt de oudste gegradeerde van deze kompagnie en U moet bijgevolg het bevel voeren over uwe kompagnie, die ongeveer uit zowat tweehonderd manschappen bestond.

Ik bezag de officier en vroeg lachend, luitenant U wilt toch niet met mij de spot drijven? Integendeel zegde de officier het is zeer ernstig wat ik U beveel en zal u de nodige uitleg geven wat de soldaten dient voorgehouden. Hij ging met mij enkele stappen zijwaarts en begon uit te leggen dat de soldaten het niet te plezierig moesten opnemen want dat de oorlog hard en lang zou kunnen duren.

Het zal geen eenvoudige bewaking van de landsgrenzen zijn zoals in 1870. Daarna zegde hij mij de soldaten aan te raden hun reglementaire uitrusting aan te trekken;vooral de legerschoenen te verwisselen met hun burgerschoenen, want daar zullen ze het eerst moeilijkheden van ondervinden. Wanneer ik die aanbeveling van de luitenant woordelijk aan de soldaten voorzegde, begonnen de meesten te lachten en zegde wat komt U ons vertellen!

Ik trok een ernstig gezicht en zegde op strengere toon, lacht maar, ik doe wat de luitenant gezegd heeft en ik hoop dat allen mijn voorbeeld zullen volgen. Enkelen, volgden mijn voorbeeld, maar de meeste behielden hun burgerschoenen aan de voeten. Ik maakte nog een laatste opmerking met te verklaren dat diegene die hun burgerschoenen binnen enkele weken zouden versleten zijn, niet moesten komen klagen over de sleet van hun schoenen want dat ik hun het verwijt naar het hoofd zou slingeren dat het hun eigen schuld was met naar goede raad en voorbeeld niet te luisteren.

Dezelfde avond werden we gekantonneerd in de schuur van het eerste huis over de spoorweg (halte Schelle) van Antwerpenuid naar Dendermonde. Het graan was maar enkele dagen tevoren binnengehaald en daarop moesten de soldaten slapen. Maar wat gesakker in de nacht omdat ze voortdurend bebeten werden door allerlei ongedierte, vooral van oorwormen en spinnen, en geen oog konden toedoen. Ik wist dat bij ondervindning, en daarom bleef ik liever in de keuken van de pachter zitten. Ik had trouwens andere zorgen om aan eten en drinken te geraken.

Bij het gesprek met de luitenant had ik ook gevraagd op welke manier er diende gehandeld om aan eten en drank te geraken voor de soldaten. De luitenant antwoordde: "vandaag moet ge uw plan trekken, maar morgen zult ge vlees en brood krijgen van het leger". En drank? Daarvoor moet ge ook uw plan trekken voor de enkele dagen dat ge hier te Schelle zult vertoeven. En voor de koffiebonen moet ge maar een opeisingsbon schrijven. Er stond niets anders te doen dan onmiddellijk een opeisingsbon maken voor 15 kilo's koffiebonen.

In de winkel waar ik de bon aanbood was men er niet gaarne bij omdat de voorraad koffie reeds grotendeels opgekocht werd door de amsterende bevolking. Ik was verplicht te dreigen met de politie om bediend te worden. Ik kreeg dus de koffiebonen, maar ongemalen. Noodgedwongen heb ik dan de koffiemolen van de bewoners van het huis in bruikleen moeten vragen, die mij spontaan gegeven werd. Nu kon ik beginnen met malen. De koffiemolen maalde zo fijn dat ik uren aaneen heb moeten malen om alles fijn te krijgen. Het was bijna morgen alvorens ik kon beginnen met koffie te zetten, daarbij geholpen door een oude kok. Het was misschien de enige kompagnie te Schelle waar de soldaten verse koffie konden drinken door eigen middelen bereid en voldoende om hun veldflessen te vullen, wat zeer van pas kwam tijdens de lange marche die moest afgelegd worden bij zulk warm weder.

Op 4 augustus kregen we bevel ons naar Kontich te begeven, langs de steenweg Schelle-Hemiksem-Kontich.

De commentaren zijn gesloten.