14-08-09

Capelle Cyriel

Onderstaande info werd ingezonden door Martin Capelle uit Kortemark:

Mijn grootvader heeft eveneens gevochten tijdens WO I.
Dit was echter van korte duur, hij is krijgsgevangen genomen geweest op 08/08/1914 in Luik. Hij was soldaat bij het 3de regiment artillerie 2de groep 41ste batterij bij zijn gevangenneming. Dit volgens zijn schrijven in 1933 naar de Nationale strijdersbond.Volgens een schrijven van ene Kolonel Colot in mei 1934 zou hij behoord hebben tot 47 batterie montée, 14 brigade mixte.
 


Mil paspoort Cyriel

03-12-07

Verlinden Frans Hendrik

Grootvader van Marc Verlinden uit Boom 

Op 7 oktober 1914 werd mijn grootvader Frans Hendrik Verlinden krijgsgevangen genomen te Duffel. Hij zou de rest van de oorlog doorbrengen in Friedrichsfeld te Duitsland. Op 26 mei 1918 schreef hij een brief naar zijn zuster Marie in Frankrijk waarin hij zijn hoop uitdrukte om snel vrij te komen. Die hoop putte hij uit het gerucht dat er gevangenen zouden uitgewisseld worden. Toen hij uiteindelijk was teruggekeerd uit gevangenschap, waarvan de juiste datum niet bekend is, begon zijn persoonlijke strijd om de toekenning van een frontstreep.

Ik vond in zijn militair dossier diverse documenten die een polemiek van ca. dertig jaar behelzen. Jammer genoeg bevat het dossier ook diverse lacunes. Ik heb mijn grootvader hierover ook nooit iets kunnen vragen want hij overleed reeds in 1941. Mijn vader werd in 1936 geboren en heeft enkel nog een vage herinnering aan zijn vader. Het oudste document in het dossier dateert van 12 november 1920. Hierin verstrekte mijn grootvader enkele persoonlijk gegevens zoals zijn  geboortedatum, naam van zijn echtgenote, stamnummer enz… Op dit formulier staat ook te lezen dat hij krijgsgevangen werd genomen op 7 oktober 1914 en dit bleef tot 31 december 1918.

Dit formulier is met vrij grote zekerheid het eerste dat mijn grootvader verstuurde. Het was gericht aan het « Strijdersfonds » in de Wetstraat nr.2 te Brussel. In de hoofding van het formulier staat o.a. te lezen :  « Vragenlijst betrekkelijk het vaststellen der rechten van den strijder op het voordeel der wet van 25 augustus 1920, die een blijk van dankbaarheid toekent aan de militairen van den oorlog 1914-1918 ». Mijn grootvader kon toen niet vermoeden dat de « blijk van dankbaarheid » nog héél lang op zich zou laten wachten. Hijzelf zou de uitkomst nooit vernemen.

In een vrij summier document dat vanuit Namen werd verstuurd op 10 september 1921 staat te lezen :  « Accordé zéro chevrons de front ». Zijn aanvraag tot het bekomen van een frontstreep was dus duidelijk negatief beoordeeld. In datzelfde document vond ik ook een vrij onopvallende kribbel waaruit bleek dat mijn grootvader nooit  het oorlogskruis heeft ontvangen. Dit was althans het geval op 10 september 1921. Mogelijk heeft hij het oorlogskruis later nog ontvangen. Het dossier onthult hierover verder niets. In een nota van het Ministerie der Landsverdediging gericht aan het Strijdersfonds op 15  december 1921,  staat o.a. dat mijn grootvader op 16 april 1893 werd geboren te Bremdonck(dit moet Breendonk zijn). Hij maakte deel uit van het negende linie, bracht drie maanden aan het front door en 49 maanden achter het front. Er staat dus niet dat hij krijgsgevangene was gedurende 49 maanden.

We maken nu een sprong in de tijd want het eerstvolgende document werd op 2 juli 1937 verstuurd. Mijn grootvader was tewerkgesteld als schrijnwerker bij de N.M.B.S.(Belgische spoorwegen). Die verstuurden een brief naar het departement van landsverdediging waarin zij vroegen naar de staat van de toekenning der frontstrepen « in zake het burgerlijk pensioen ». Het antwoord hierover is niet bekend. Op 21 maart 1938 moet er terug een brief verstuurd zijn t.a.v. de Minister van landsverdediging. Dit wordt althans vermeld op een nieuwe vragenlijst die mijn grootvader toegestuurd kreeg.

Uit deze lijst blijkt de frustratie van mijn grootvader die begrijpelijk zijn ongeduld begon te verliezen . Bij de vraag « gelief al de dokumenten bij te voegen die gij verzamelen kunt om de echtheid uwer verklaringen te bewijzen : attestaties uwer oversten of van getuigen…. », repliceerde hij: « Is het dan nog verplicht om bij al deze gegevens nog andere te voegen of is het er om te doen ons nog langer om den tuin te lijden ». Of hij « lijden » opzettelijk zo schreef  is mij niet bekend, het zou in elk geval spitsvondig geweest zijn.


 

Ik vermoed in elk geval dat deze repliek niet in zijn voordeel heeft gepleit. Op deze vragenlijst vernam ik wel voor het eerst de omstandigheden waarin mijn grootvader krijgsgevangen werd genomen. Onder de vraag « naam uwer oversten(officieren en onder-officieren) onder wier bevelen gij stond op het oogenblik uwer gevangenneming » antwoordde mijn grootvader het volgende : «  den bevelhebber was slechts 2 dagen in de cie, ken zijn naam niet. Te Duffel omtrent het papierfabrik met korporaal Verhoeven in datum van 7 october 1914 van 6 op 7 in den morgend krijgsgevangen genomen op de wacht. Krijgsgevangen genomen met Korporaal Verhoeven en nog 6 man waarvan ik de namen niet ken, allen van het 9de linie ».  

Het antwoord liet niet lang op zich wachten. Reeds op 20 mei 1938 verstuurde Kolonel Lebert, voorziter der commissie n°3 een antwoord,  vergezeld van dezelfde vragenlijst die mijn grootvader was vergeten te ondertekenen. Als gevolg van zijn blijk van ergernis wees de kolonel hem op het reglement waaraan moest voldaan worden teneinde frontstrepen te kunnen bekomen. Hierin werd geïnsinueerd dat mijn grootvader zich niet voldoende zou verzet hebben toen hij krijgsgevangen werd genomen tenzij hij met harde bewijzen het tegendeel kon staven. Ik citeer : « naar aanleiding van Uwe onbetamelijke vraag houd ik er aan Uwe bijzondere aandacht te trekken op het hieronderstaande uittreksel van de wet van 2 juli 1932 betreffende het verleenen van frontstrepen. UITTREKSEL. Artiekel 1-h, de militairen die gedurende eene krijgsverrichting van eene samengestelde eenheid of deel van eenheid ongekwetst in handen van den vijand zijn gevallen hebben recht op de bij hunne gevangenneming loopende streep, voor zoover zij onweerlegbaar bewijzen dat zij, vooraleer in ‘s vijands handen te vallen, al de te hunner beschikking gestelde verdedigingsmiddelen hebben uitgeput ».


 

Als gevolg van dit antwoord ging mijn grootvader naarstig op zoek naar de gevraagde bewijzen. Dit bleek niet zo evidend te zijn waardoor hij op 7 juli 1938 een herinneringsbrief ontving waarin hem een laatste kans werd geboden om de vragenlijst binnen de dertig dagen te bezorgen. Zo niet zou zijn zaak geklasseerd en afgesloten worden. Hij ging ten rade bij de Nationale Strijdersbond(afdeling Londerzeel St.-Jozef). Die verstuurden op 14 juli 1938 in zijn naam een brief aan het hoofd van het 9de lineregiment met de vraag zo snel mogelijk de gevraagde bewijzen te bezorgen. Was het een bewuste administratieve fout ? Feit is dat de gevraagde bewijzen op 19 juli 1938 werden bezorgd maar wel met een grove fout waardoor ze waardeloos bleken te zijn.


 

Volgens het hoofd van het 9de linieregiment stond in het stamboek van mijn grootvader opgetekend dat hij op 6 augustus 1914 krijgsgevangen werd genomen i.p.v. 7 oktober 1914. Tevens stond er te lezen : «  officieren die WAARSCHIJNLIJK in deze eenheid tegenwoordig waren ; Kapitein Lormier ». Pogingen om de bewuste kapitein te vinden bleken van nutteloze aard te zijn. Een schrijven hiervoor aan de « Abdij van ter Kameren » bleef zonder gevolg. Alle hoop bleek verloren te zijn maar ex-korporaal Verhoeven slaagde er letterlijk en figuurlijk in om op 25 juli 1938 het licht in de duisternis te laten schijnen. Omer Henri Verhoeven, woonachtig in Sint-Lambrechts-Woluwe, was namelijk na de oorlog een zaak begonnen in « Lustrerie et tous appareils électro-ménagers »

 

Onder deze hoofding leverde hij een verklaring af die de beweringen van mijn grootvader bevestigden. Hij schreef o.a.  dat zij zich op de ochtend van 7 oktober 1914 aan de oevers van de Nete bevonden tussen de spoorweg en het kerkhof toen zij plots omsingeld werden door de Duitsers en er niets anders restte dan hun overgave. Opmerkelijk is dat er op deze brief in potlood werd geschreven dat er aan korporaal Verhoeven op 25 juli 1934 een frontstreep was toegekend. Deze verklaring zou uiteindelijk de doorslag geven maar de tweede wereldbrand stond reeds voor de deur en de administratieve molen maalt zoals bekend zeer traag.

Op 26 november 1956 werd de felbegeerde frontstreep toegekend. Mijn grootvader heeft het niet meer mogen meemaken want hij overleed op 22 december 1941 in het ziekenhuis te Mechelen na een maagoperatie. Volgens zijn zonen was dit een gevolg van de ontberingen die hij had doorstaan tijdens zijn gevangenschap   



Verlinden  


Frans Hendrik Verlinden ° Breendonk 16 april 1893 + Mechelen 22 december 1941. Frans staat rechts op de foto, voor hem op de stoel zijn echtgenote Coleta Lauwers(°Londerzeel 30 juni 1896 + Londerzeel 11 augustus 1983) Frans was de zoon van beenhouwer Ferdinand en Philomena Smets.