09-12-07

Beulens Cornelius Franciscus

Geboren op vrijdag 13 februari 1880 te Boom (soldaat 2Kl. mil.1900/artil.verst.plaats Antwerpen), woonachtig te Hoboken, Krugerstraat 214. Cornelius overleed op dinsdag 30 mei 1916 te Harderwijk(NL) aan de gevolgen van tuberculose in het sanatorium "Sonnevanck" en er begraven.  Vervoegde het leger in: 1900

Cornelius huwde te Boom op 1 januari 1904 met naaister Irma De Smet (°Boom 14 augustus 1882). Hij was de zoon van Joannes Beulens die te Boom overleed op 13 december 1879, en Joanna Catharina Mampaey. Joanna werd te Boom geboren rond 1846 en overleed er op 21 april 1903. Zij was toen voor een tweede maal gehuwd met Frans De Paep. Op 17 september 1901 werd te Boom van Cornelius en Irma een dochter Bertha Catharina geboren die zij bij hun huwelijk erkenden.  Cornelius staat niet op het monument der gesneuvelden vermeld.

Het onderstaande fictieve verhaal, gebaseerd op Cornelius Franciscus Beulens, werd geschreven door Theo Bakker. Theo heeft een boek over het sanatorium te Harderwijk geschreven waar ook het onderstaande verhaal in staat. In dit sanatorium verbleven veel Belgen. Voor meer info over dit boek kan je terecht bij het Zorg-en kenniscentrum "Sonnevanck", Sonnevancklaan nr.2 te 3847 LC Harderwijk(NL),tel. 0031/341414942.

In een vreemd land...

Frans Buelens was een van de eerste Belgen die in Sonnevanck kwam kuren. Hij rust met bijna driehonderdvijftig lotgenoten op het Belgisch Militair Ereveld in Harderwijk, op begraafplaats Oostergaarde. Ze stierven aan de Spaanse Griep, aan de tering of gewoon van ellende. Ver weg van Hoboken en Antwerpen, waar hij woonde en als dokopzichter werkzaam was. Ver weg ook van zijn vrouw Irma en hun kinderen.

‘De laatste drie jaren waren een nachtmerrie, maar dan met één verschil. Dit was geen droom maar de werkelijkheid, erger dan iemand het ooit kan verzinnen. Het begon in 1914 met de mobilisatie. Het leven van mij en mijn gezin werd verstoord door de oproep om ‘onder de wapenen' te komen. Ik was niet de enige, want veel van de mannen waarmee ik in de haven van Antwerpen werkte, moesten ook. De oorlogsdreiging was groot en joeg ons, gewone mensen, veel schrik aan. Ons bestaan werd er ernstig door verstoord en het leger bood geen alternatief voor het betrekkelijk rustige leven dat we leidden. Oké, rijk waren we niet en het leven was hard, maar samen met Irma en de kinderen had ik het goed. De dreigende oorlog veranderde echter alles.

Ik werd opgeleid tot schutter. Niet dat het zoveel voorstelde, want het grootste gedeelte van mijn opleiding bestond uit marcheren en poetsen, maar ik had een geweer en mocht een enkele keer met losse flodders schieten.

Na mijn korte opleiding werd het ernst toen de Duitsers in augustus 1914 ons land binnenvielen. Samen met duizenden anderen moesten we Antwerpen verdedigen, maar voordat we werkelijk in actie konden komen was het al voorbij.

Na een vreselijk bombardement van de stad tekende de legerleiding de overgave en vluchtte het legerkorps naar Nederland. We dachten dat het daar beter zou zijn. We wisten niet dat Nederland ook een vijand was. In plaats van ons vrij te kunnen bewegen, werden we opgesloten. Eerst in het zuiden, later hoorden we dat we naar het noorden zouden gaan, naar Zeist of Amersfoort. We gingen eerst per trein naar Amersfoort waar we in een groot legerkamp werden gehuisvest. Na veertien dagen doelloos wachtten trokken we door naar Harderwijk, waar we met meer dan tienduizend man arriveerden.

Hoewel het oktober was, werden we gehuisvest in een tentenkamp op de hei. Ik maakte me zorgen hoe het thuis zou gaan. De verschrikkelijkste verhalen deden de ronde, maar echt nieuws was er niet. Het was alleen maar gissen en raden, niemand die het wist.

Op één uur lopen van het station stond ons kamp, de tenten lagen klaar om te worden opgezet. We sliepen met z'n zessen in een kleine tent die nog het meest op een indiaanse tipi leek. We hoopten dat het niet lang zou duren voordat we naar België konden terugkeren, maar de dagen verstreken. De dagen werden weken, de weken werden maanden en na de winter kwam het eerste voorjaar in een vreemd land. We moesten bouwen: grote houten barrakken namen de plaats in van de tenten.

In elke barak tweehonderdvijftig soldaten, zonder veel licht en ventilatie.

Kun je je voorstellen hoe het daar rook? In totaal waren er vijftig barrakken in het kamp en nog wat kleine gebouwen. Het kamp was afgesloten met prikkeldraad. Sporadisch mochten we er uit, maar ook dan was er weinig te beleven. Geld hadden we niet en de bevolking van Harderwijk bekeek ons alsof we wilde beesten waren.

Het eerste jaar in Holland verliep afschuwelijk. In de zomer van 1915 werd ik ziek, althans toen openbaarde zich de ziekte waar ik al langer last van had. Hoesten, vermoeidheid, koorts en gewichtsverlies. De dokter dacht aan tering.

Omdat er een sanatorium in de buurt was met plaatsen voor militairen mocht ik daarheen in plaats van naar de ziekenbarak. Sonnevanck heette dat sanatorium, het lag niet ver van ons kamp. Het was een verademing vergeleken met het kamp. Als het kamp de hel was, dan was Sonnevanck de hemel. We hadden er een klein paviljoen waar zo'n dertig militairen verbleven. Er waren voor mij drie belangrijke dingen in Sonnevanck. Ten eerste waren er vrouwen. Zusters die voor ons zorgden. Ze waren druk en streng, maar ook zorgzaam en goed. Maar bovenal waren het vrouwen. Ze deden me aan Irma denken, mijn eigen vrouw, met wie ik geen contact kon krijgen en waarvan ik niet wist hoe het met haar ging. Ten tweede was het er schoon en licht. Het was een andere wereld dan de bedompte en stinkende barak in het kamp die maar een paar kilometer verderop stond. Ten derde was er rust. Ik moest rusten en had een schoon bed. Het eten was er anders dan thuis, maar het was goed en meer dan voldoende. Roken was er niet meer bij en ook een pint kregen we daar niet. Het leven verliep rustig. Onderling spraken we over thuis en over de oorlog. Niets was zeker, we kregen bevestiging noch ontkenning.

Mijn ziekte verliep niet voorspoedig. Ondanks de betere omstandigheden, de therapie en de zorg bleef ik koorts houden. Ook viel ik af. Ik had chronische diarree en moest veel hoesten. Soms spuwde ik bloed. Mocht ik in het begin nog in het bos wandelen, nu lag ik de hele dag op bed.

Van tijd tot tijd kreeg ik bezoek van mijn kameraden. Een enkele keer kwam meneer pastoor vanuit het interneringskamp. Ik vroeg me in toenemende mate af wat de zin was van mijn bestaan. Er was niemand die daarop een antwoord kon geven. De pastoor niet, de dokter niet, mijn maten niet. Ik moest er maar in berusten, zeiden ze, maar dat kon ik niet en dat wilde ik ook niet. Mijn vrouw en kinderen waren ver weg, mijn eigen huis, ja, zelfs mijn land was onbereikbaar en ik twijfelde of ik het ooit terug zou zien. Hoe moest dat met mijn kinderen, leefden ze nog, wie zou voor ze zorgen? Mijn vrouw kon het niet alleen aan. Ik had er veel verdriet om.

Met mijn kameraden kon ik er niet over spreken. Waarom wist ik niet, maar ik durfde mijn angst niet te tonen. Op een dag kwam een van de zusters bij me zitten. Het was alsof ze alles begreep zonder dat ik haar iets hoefde te zeggen. Ze keek me aan en legde haar hand op mijn hand. Ze leek op de maagd Maria, een heilige bijna. Hoe het verder moest gaan wist ik niet, ik kon me alleen maar overgeven en afwachten. Misschien kwam het toch nog goed, al zou ik niet weten hoe. Die zuster wist het wel. Misschien door mijn hand vast te houden of door er alleen maar te zijn.'


zerk Beulens Joannes Baptist Harderwijk

Laatste rustplaats op de militaire begraafplaats "Oostergaarde" te Harderwijk.


tentenkamp Harderwijk
Tentenkamp te harderwijk


Harderwijk sanatorium hoofdgebouw

Hoofdgebouw van het sanatorium te Harderwijk.


Kerstefeest 1916 sanatorium Harderwijk
Kerstfeest 1916 in het sanatorium te Harderwijk.