23-02-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel VII)

7e oktober

De kompagnie krijgt bevel naar Hemiksem op te trekken. Wij bevonden ons aan de overweg, aan de halte (Hemiksem-Werkhuizen), toen het bevel gegeven werd naar Antwerpen terug te keren. De Duitsers waren op dat ogenblik reeds tot Hemiksem doorgedrongen ; aan het wild blaffen van de honden kon men dat vermoeden. De aftocht was ellendig om te aanzien, al de petroltanken (ketels) stonden in brand, zelfs een stapel tonnen, gevuld met petroleum werden ook aangestoken. Zonder spreken vervolgden wij onze terugweg naar Antwerpen, langs het Kiel, Montignystraat, Scheldestraat, langsheen de schelde-kaaien tot aan de Steenplaats. Onder de afdaken wa­ren plunderaars volop aan gang, zodat de tussenkomst van de Gendarmen nodig was. Aan de pontonbrug over de Schelde, gelegd door de ponteniers, moest eerst de artillerie de overgang maken en daarna het voetvolk.

Eenmaal op de linkeroever van de Schelde was het een droevig schouwspel om te aanzien hoeveel bran­den er in de stad gesticht werden door het bombar­deren, het leek of de hele stad in brand stond. Van op het Vlaams-hoofd (St. Anneke) werd dan de aftocht aangevangen over Zwijndrecht, Melsele, Beveren-Waas, Vrasene, St. Gillis-Waas, Kemzeke, Stekene, Moerbeke-Waas. Het was een martelgang voor de soldaten, en bovendien erg ontmoedigend bij het zien van al die ellende bij de vluchtende burgerbevolking.

Wie zoiets zag kan dit nooit vergeten.

Te Sint-Gillis-Waas had ik een goede kennis wonen, en aangezien we aldaar bij het Marktplein enkele minuten rust kregen, maakte ik daarvan gebruik om die kennis eens goeden dag te zeggen. Op het Markt­plein stonden nog enkele tafels, en op één daarvan stonden nog twee gevulde flessen; tien grote en een andere (kleine). De ene was een volle champagnefles en de andere met een soort likeur? Aangezien ik mijn vriend Jules ook wilde laten proeven vroeg ik of ik de champagne kon krijgen, maar dit werd mij ge­weigerd omdat ik alleen was. Ik kreeg dan toch het kleine flesje met likeur. Daarna wilde ik mijn kennis een bezoek brengen, maar deze waren reeds gevlucht naar de Kling (Nederlandse grens). Ik keerde terug naar de plaats alwaar ik de kompagnie verlaten had, maar deze was reeds vertrokken.

Ik haastte mij om de kompagnie in te halen en zag onderweg iemand op de kant van de gracht langs de weg liggen. Ik keek nadertoe en verbaast zag ik dat het mijn vriend Jules was, totaal uitgeput, en zei niet verder te kunnen gaan. Ik zegde Jules ge moet kost wat kost mee of ge zijt krijgsgevangen. Ik zette de Jules overeind en nam mijn flesje likeur. Ik liet de Jules alleen de ganse inhoud van het flesje uitdrinken ; het was zulk een sterke stimulant dat de Jules ervan opsprong en zegde, allé Frans nu zal het wel gaan, en het ging. De Jules heeft al meermaals herhaald dat ik hem van krijgsgevangenschap redde.

De verdedigers van de fortengordel van Antwerpen waren afgesloten van het veldleger, en er bleef hun geen andere kans dan zich krijgsgevangen te laten nemen, of de nederlandse grens over te steken en zich te laten interneren; dit laatste verkozen de meeste die niet meer weg konden.

Op 11 oktober hield de 2e legerafdeling halt vóór het dorp Moerbeke om de uitgeputte soldaten wat rust te geven. Geen half uur ging voorbij of men riep opstaan (debout), de vijand is in aantocht ! Inderdaad, onmiddellijk daarop werd het dorp Moerbeke bescho­ten door de vijandelijke kanonnen. Het eerste schot trof het kanon, dat op onze kompagnie volgde, en doodde twee paarden. De kompagnie van het 5e linieregiment vóór ons uit Antwerpen vertrokken, lag nog te rusten in het dorp Moerbeke. Er werd "sauve qui peut., redde zich wie kan., geroepen. Het werd een geharrewar van soldaten met de vluchtelingen om zich niet door de vijand krijgsgevangen te laten nemen. Het is daar dat vele soldaten de grens zijn overgestoken en zich lieten interneren In Nederland.

Van Moerbeke over Wachtebeke naar Zelzate. Te Wachtebeke werden we niet beschoten en bereikten zonder verdere tegenstand Zelzate. Te Eeklo werden de soldaten, per trein, naar Veurne gevoerd. Te Veurne eerste kantonnement in het prison (gevan­genis), er was geen enkel ander logement beschik­baar. Enkele dagen daarna, in volle vaart, naar de IJzer, bij Nieuwpoort, om er langsheen de dijken van de IJzer loopgrachten te graven.

20-02-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel VI)

25e september

De brigade krijgt bevel de tussenruimten van het fort van Koningshooikt met de redoute van Tallaert, in eerste lijn, te bezetten. De twee eerste dagen was het er kalm en terwijl we in de loopgrachten uitkeken, om niet bij verrassing aangevallen te worden, zagen wij in de nacht de kerktoren van Koningshooikt in volle vuur ; een enig schouwspel van vuurwerk. Het gaf ons het voordeel dat het oorlogsveld er min of meer door verlicht werd, en waardoor we gemakkelijker het over en weer lopen van de Duitsers konden nagaan. Mis­schien heeft dit felt menige vijand het leven gekost, want er werd duchtig op geschoten.

2e oktober werd bevel gegeven dat de brigade zich achter de Nete moest terugtrekken. Op een brug ge­legd door de Genie, werd de overtocht van de Nete en de daarnaast liggende overstroomde weiden, ondernomen, om op de noordelijke oever van de Nete  loopgrachten te graven.

De brigade werd afgelost door een regiment vestings­troepen en ging kantonneren te Boechout.

Bij de aankomst in het dorp vond de kompagnie geen onderkomen meer, alles was reeds bezet, uitge­zonderd de villa van een Duitse artillerie-kommandant.

Dit huis was als verlaten, deuren en vensters afge­sloten. Men deed dit de kommandant van de kompag­nie opmerken en deze gaf onmiddellijk bevel de deu­ren open te breken en de soldaten gingen naar bin­nen. Men kan zich voorstellen wat er zoal gebeurde in het huis van een vijand ! Vooreerst werd de wijnkelder en provisiekelder aangepakt, en daarna het over­blijvende. De piano en de familieportretten moesten er ook aan geloven. Eindelijk kon ik met veel moeite de mannen tot bedaren brengen, en legde deze zich te rusten. De morgen daarop vroeg opstaan, en in de rangen om te vertrekken naar het fort van Broechem. Of de Duitse artillerie-kommandant door spionnen verwittigd werd over wat in zijn woning te Boechout gebeurde, weet ik niet, maar door het feit dat wanneer de man­nen van de kompagnie nog geen vijf minuten het huis verlaten hadden, en slechts op 100 meter vandaar in de rij stonden om te vertrekken, een zware obus op het verlaten huis kwam, was verdacht. Misschien was het de eigenaar-artilleur. zelf, die zijn woning be­schoot om de indringers te bestraffen, maar hij was vijf minuten te laat om wraak te nemen.

broechem


Fort van Broechem
Bron: http://www.fortweb.net/photos/antwerp/broechem.htm

Op 6 oktober zet de brigade zich in beweging, gaat de stad Ant­werpen door om op het Kiel te kantonneren. Onze kompagnie nam haar intrek in de cinema "Nova" aan de Abdijstraat.

07-02-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel V)

Belegering van Antwerpen

Tijdens die rustperiode werd het 5e linieregiment met het 26e linieregiment samengevoegd en de drie Bataillons, bestaande uit vier kompagnie's werden herleidt tot twee Bataillons van drie kompagnie's.

Het 25e linieregiment bestond dus niet meer.

Ik werd bij de eerste kompagnie van het 5e linie­regiment, bij kommandant Vaesens, ingedeeld. De meeste officieren waren gesneuveld, gekwetst of krijgsgevangen genomen, en om die leemte aan te vullen werden beroeps-onderofficieren tot luitenant bevorderd ; zelfs brigadiers bij de Gendarmerie wer­den tot onderluitenant benoemd.

Tot 24 september 1914 bleef de brigade in hetzelfde kantonnement, en op 25 september werd de kompagnie te Aartselaar gekantonneerd.

Op 27 september 1914, vertrekt de brigade naar Mechelen voor een derde uitval. In de nacht van 27e en 28e september kantonneerde we te Walem.

In de vroege morgen richtte de brigade, in versnelde pas, zich naar Mechelen onder de beschieting van kartetvuur van kannonnen. Onze kompagnie had als opdracht de richting van het spoorstation van Meche­len en de daarnaast liggende Leuvensevaart. De Duit­sers hadden stelling genomen in de driehoek gevormd door de spoorwegdam van de lijn Brussel-Mechelen, de spoorwegdam van de lijn Mechelen-Dendermonde. en achter de Leuvensevaart. In die driehoek, in een park, stond het gebouw van het .Instituut Coloma , met een hoog verheven torentje. De Duitsers hadden machinegeweren in dit torentje geinstalleerd, en van daaruit beschoten ze de sporen van de spoorweg en het station zelf. Die beschieting was zo hevig dat alle vooruitgang onmogelijk was ; wij moesten noodge­dwongen ons terugtrekken.

coloma


Het Coloma instituut met het "hoog verheven" torentje.

De kompagnie trok zich terug langs de straten van Mechelen om stelling te nemen vóór het fort van Walem. Terwijl we aldaar loopgrachten aan 't graven waren begon de beschie­ting van het fort van Walem met artillerie, met projec­tielen van 380 millimeter diameter. Die kanonnen stonden opgesteld nabij Vilvoorde, en stonden onder bevel van Generaal Von Besseler; dus buiten het bereik van de kanonnen van onze forten. Het eerste schot dat gelost werd was een verrassing voor ieder­een, zowel voor de officieren als soldaten. De lucht­verplaatsing door die zware projectielen van ± 1000 kgr., was zo sterk dat het getuid dat ze veroor­zaakte dat van een trein die in aantocht was geleek, en de spotters het een traineblok (bloktrein) noemde.

De uitwerking ervan was verschrikkelijk, en een der eerste van die zware projectielen kwam op de grote koepel van het fort terecht, waardoor deze ingedrukt werd en de bemanning van de koepel onder het puin begraven werd. De wachtmeester die in die koepel het bevel voerde, was mijn schoolkameraad Fr. Robrechts, uit Korbeek-Lo, deze was ook bij de slacht­offers. Die slachtoffers werden, tot hiertoe niet van onder het puin gehaald, men heeft niet beter gevonden dan ze onder het puin te laten liggen en er een monu­ment op te plaatsen, Achteraf vernam ik van een kameraad, ontsnapt uit het fort, dat de beschieting van het fort door de Duitsers, onafgebroken voort­gezet werd. Verschillende stormlopen werden door de vijand ondernomen maar steeds afgeslagen, tot men vernam dat de Duitsers het met hun ruiterij zouden beproeven. Een franse officier die als raads­man op het fort vertoefde bedacht een oorlogslist. Hij deed een grote partij stro in brand steken op de koer van het fort, dat een hoge vlam deed oplaaien. De Duitsers werden daardoor in de waan gebracht dat het fort in brand geschoten werd, en daardoor waag­den ze de stormloop met hun ruiterij. Maar intussentijd waren verschillende machinegeweren in stelling ge­bracht, in afwachting dat men de bestormers zou kunnen neerkogelen. De Duitsers kwamen in charge aangelopen en de machinegeweren begonnen met vol­le kracht te vuren, wat honderden ruiters het leven kostte en zonder resultaat, voor de vijand.

Bevel werd gegeven dat de kompagnie zich moest terugtrekken om zich naar Duffel te begeven ; wij werden in de papierfabriek, gelegen aan de Nete, ge­kantonneerd.



geschutskoepel Walem


Duitsers op de overblijfselen van een geschutskoepel

01-02-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel IV)

12e september- slag aan Rotselaar-molen

Het bataillon van Majoor Tielemans zou het gehucht Rotselaar-molen trachten te veroveren. De stenen brug over de Dijle was aldaar zeer smal en het ganse Bataillon moest daarover om de molen, die op het zogezegde eiland in de Dijle stond, te veroveren. Het is makkelijk te begrijpen dat in looppas die smalle brug oversteken door een bataillon niet van een leien dakje verliep, temeer dat de soldaten de bajonet op het geweer hadden om de stormloop in te zetten.

Na veel moeite, door stoten en duwen, geraakten allen aan de overzijde van de Dijle, maar men stuitte op een verwoede tegenaanval van de Duitsers zodat het Bataillon moest wijken. Nochtans werden de mannen opgejaagd door Majoor Tielemans, met de revolver in de hand, en voortdurend roepend stand te houden. tot hij dodelijk gekwetst werd. Plotseling hoorde men een zware ontploffing en men riep, de brug is ge­sprongen, waardoor de terugweg afgesloten werd, zo dacht men. Men kan zich voorstellen welke verwarring er ontstond ziende dat de vijand aanstormde en menende dat de terugweg afgesneden werd door het springen van de brug over de Dijle ? Maar het sprin­gen van de brug was een vals alarm ; het was de afdamming in de Dijle, om een regelmatige waterstand voor de molen te behouden, die gesprongen was.

Door een 3 a 4 meter verschil van waterpeil van vóór de dam met het normaal peil van de Dijle, ontstond er zo een sterke vloedgolf. dat geen zwemmer er kon doorgeraken. Deze die het toch waagden ver­dronken; vandaar dat er daar zoveel verdronken omdat ze de overkant van de rivier niet konden be­reiken. Ik die niet zwemmen kon zou mij krijgsge­vangen moeten geven, maar alvorens dit te doen liep ik in de richting van de brug om te zien of ik op de ene of andere manier over de brokstukken de Dijle zou kunnen oversteken. Mijn verbazing was groot toen ik zag dat de brug niet gesprongen, maar wel de afdamming bij de molen in de lucht gevlogen was. Ik zet het op een lopen, spring in enkele passen over de brug, liep verder en na 200 meter gelopen te hebben hoorde ik halt roepen en bemerkte ik dat het de vaanderig van het regiment was die zich achter de gevel van het eerste huis verscholen had, met de vlag in de hand ; hij was niet over de brug geweest.

Ik riep luitenant laat ons maken dat we hier weg­komen, want de Duitsers zijn reeds tot aan de brug doorgedrongen ! Beiden liepen we zo hard we konden om weg te komen en ik moest me weren om de vaan­derig bij te houden ; hij kon vlugger lopen dan ik.

Dank door het feit dat ik niet zwemmen kon, redde ik, toevallig, de luitenant en het regimentsvaandel.

Na da slag aan Rotselaar-molen, werd de aftocht inge­zet naar Lier en het 25e linieregiment werd te Wommelgem gekantonneerd.


rotselaar-molen-1902


De molen in 1902
Foto: Molen echos