16-04-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel XIV)

Van 9 tot 16 december is het regiment met rust te Adinkerke.
De 17e
 december is het regiment als reserve te Wulpen.

De 19e december begeeft het regiment zich naar Nieuwpoort, ter beschikking van de Franse generaal Castang en bezet de rechteroever van de IJser.

De 22e november gaan we kantonneren te Wulpen. Bij het vertrek werd een Frans paard (Pik), dat in een weide te grazen stond, medegenomen en voor een driewielkar gespannen. Die driewielkar was achtergelaten door een gevluchte boer. Van dat ogenblik af beschikte de kompagnie over gerij om het keukengerief te vervoeren. Jules was niet weinig in zijn nopjes want voordien bestond de post doe moest zorgen voor inkwartiering uit: de fourier, twee of drie soldaten, die dienst deden als kok. Dit personeel moest zich verplaatsen per rijwiel en als bagage een zakje koffiebonen, zout, enkele messen, twee grote vorken, en een grote soeplepel (louche); dit was alles. Dit gestolen paard (Pik) was een cavaelerie-paard en tijdens de rusturen diende Pik om te oefenen op de rijkunst. Soldaat Monseur was de ritmester en de Jules en ik beproefde ook, op beurt, van te leren rijden. Spijtig voor de Jules, zijn benen waren tekort om zich stevig op de rug van het paard recht te houden, wat hem meermaals op de grond deed vallen.  De ritmeester beweerde dat de Jules het als Jockey zou moeten beproeven gezien zijn lichte lichaamsbouw.

Wanneer de voorwacht ter plaatse kwam moest men op zoek gaan naar aardappelen; vlees en brood werd door de bevoorradingsdienst van het leger ter plaatse gebracht, maar men moest tegen wachten kunnen.

De 23e december vertrekken we met grote rust naar Houtem waar de kompagnie ingekwartierd werd tot 10 januari 1915. Tijdens deze grote rustperiode plande ik een feestje dat op 25 december (Kerstmis) zou plaats grijpen voor de vier Willebroekenaren van de kompagnie n.m. Jules Van den Bossche, Jan Haems, Henri Troch en ik zelf. Het zou een konijnengerecht zijn (keunen bachten den ijzer genaamd). Ik moest de konijnen kopen bij de boerin bij wie de Jules ingekwartierd was. Ik logeerde in een andere hoeve. Ik kocht twee vette konijnen bij Trees een oude jonge dochter, en begon onmiddellijk de konijnen te doden en te villen, wat Trees zó barbaars vond dat ze aan de Jules zei "die koninnenstripper komt bij mij niet meer binnen".

Trees dacht zeker dat men konijnen met haar en vel gereed maakte om op te eten! Bespottelijk hoe achterlijk dat die mensen aldaar nog waren; men kon aldaar geen braadpan om paardenvlees te braden, bekomen!

Op Kerstdag, na smakelijk gegeten te hebben, lieten we een gezamenlijke foto van de groep maken, foto die ik nu nog in mijn bezit heb. Aan Trees zond ik kop en staart  om de slachting in herinnering te brengen, van haar geliefde konijnen. 



willebroekenaren

De commentaren zijn gesloten.