12-08-09

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel XVI)

'Sanderendaags moesten we van sector veranderen en de piotten van het 6e linieregiment die nog geen trekdier hadden om voor hun keukenkar te spannen, stolen Janneke om als trekdier te gebruiken bij het vervoeren van hun keukengerij.

Madame tack bleef niet bij de pakken zitten en slecht gehumeurd trok ze de baan op om haar Janneke te zoeken. Ook diende ze klacht in bij de officieren die haar beloofde haar ezeltje te helpen zoeken. Daar men vermoedde dat het de piotten van het 6e linieregiment waren, lichtte de officier die bij Madame tack ingekwartierd was, deze in waar de kompagnie van het 6e linieregiment, die in de zaak betrokken was, zich ergens moest bevinden. Verschillende uren heeft Madame Tack gezocht tot ze eindelijk van verre ene kompagnie soldaten, met de keuken achteraan waar Janneke voorgespannen was, zag aankomen. 

Ze zette zich schrab over de weg, greep Janneke bij de teugel, omarmde hem en Janneke begon luidop te balken van blijdschap. De piotten(koks) zagen dat ze verraden waren en beproefde een uiterste middel door madame Tack uit te schelden voor oude toverheks en noem maar op, maar madame was van geen klein gerucht vervaard en begaf zich onmiddellijk bij de kommandant van de kompagnie, die aan het hoofd van de kompagnie marcheerde, en begon hem de schelmerijen De koks beweerden dat ze het ezeltje  opgepikt hadden en niet wisten aan wie dit toebehoorde. De kommandant was niet gediend met hun valse uitleg en gaf bevel het ezeltje dadelijk uit te spannen en aan Madame tack terug te geven.

Madame Tack nam haar "Jeanne" bij de teugel, dankte de kommandant, wipte zich schrijlinks op de rug van Janneke en trok naar huis, de piotten nawuivend en roepend salut ezeldieven. De ezeldieven werden door de kommandant met acht dagenn cachot, zonder soldij, bedacht. Voorwaar, dit was een goede les voor de anderen. Deze die cachot kregen vloekten geweldig op die oude toverheks die hun te slim af was geweest. Dit cachot was achter de Ijser maar een formaliteit, maar geen soldij, dat was het ergste dat hun kon overkomen.

Madame Tack werd te Nieuwkapelle geboren op 11 oktober 1836 en stierf te Brussel op 23 september 1927. Om madame Tack te belonen voor bewezen diensten werd ze tot Ridder in de Leopoldorde verheven.

Wanneer Madame Tack terug thuis kwam met Janneke werd deze onmiddellijk met een amazone-zadel gezadeld en weg was ze naar het dorp om haar inkopen te doen. Ook waren daar nog een paar huisjes van keuterboerkens die gebleven waren. Eén van de dochters van een keuterboerke, rosse Marie, kwam dagelijks met de melk van hun koeien venten, en de piotten kochten graag die melk om chocoladekoffie of pudding te maken. het was een uitzonderlijke gelegenheid dit in de loopgrachten zelf te kunnen maken.


Over mevrouw tack vond ik op http://www.wo1.be/ned/evenementen/erbij/2007/Maart/Diksmuide3003/body1.htm
onderstaande info. Het gaat hier duidelijk over dezelfde madame Tack. De ezel zou volgens deze bron echter naar de naam"Paula" hebben geluisterd ipv Janneke

Chris Vandewalle, stadsarchivaris van Diksmuide, schetste het boeiende verhaal van Madame Marie-Thérèse Faverger-Tack en haar ezelin Paula: "Mevrouw Tack werd geboren in 1836 en was het 2e kind in een gezin van 11 kinderen. De familie behoorde tot de sociale toplaag in Nieuwkapelle en Woumen. De kinderen kregen zeer behoorlijk lager, secundair en enkelen ook universitair onderwijs. Madame Tack huwde in 1859 met Frans Faverger te Veurne. Na het overlijden van haar man werd de Villa Mariette opgetrokken aan de oevers van de IJzer."

Hij vervolgde: "Mevrouw Tack was 78 jaar oud toen in 1914 de oorlog uitbrak. Vanuit haar verblijfplaats in Brussel vluchtte ze naar Nieuwkapelle. De soldaten stonden letterlijk opgesteld in haar voortuin. Ze weigerde haar woning te verlaten. De villa was een toevlucht voor vele soldaten. Over haar ezelin Paula zijn er nog veel onbeantwoorde vragen. Mevrouw Tack zat meestal op de rug van het dier. Alle soldaten kenden haar en Paula. Toen Paula plots verdwenen was, werden van officiële zijde zelfs onderzoeken bevolen. Toen het in het voorjaar van 1917 te gevaarlijk werd, verhuisde ze naar De Panne. Mevrouw Tack stierf in 1927 in Brussel en ze werd met militaire eer begraven in Nieuwkapelle."

 

23-04-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel XV)

Op 11 januari 1915 kreeg de 2e legerafdeling opdracht de sector van grenspaal 19 tot 25, aan de IJser te bezetten. Het regiment zou de ondersector van grenspaal 20 tot 25 bezetten.

Vóór deze stellingen was er een overstroomde strook weiland van ca. 1500 meter. In die sector was ook het oud fort "Knocke" en Olifantmolen, tot grenspaal 21, begrepen. Er waren aldaar nog weinig of geen loopgrachten gegraven op de IJserdijk, die aldaar ongeveer 5 meter breed was en waarop een kiezelpad, een soort jaagpad of trekpad om de schepen in de IJser door paarden te laten voortslepen.  Wij moesten onmiddellijk beginnen met in die kieselweg te graven, wat niet meeviel, en benden in de dijk werden de eerste degelijke onderstanden geplaatst. De Olifantmolen werd volledig afgebroken, alhoewel dit een zeer goede uitkijkpost was, maar anderzijds tot mikpunt voor de Duitsers diende.


knocke

Aan de teen van de dijk stonden enkele kleine vissershuisjes, en iets afgezonderd was er een soort villa gebouwd waarin de weduwe Tack, de vrouw van wijlen majoor Tack, woonde. Madame Tack was een vriendelijke vrouw en vooral de officieren waren er welkom. Dit was te begrijpen dat ze zich tot de officieren aangetrokken voelde, haar overleden man was toch ook majoor geweest. Al deze redenen inacht genomen besliste onze majoor er zijn intrek te nemen. Aan de woning paalde een grote tuin, waarin allerlei soorten fijne groenten en vruchten gekweekt werden. Madame Tack kon dus voor de heren officieren lekkere gerechten bereiden. Alleen moest ze naar het dorp van Nieuwkapelle, een ½ uur ver vanwaar ze woonde, om brood, vlees, en lekkernijen te kopen.

Om dit alles te vervoeren had ze een ezeltje (Janneke) die alles op zijn rug, madame Tack inbegrepen, ter plaatse bracht. Dit ezeltje, een lief en braaf beestje, was nochtans niet graag gezien door de soldaten, omdat dit beestje iedere morgen bij het krieken van de dag geweldig begon te balken, waardoor de piotten niet meer konden slapen, en iedere morgen dit zelfde gebalk. Dit balken had een voordeel, men hoefde geen hoornblazer aan te stellen om de mannen te wekken; Janneke deed dit regelmatig met brio. Tot slot van rekening werden we er aan gewend, zoals men aan alles gewend geraakte, zelfs aan het onzinnigste. Maar op zekere morgen hoorden wij Janneke niet balken en we dachten dat het beestje ziek geworden was of iets dergelijks; het was heel wat anders! Madame Tack was ook verwonderd geweest haar Janneke niet te hebben horen balken, ging naar de stal van Janneke kijken wat er gaande was, maar Janneke was weg en madame Tack kwam, met de armen in de hoogte, uit de stal en riep luidkeels, men heeft mijn Janneke gestolen! Inderdaad Janneke was gestolen door de mannen van het 6e linieregiment, die naast ons lagen en in de nacht Janneke hadden meegenomen.

 

16-04-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel XIV)

Van 9 tot 16 december is het regiment met rust te Adinkerke.
De 17e
 december is het regiment als reserve te Wulpen.

De 19e december begeeft het regiment zich naar Nieuwpoort, ter beschikking van de Franse generaal Castang en bezet de rechteroever van de IJser.

De 22e november gaan we kantonneren te Wulpen. Bij het vertrek werd een Frans paard (Pik), dat in een weide te grazen stond, medegenomen en voor een driewielkar gespannen. Die driewielkar was achtergelaten door een gevluchte boer. Van dat ogenblik af beschikte de kompagnie over gerij om het keukengerief te vervoeren. Jules was niet weinig in zijn nopjes want voordien bestond de post doe moest zorgen voor inkwartiering uit: de fourier, twee of drie soldaten, die dienst deden als kok. Dit personeel moest zich verplaatsen per rijwiel en als bagage een zakje koffiebonen, zout, enkele messen, twee grote vorken, en een grote soeplepel (louche); dit was alles. Dit gestolen paard (Pik) was een cavaelerie-paard en tijdens de rusturen diende Pik om te oefenen op de rijkunst. Soldaat Monseur was de ritmester en de Jules en ik beproefde ook, op beurt, van te leren rijden. Spijtig voor de Jules, zijn benen waren tekort om zich stevig op de rug van het paard recht te houden, wat hem meermaals op de grond deed vallen.  De ritmeester beweerde dat de Jules het als Jockey zou moeten beproeven gezien zijn lichte lichaamsbouw.

Wanneer de voorwacht ter plaatse kwam moest men op zoek gaan naar aardappelen; vlees en brood werd door de bevoorradingsdienst van het leger ter plaatse gebracht, maar men moest tegen wachten kunnen.

De 23e december vertrekken we met grote rust naar Houtem waar de kompagnie ingekwartierd werd tot 10 januari 1915. Tijdens deze grote rustperiode plande ik een feestje dat op 25 december (Kerstmis) zou plaats grijpen voor de vier Willebroekenaren van de kompagnie n.m. Jules Van den Bossche, Jan Haems, Henri Troch en ik zelf. Het zou een konijnengerecht zijn (keunen bachten den ijzer genaamd). Ik moest de konijnen kopen bij de boerin bij wie de Jules ingekwartierd was. Ik logeerde in een andere hoeve. Ik kocht twee vette konijnen bij Trees een oude jonge dochter, en begon onmiddellijk de konijnen te doden en te villen, wat Trees zó barbaars vond dat ze aan de Jules zei "die koninnenstripper komt bij mij niet meer binnen".

Trees dacht zeker dat men konijnen met haar en vel gereed maakte om op te eten! Bespottelijk hoe achterlijk dat die mensen aldaar nog waren; men kon aldaar geen braadpan om paardenvlees te braden, bekomen!

Op Kerstdag, na smakelijk gegeten te hebben, lieten we een gezamenlijke foto van de groep maken, foto die ik nu nog in mijn bezit heb. Aan Trees zond ik kop en staart  om de slachting in herinnering te brengen, van haar geliefde konijnen. 



willebroekenaren

14-04-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel XIII)

Van 24 tot 28 november terug naar de sector van Ramskapelle lag onze kompagnie aan de overweg van het station van Ramskapelle. Er werd bevel gegeven dat een patrouille zou moeten op verkenning gaan naar de hoeven "Wolvennest en Violet", om na te gaan of deze al dan niet bezet waren door de Duitsers.

Ik, met vijf soldaten, werd aangeduid om die verkenning, in volle dag, uit te voeren. Doch alvorens mijn opdracht aan te vangen zag ik een nederlandse reporter voor een geïllustreerd weekblad, zich opstellen om een foto te nemen van het overstroomde gebied langsheen de spoorweg. De fotograaf stond met de rug naar vernoemd station gekeerd en ik vroeg hem of ik aan de overkant mocht plaats nemen?

Nou zet U er maar bij antwoordde hij en ik werd mee op de gevoelige plaat opgenomen. Die foto verscheen later in die nederlandse illustree, met onderschrift "Een Belgisch soldaat op wacht nabij het overstroomde gebied bij Nieuwpoort". Die foto werd ook gebruikt, zonder mijn toestemming, om in het boek "Notre pays" van de hand van Aug. Smets, bladzijde 219, met als onderschrift, "Un soldat en Sentinelle" opgenomen. Na die opname begaf ik mij op weg op de steenweg van Ramskapelle naar Mannekensvere, die 30 centimeter onder water lag, naar de hoeve "Wolvennest". De hoeve zelf stond op een soort eiland dat hoog boven het water uitstak. De Duitsers moesten ons zien aankomen, maar er werd geen schot gelost, wat mij deed veronderstellen dat de waarnemer(observateur) van de Duitsers ons doen en laten wilde nagaan. We begaven ons eerst, zeer voorzichtig, naar de woning van de boer om ons te vergewissen of er gebeurlijk Duitsers zich zouden schuil houden. Maar er was geen levende ziel in de woning te zien. Wat we binnen te zien kregen was de gans vernielde huisraad van de boer, ledige flessen op de grond aan stukken geslagen, en de ingewanden van de varkens die de Duitsers er geslacht hadden tijdens hun verblijf op de hoeve.


violettehoeve

Violettehoeve vandaag. De hoeve waarvan sprake in dit verhaal werd volledig vernield en heropgebouwd.
Foto: forumeerstewereldoorlog.nl


Daarna de grote tuin achter de woning onderzoeken of er geen Duitsers achter de haag of in het struikgewas verscholen zaten. Maar niets te zien van Duitse soldaten; alleen hun doden hadden ze er begraven.

Nu kwam de grote schuur aan de beurt. De deur stond op ene kier en bij het benaderen ervan hoorde ik binnen geritsel in het stro. Dat geritsel vermoedde de aanwezigheid van levende wezens en ik zie aan de soldaten, met de bajonet op het geweer, let goed op en als er iets buitenkomt onmiddellijk erop schieten, zonder verwittiging. Ik nam mijn geweer, en met de punt van de bajonet duwde ik de schuurdeur verder open en plotseling komt een jonge stier, aanvallend naar buiten gestormd. Ik had nog juist de tijd om opzij te springen, zoals de matadors dit bij de stierengevechten doen, zo niet was ik op de horens van de woeste stier terecht gekomen, maar door mijn bliksemsnelle zijsprong schoot hij mij rakelings voorbij. Ik was geweldig geschrokken maar behield mijn koelbloedigheid, wat mijn redding was. De soldaten die enkele meter verder gereed stonden om te schieten begonnen luidop te lachen en beweerde daarna dat ik aanleg had om stierenvechter te worden. De stier was er al mankend vandoor; hij was vroeger reeds in de bil getroffen geweest. Die stier heeft daar nog twee jaren rondgelopen, eten was er genoeg voor hem, en als hij goed vet was geworden hebben andere soldaten hem gevangen en opgegeten.

Daarna moest de Violethoeve onderzocht worden,  maar we konden ze niet benaderen daar deze rondom in het water stond, en bovendien eerst een brede gracht diende overgestoken te worden. Wij konden er dus niet bij en zonder dat er een schot gelost werd keerde we terug naar de eerste lijn van onze verdediging.

Toen ik mijn wedervaren aan de kommandant van de kompagnie vertelde lachtte de brave man schokschouderend van plezier en zie, Amelinckx ge zijt een geluksvogel er zo van af te zijn gekomen.

Daar wij de Violethoeve niet hadden kunnen benaderen moest een tweede patrouille vertrekken, met medeneming van een lange ladder om de gracht te kunnen oversteken. Wanneer die tweede patrouille tot bij de gracht genaderd was,  de ladder eroverlegde en de eerste man de ladder wilde betreden, werd door de Duitsers geschoten en trof de kogel de korporaal aan de hand. Door dit feit was het bewijs geleverd dat de Violethoeve bezet was door de vijand. De patrouille kwam zonder verdere hinder terug in de voorpost.

09-04-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel XII)

Op 6 november begaf het regiment zich naar Adinkerke en De Panne om aldaar tot 3e Bataillon hervormd te worden.

In De Panne wachtte mij een verrassing; ik trof er de familie Forbiseur van Willebroek aan die tot daar gevlucht was.

Het regiment kantonneerde er van 6 tot 10 november 1914, en van 11 tot 15 november 1914 te Bulskamp. Te Bulskamp werd de kompagnie in de kerk gelogeerd op de blote blauwe kerkvloer. De bureauchef van de kompagnie had zich in de predikstoel geïnstalleerd; hij lag er hoog en droog, maar de soldaten en oversten (de officieren uitgezonderd) die op de kille vloer moesten slapen kregen meestal buikloop, en wanneer de behoefte opkwam om zich te ontlasten, moest men zich haasten om buiten de kerk te geraken, wat niet gemakkelijk ging tussen die opeengepakte mannen een doorgang te vinden, wilde men niet in zijn broek doen. 's Nachts, zonder licht, was dit het ergste, en menig soldaat heeft zijn makker in het gezicht, op de benen of op het lichaam getrapt; wat menige vloeken en verwensingen teweegbracht.


kerk Bulskamp

kerk Bulskamp interieur

Kerk van Bulskamp

Foto's: http://www.westhoek.be


Eens buiten de kerk liep men, zo vlug mogelijk, met de broek los in de hand, naar het plankier rond de kerk, om van daarop zijn vracht te lossen in de beek die naast de kerk vloeide. Van de berm van de beek dreef dan de drek af tot in het water en na enkele dagen was die beek een strondbeek geworden. Degenen die het ergst aangetast waren moesten in het portaal van de kerk blijven liggen wilde ze tijdig aan de strondbeek komen. Het was om zich kreupel te lachen die scheiters op een rij te zien zitten!!! De leepste van de soldaten hadden zich op het hoogkoor geïnstalleerd.

's Morgens wanneer de E.H. pastoor aan 't consacreren was, zaten de soldaten op de trappen van het hoogaltaar hun morgenmaal te nutten. Sommige aten beschuiten en de misdienaar had dit in de gaten gekregen en knielde daarom steeds aan de kant van de beschuit-eters, en terwijl de E.H. pastoor zijn mis vervolgde en de misdienaar op de littanie van alle heiligen, bid voor ons, moest antwoorden, gapte hij de beschuiten van de soldaten en stak ze in de achterzakken van zijn kerkkleed. De piotten hadden er pret om en de misdienaar was er zeer blij mede. Het toeval wilde dat het in de parochie gedurige aanbidding was zodat die komedie met die misdienaar een ganse voormiddag duurde. De bureauchef van de kompagnie was er het ergst aan toe omdat hij de plaats moest ruimen om de E.H. pastoor zijn preek te laten houden.

04-04-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel XI)

Op 30 oktober concentreren de Duitsers hun kanonvuur op de overgang van het station van Ramskapelle. Alweer door een geweldige aanval van de Duitsers moesten de onze wijken en zich terugtrekken op Koolhof en rond de windmolen van Ramskapelle.


station ramskapelle

Station van Ramskapelle anno 1916
Bron: De Frontzate http://www.elliotaanzee.be/Frontzate.htm

Deze windmolen werd ook ingenomen door de Duitsers en deze installeerden er machinegeweren in. Van op de windmolen bestreken zij met hun machinegeweren gans de omliggende vlakte.

Op 30-31 oktober werd een tegenaanval ingezet, in samenwerking met de Senegalezen (onder bevel van Franse officieren) die de molen en daarna het dorp van Ramskapelle moesten heroveren. De molen en de huizen van het dorp moesten één na één, met de bajonet op het geweer, en lijf aan lijf gevechten ingenomen worden.

 


senegalezen

Senegalezen met hun commandant ergens aan het front.

 

Bron: Kleurenfoto's uit de Eerste Wereldoorlog
http://www.wereldoorlog1418.nl/oorlogsnieuws/kleurenfotoos.htm 


Op het geschal van Belgische en Franse klaroenen werd de aanval ingezet. Men moet zo een stormloop gezien hebben om er een gedacht van te hebben en zich te kunnen indenken, welk oorlogsgebrul die Senegalezen uitgalmden, en met hun kromme zwaarden en vlijmscherpe messen vooruit stormden, om al wat ze ontmoette met een krachtige houw te vellen of het hoofd van de vijand af te hakken. De Duitsers moesten ditmaal wijken en met grote verliezen zich terugtrekken tot aan de IJzer in de buurt van Saint-George en Mannekesvere.

De slag van de Ijzer was afgelopen.  

02-04-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel X)

Het onderwater-zetten van de polders (overstromen)

Op 29 oktober 1914 werd op het stadhuis van Veurne beslist de gronden vóór de westelijke kant van de spoorwegdam Nieuwpoort-Diksmuide, onder water te zetten. Cogge gaf de wijze aan hoe men moest tewerk gaan om de onderwater-zetting te kunnen uitvoeren; hij was toch de opzichter van de wateringen van Veurne-ambacht en moest dus ook al de geheimen van het sluizencomplex kennen.

In de nacht van de 29e oktober trok Kommandant Nuyten de Nieuwpoortse sluizen over om, vergezeld van enkele geniesoldaten en schipper GEERAERT de overlaat van de Noordvaart te bereiken. Geeraert vindt de zwengel om de sluisdeuren te kunnen openen en weldra stromen door de acht openingen van de "overlaat" honderden kubiekmeter zeewater de Noordvaart in, om zich verder over wei-en akkerland te verspreiden. Geeraert was dus de man die de eerste onderwater-zetting veroorzaakte. Het zou nog enkele dagen duren alvorens de overstroming een ware verdediging zou vormen. Intussentijd werden alle krachten ingezet om de gaten in de spoorwegdam te dichten om het water op te houden. Is daar koortsachtig gewerkt en gezweet om de duizenden vaderlanderkes met aarde te vullen om de gaten te dichten! Onze kompagnie heeft daar ook aan medegewerkt en precies aan de grote opening onder de boogbrug van de spoorweg.

Toelichting: 

De Bomenaar Frans Cop nam ook deel aan deze operatie. Hij werd te Boom geboren op 23 februari 1880 en was de zoon van Pieter Corneel en Joanna Daes. Frans maakte deel uit van de genietroepen van de tweede legerafdeling. Hij oefende in het burgerleven het beroep vann schipper uit en woonde in de Hoek nr.10. Frans overleed op 2 januari 1965 en ligt begraven op het erepark van de gemeentelijke begraafplaats.


Frans Cop


Frans Cop(links) in gezelschap van Kamiel Van Belle. Beiden maakte deel uit van het detachement dat Geeraert en Cogge bijstond bij de operatie “opendraaien der sluizen”  


graf frans cop

De laatste rustplaats van Frans Cop op het erepark van Boom

 

Bron: Boek "Het kleine Boom in de Grote oorlog"(Marc Verlinden) 

31-03-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel IX)

Slag van de IJzer(vervolg)

De vijand verdubbelde zijn aanvalskracht en voor die overmacht moesten we wijken. De terugtrekking van de kompagnie gebeurde tot 500 meter vóór het bruggenhoofd van Nieuwpoort.

Op 20 oktober bezette de Duitsers Lombartsijde en drongen niet verder aan. Het overschrijden van de bruggen over de sluizen was zeer gevaarlijk daar deze voortdurend onder vuur genomen werden, toch geraakte het gros van het Batailon er overheen en verzamelde zich op een weide zuidwaarts van de stad, alwaar we versterking kregen van vrijwilligers van allerlei pluimage.
De vrijwilligers waren slecht bewapend, sommige hadden een oud geweer (Comblain, van de Garde-civique), en bovendien waren ze slecht onderricht waardoor ze zeer gevaarlijke individuen waren, in zoverre dat ze bij het vormen van gewerenbundels(faiceau) één onder hen zijn kameraad door het hoofd schoot; hij had vergeten zijn wapen op veilig te stellen.


comblain
Comblain
Foto: Belgische wapens
http://www.infanterist.be


Men werd verplicht hun te verbieden met die oude geweren te schieten en te wachten tot men hun Mosergeweren zou kunnen geven, wat niet lang op zich liet wachten aangezien het groot aantal doden en gekwetsten, waarvan men hun dan een mozer-geweer kon terhand stellen. Ook moesten de geweerkogels uit de kardoestassen (cartouchiers) van de gesneuvelden gehaald worden bij gebrek aan schietvoorraad.

Bij de tegenaanval op de hoeve (Bambourgh) werd het 9e linieregiment, versterkt met Engelse mariniers, met machinegeweren, en manschappen van de 5e brigade infanterie, ingezet. De kommandant Romedenne en luitenat Calle, die de belgische sectie machinegeweren beveelden, wisten hoe gevaarlijk de toestand er was en verwittigde de Engelse matrozen hun machinegeweren niet zo roekeloos bloot te stellen. Maar zo verwaand ze waren niet naar de goede raad van de Belgische officieren te willen luisteren, en toch hun zin doordreven, waren ze nog maar even in stelling of een duitse batterij nam ze onder schot, en ze moesten al hun materiaal en gesneuvelde makkers op het slagveld achterlaten.

Maar het gevolg was dat door die roekeloze daad de verdediging van "Bambourgh" verzwakt werd en door de sterke aanval van de Duitsers de hoeve moest prijsgegeven worden, en de Belgische soldaten zich moesten terugtrekken op de steenweg naar Nieuwpoort tot vóór de bruggen over de IJzer. De slag van Lombardsijde kostte grote verliezen aan officieren en manschappen.

Toelichting: over deze hoeve verneem je meer op het
Forum van de Eerste Wereldoorlog.

Het regiment, zeer verzwakt, bracht de nacht van 20-21 oktober door onder de plassende regen. De 22e oktober werden we te Oostduinkerke gekantonneerd. De 24e oktober kreeg de kompagnie opdracht stelling te nemen aan de brug van Keteleersdam, als versterking van het 14e linieregiment dat in een verwoedde slag door de duitse overmacht op de Noordvaart moest terugtrekken.

De Duitsers achtervolgde de Belgen door zich te laten voorafgaan van Belgische krijgsgevangenen als scherm gebruikend, wat ons belette te schieten op de Duitsers om geen kameraden te doden; een zeer laffe daad van de Duitsers! De 25e oktober werd in samenwerking met een bataillon van het 6e linieregiment een tegenaanval ingezet; deze tegenaanval mislukte en een groot gedeelte van het bataillon werd krijgsgevangen genomen.

Door de grote overmacht van de Duitsers moesten de overblijvenden van het bataillon van Majoor Gillet zich terugtrekken tot achter de dijk van de spoorweg Nieuwpoort-Diksmuide, waar de vijandelijke vooruitgang gestuit werd. In de nacht van 26 oktober werd het bataillon afgelost door verse troepen en we werden te Wulpen gekantonneerd om aldaar het het bataillon te hergroeperen.

Op 1 november werd de toren van de kerk van Wulpen door de Belgische Genie opgeblazen, opdat de toren niet meer als mikpunt voor de Duitsers zou kunnen dienen. De burgers van het dorp waren reeds gevlucht, alleen de zusterkes van het klooster waren de laatste die zouden vertrekken, omdat ze eerst hun voorraad wijn aan de man wilde brengen. De soldaten vroegen niets beter dan die wijn te kopen, en de Jules en ik maakte van dit buitenkansje ook gebruik om elk twee flessen van die beste wijn, tegen 2 frank de fles, te kopen. Wij hebben samen die flessen beste wijn zeer profeitelijk uitgedronken.

Op 28 oktober piket in de steenbakkerij van Ramskapelle.

De 29e oktober bezetten we de dijk van de spoorweg van Nieuwpoort-Diksmuide en tot de hoeve "Viole".

Onze kompagnie bezette het gedeelte tussen Palingbrug en het station van Ramskapelle.

Op 4 november 1914 werd aan de bevelhebber van de Fransen, in België, gevraagd in samenwerking met de Belgen, een uitval te doen richting Lombardsijde-Westende, terwijl de 1e en de 2e kompagnie het bruggenhoofd van de palingbrug moesten bezetten.

Niettegenstaande de uiterste wilskracht van de soldaten werd Lombardsijde door de Duitsers terug bezet. In de nacht van de 4e oktober(November?) nam onze kompagnie stelling in de eerste lijn vóór Nieuwpoort. Afgelost de 5e oktober(november?), werden we in de kelders van Nieuwpoort-Stad ondergebracht. 

28-03-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel VIII)

Slag van de IJzer

De 2e legerafdeling zou de sector op de uiterste linkervleugel van het ganse front bezetten; te Lobardszijde, tegen de zeeduinen en het strand, tot Saint-Georges.

Rond 17 oktober 1914 begon de IJzerslag, die duurde tot 30 oktober 1914. De eerste aanval op Nieuwpoort begon op 20 oktober 1914 met de aanval op Schuddebeurs en de grote versterkte hoeve (Bamburgh).

Deze hoeve, door paters, de vroegere bezitters van de hoeve, in een echt bastion herschapen, was moeilijk te veroveren. Daar die hoeve een sterke verdediging, als voorpost van de stelling Nieuwpoort was, werd om dit belangrijk steunpunt hardnekkig gevochten en viel dit bastion meermaals in de handen van de vijand en visa versa van de Belgen. Door de Duitse overmacht en de hardnekkige aanvallen van de vijand, moesten de Belgen de hoeve prijsgeven.

Op de uiterste vleugel van het front van Nieuwpoort tot aan de duinen, juist vóór het dorp Lombardsyde werd op de hoogste duin aldaar een Belgische vlag op een hoge mast geplaatst, om de bevelvoerders van de Engelse oorlogsschepen, die de Belgische strijdkrachten moesten steunen, aan te tonen waar de Belgische loopgrachten van de eerste lijn zich bevonden.

Dit was hoogst nodig daar van vernoemde schepen reeds in onze rangen geschoten was, en de waarnemer (observateur) in de kerktoren van Lombardsijde uit zijn post geschoten hadden en gedood.

Het bevel werd gegeven dat aan de voet van die vlaggemast een wacht moest geplaatst worden. Vijf soldaten en ikzelf, als overste, kregen het bevel bij die vlag te gaan postvatten. Had ik dit bevel korrekt uitgevoerd dan zou ik nu niet meer dit verhaal kunnen neerschrijven, want die Belgische vlag was maar amper 1/2 uur op de aangeduidde plaats gehezen of de Duitsers namen het onder kanonvuur en bij het eerste schot trof de projectiel de mast die verschillende meter door de lucht geslingerd werd en een kolonne duinzand deed opstuiven.


 affenberg
De Affenberg, Duitse stelling in de duinen van Lombartsijde
Foto: http://users.skynet.be/elliotenco/Oorloginbeeld.htm


De soldaten in de eerste lijn hadden uit nieuwsgierigheid die operatie gevolgd en wanneer ze die vlaggestok in de lucht zagen slingeren veronderstelden ze dat de wacht daarbij omgekomen was. Men kwam dan onmiddellijk toegelopen om zich te vergewissen van de toestand. Maar op de plaats zelf was niets meer te bespeuren;noch vlaggestok noch vlag. Ik aanzag dit alles lachend vanop het duin op vijftig meter vandaan, "hewel, wat zoekt ge?" Het antwoord luidde, wij kwamen u zoeken! Hun ongerustheid was te begrijpen, vooral de Jules was erg geschrokken. Had ik niet vooruitziende geweest, en mijn opdracht slaafs uitgevoerd, dan ware het onvermijdelijke gebeurd.

Bij het terugkeren in de loopgracht werd ik bij de kommandant van de kompagnie geroepen die mij geluk wenste en prees om mijn schrander vooruitzicht.

 

 

 

 

 

 

23-02-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel VII)

7e oktober

De kompagnie krijgt bevel naar Hemiksem op te trekken. Wij bevonden ons aan de overweg, aan de halte (Hemiksem-Werkhuizen), toen het bevel gegeven werd naar Antwerpen terug te keren. De Duitsers waren op dat ogenblik reeds tot Hemiksem doorgedrongen ; aan het wild blaffen van de honden kon men dat vermoeden. De aftocht was ellendig om te aanzien, al de petroltanken (ketels) stonden in brand, zelfs een stapel tonnen, gevuld met petroleum werden ook aangestoken. Zonder spreken vervolgden wij onze terugweg naar Antwerpen, langs het Kiel, Montignystraat, Scheldestraat, langsheen de schelde-kaaien tot aan de Steenplaats. Onder de afdaken wa­ren plunderaars volop aan gang, zodat de tussenkomst van de Gendarmen nodig was. Aan de pontonbrug over de Schelde, gelegd door de ponteniers, moest eerst de artillerie de overgang maken en daarna het voetvolk.

Eenmaal op de linkeroever van de Schelde was het een droevig schouwspel om te aanzien hoeveel bran­den er in de stad gesticht werden door het bombar­deren, het leek of de hele stad in brand stond. Van op het Vlaams-hoofd (St. Anneke) werd dan de aftocht aangevangen over Zwijndrecht, Melsele, Beveren-Waas, Vrasene, St. Gillis-Waas, Kemzeke, Stekene, Moerbeke-Waas. Het was een martelgang voor de soldaten, en bovendien erg ontmoedigend bij het zien van al die ellende bij de vluchtende burgerbevolking.

Wie zoiets zag kan dit nooit vergeten.

Te Sint-Gillis-Waas had ik een goede kennis wonen, en aangezien we aldaar bij het Marktplein enkele minuten rust kregen, maakte ik daarvan gebruik om die kennis eens goeden dag te zeggen. Op het Markt­plein stonden nog enkele tafels, en op één daarvan stonden nog twee gevulde flessen; tien grote en een andere (kleine). De ene was een volle champagnefles en de andere met een soort likeur? Aangezien ik mijn vriend Jules ook wilde laten proeven vroeg ik of ik de champagne kon krijgen, maar dit werd mij ge­weigerd omdat ik alleen was. Ik kreeg dan toch het kleine flesje met likeur. Daarna wilde ik mijn kennis een bezoek brengen, maar deze waren reeds gevlucht naar de Kling (Nederlandse grens). Ik keerde terug naar de plaats alwaar ik de kompagnie verlaten had, maar deze was reeds vertrokken.

Ik haastte mij om de kompagnie in te halen en zag onderweg iemand op de kant van de gracht langs de weg liggen. Ik keek nadertoe en verbaast zag ik dat het mijn vriend Jules was, totaal uitgeput, en zei niet verder te kunnen gaan. Ik zegde Jules ge moet kost wat kost mee of ge zijt krijgsgevangen. Ik zette de Jules overeind en nam mijn flesje likeur. Ik liet de Jules alleen de ganse inhoud van het flesje uitdrinken ; het was zulk een sterke stimulant dat de Jules ervan opsprong en zegde, allé Frans nu zal het wel gaan, en het ging. De Jules heeft al meermaals herhaald dat ik hem van krijgsgevangenschap redde.

De verdedigers van de fortengordel van Antwerpen waren afgesloten van het veldleger, en er bleef hun geen andere kans dan zich krijgsgevangen te laten nemen, of de nederlandse grens over te steken en zich te laten interneren; dit laatste verkozen de meeste die niet meer weg konden.

Op 11 oktober hield de 2e legerafdeling halt vóór het dorp Moerbeke om de uitgeputte soldaten wat rust te geven. Geen half uur ging voorbij of men riep opstaan (debout), de vijand is in aantocht ! Inderdaad, onmiddellijk daarop werd het dorp Moerbeke bescho­ten door de vijandelijke kanonnen. Het eerste schot trof het kanon, dat op onze kompagnie volgde, en doodde twee paarden. De kompagnie van het 5e linieregiment vóór ons uit Antwerpen vertrokken, lag nog te rusten in het dorp Moerbeke. Er werd "sauve qui peut., redde zich wie kan., geroepen. Het werd een geharrewar van soldaten met de vluchtelingen om zich niet door de vijand krijgsgevangen te laten nemen. Het is daar dat vele soldaten de grens zijn overgestoken en zich lieten interneren In Nederland.

Van Moerbeke over Wachtebeke naar Zelzate. Te Wachtebeke werden we niet beschoten en bereikten zonder verdere tegenstand Zelzate. Te Eeklo werden de soldaten, per trein, naar Veurne gevoerd. Te Veurne eerste kantonnement in het prison (gevan­genis), er was geen enkel ander logement beschik­baar. Enkele dagen daarna, in volle vaart, naar de IJzer, bij Nieuwpoort, om er langsheen de dijken van de IJzer loopgrachten te graven.

20-02-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel VI)

25e september

De brigade krijgt bevel de tussenruimten van het fort van Koningshooikt met de redoute van Tallaert, in eerste lijn, te bezetten. De twee eerste dagen was het er kalm en terwijl we in de loopgrachten uitkeken, om niet bij verrassing aangevallen te worden, zagen wij in de nacht de kerktoren van Koningshooikt in volle vuur ; een enig schouwspel van vuurwerk. Het gaf ons het voordeel dat het oorlogsveld er min of meer door verlicht werd, en waardoor we gemakkelijker het over en weer lopen van de Duitsers konden nagaan. Mis­schien heeft dit felt menige vijand het leven gekost, want er werd duchtig op geschoten.

2e oktober werd bevel gegeven dat de brigade zich achter de Nete moest terugtrekken. Op een brug ge­legd door de Genie, werd de overtocht van de Nete en de daarnaast liggende overstroomde weiden, ondernomen, om op de noordelijke oever van de Nete  loopgrachten te graven.

De brigade werd afgelost door een regiment vestings­troepen en ging kantonneren te Boechout.

Bij de aankomst in het dorp vond de kompagnie geen onderkomen meer, alles was reeds bezet, uitge­zonderd de villa van een Duitse artillerie-kommandant.

Dit huis was als verlaten, deuren en vensters afge­sloten. Men deed dit de kommandant van de kompag­nie opmerken en deze gaf onmiddellijk bevel de deu­ren open te breken en de soldaten gingen naar bin­nen. Men kan zich voorstellen wat er zoal gebeurde in het huis van een vijand ! Vooreerst werd de wijnkelder en provisiekelder aangepakt, en daarna het over­blijvende. De piano en de familieportretten moesten er ook aan geloven. Eindelijk kon ik met veel moeite de mannen tot bedaren brengen, en legde deze zich te rusten. De morgen daarop vroeg opstaan, en in de rangen om te vertrekken naar het fort van Broechem. Of de Duitse artillerie-kommandant door spionnen verwittigd werd over wat in zijn woning te Boechout gebeurde, weet ik niet, maar door het feit dat wanneer de man­nen van de kompagnie nog geen vijf minuten het huis verlaten hadden, en slechts op 100 meter vandaar in de rij stonden om te vertrekken, een zware obus op het verlaten huis kwam, was verdacht. Misschien was het de eigenaar-artilleur. zelf, die zijn woning be­schoot om de indringers te bestraffen, maar hij was vijf minuten te laat om wraak te nemen.

broechem


Fort van Broechem
Bron: http://www.fortweb.net/photos/antwerp/broechem.htm

Op 6 oktober zet de brigade zich in beweging, gaat de stad Ant­werpen door om op het Kiel te kantonneren. Onze kompagnie nam haar intrek in de cinema "Nova" aan de Abdijstraat.

07-02-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel V)

Belegering van Antwerpen

Tijdens die rustperiode werd het 5e linieregiment met het 26e linieregiment samengevoegd en de drie Bataillons, bestaande uit vier kompagnie's werden herleidt tot twee Bataillons van drie kompagnie's.

Het 25e linieregiment bestond dus niet meer.

Ik werd bij de eerste kompagnie van het 5e linie­regiment, bij kommandant Vaesens, ingedeeld. De meeste officieren waren gesneuveld, gekwetst of krijgsgevangen genomen, en om die leemte aan te vullen werden beroeps-onderofficieren tot luitenant bevorderd ; zelfs brigadiers bij de Gendarmerie wer­den tot onderluitenant benoemd.

Tot 24 september 1914 bleef de brigade in hetzelfde kantonnement, en op 25 september werd de kompagnie te Aartselaar gekantonneerd.

Op 27 september 1914, vertrekt de brigade naar Mechelen voor een derde uitval. In de nacht van 27e en 28e september kantonneerde we te Walem.

In de vroege morgen richtte de brigade, in versnelde pas, zich naar Mechelen onder de beschieting van kartetvuur van kannonnen. Onze kompagnie had als opdracht de richting van het spoorstation van Meche­len en de daarnaast liggende Leuvensevaart. De Duit­sers hadden stelling genomen in de driehoek gevormd door de spoorwegdam van de lijn Brussel-Mechelen, de spoorwegdam van de lijn Mechelen-Dendermonde. en achter de Leuvensevaart. In die driehoek, in een park, stond het gebouw van het .Instituut Coloma , met een hoog verheven torentje. De Duitsers hadden machinegeweren in dit torentje geinstalleerd, en van daaruit beschoten ze de sporen van de spoorweg en het station zelf. Die beschieting was zo hevig dat alle vooruitgang onmogelijk was ; wij moesten noodge­dwongen ons terugtrekken.

coloma


Het Coloma instituut met het "hoog verheven" torentje.

De kompagnie trok zich terug langs de straten van Mechelen om stelling te nemen vóór het fort van Walem. Terwijl we aldaar loopgrachten aan 't graven waren begon de beschie­ting van het fort van Walem met artillerie, met projec­tielen van 380 millimeter diameter. Die kanonnen stonden opgesteld nabij Vilvoorde, en stonden onder bevel van Generaal Von Besseler; dus buiten het bereik van de kanonnen van onze forten. Het eerste schot dat gelost werd was een verrassing voor ieder­een, zowel voor de officieren als soldaten. De lucht­verplaatsing door die zware projectielen van ± 1000 kgr., was zo sterk dat het getuid dat ze veroor­zaakte dat van een trein die in aantocht was geleek, en de spotters het een traineblok (bloktrein) noemde.

De uitwerking ervan was verschrikkelijk, en een der eerste van die zware projectielen kwam op de grote koepel van het fort terecht, waardoor deze ingedrukt werd en de bemanning van de koepel onder het puin begraven werd. De wachtmeester die in die koepel het bevel voerde, was mijn schoolkameraad Fr. Robrechts, uit Korbeek-Lo, deze was ook bij de slacht­offers. Die slachtoffers werden, tot hiertoe niet van onder het puin gehaald, men heeft niet beter gevonden dan ze onder het puin te laten liggen en er een monu­ment op te plaatsen, Achteraf vernam ik van een kameraad, ontsnapt uit het fort, dat de beschieting van het fort door de Duitsers, onafgebroken voort­gezet werd. Verschillende stormlopen werden door de vijand ondernomen maar steeds afgeslagen, tot men vernam dat de Duitsers het met hun ruiterij zouden beproeven. Een franse officier die als raads­man op het fort vertoefde bedacht een oorlogslist. Hij deed een grote partij stro in brand steken op de koer van het fort, dat een hoge vlam deed oplaaien. De Duitsers werden daardoor in de waan gebracht dat het fort in brand geschoten werd, en daardoor waag­den ze de stormloop met hun ruiterij. Maar intussentijd waren verschillende machinegeweren in stelling ge­bracht, in afwachting dat men de bestormers zou kunnen neerkogelen. De Duitsers kwamen in charge aangelopen en de machinegeweren begonnen met vol­le kracht te vuren, wat honderden ruiters het leven kostte en zonder resultaat, voor de vijand.

Bevel werd gegeven dat de kompagnie zich moest terugtrekken om zich naar Duffel te begeven ; wij werden in de papierfabriek, gelegen aan de Nete, ge­kantonneerd.



geschutskoepel Walem


Duitsers op de overblijfselen van een geschutskoepel

01-02-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel IV)

12e september- slag aan Rotselaar-molen

Het bataillon van Majoor Tielemans zou het gehucht Rotselaar-molen trachten te veroveren. De stenen brug over de Dijle was aldaar zeer smal en het ganse Bataillon moest daarover om de molen, die op het zogezegde eiland in de Dijle stond, te veroveren. Het is makkelijk te begrijpen dat in looppas die smalle brug oversteken door een bataillon niet van een leien dakje verliep, temeer dat de soldaten de bajonet op het geweer hadden om de stormloop in te zetten.

Na veel moeite, door stoten en duwen, geraakten allen aan de overzijde van de Dijle, maar men stuitte op een verwoede tegenaanval van de Duitsers zodat het Bataillon moest wijken. Nochtans werden de mannen opgejaagd door Majoor Tielemans, met de revolver in de hand, en voortdurend roepend stand te houden. tot hij dodelijk gekwetst werd. Plotseling hoorde men een zware ontploffing en men riep, de brug is ge­sprongen, waardoor de terugweg afgesloten werd, zo dacht men. Men kan zich voorstellen welke verwarring er ontstond ziende dat de vijand aanstormde en menende dat de terugweg afgesneden werd door het springen van de brug over de Dijle ? Maar het sprin­gen van de brug was een vals alarm ; het was de afdamming in de Dijle, om een regelmatige waterstand voor de molen te behouden, die gesprongen was.

Door een 3 a 4 meter verschil van waterpeil van vóór de dam met het normaal peil van de Dijle, ontstond er zo een sterke vloedgolf. dat geen zwemmer er kon doorgeraken. Deze die het toch waagden ver­dronken; vandaar dat er daar zoveel verdronken omdat ze de overkant van de rivier niet konden be­reiken. Ik die niet zwemmen kon zou mij krijgsge­vangen moeten geven, maar alvorens dit te doen liep ik in de richting van de brug om te zien of ik op de ene of andere manier over de brokstukken de Dijle zou kunnen oversteken. Mijn verbazing was groot toen ik zag dat de brug niet gesprongen, maar wel de afdamming bij de molen in de lucht gevlogen was. Ik zet het op een lopen, spring in enkele passen over de brug, liep verder en na 200 meter gelopen te hebben hoorde ik halt roepen en bemerkte ik dat het de vaanderig van het regiment was die zich achter de gevel van het eerste huis verscholen had, met de vlag in de hand ; hij was niet over de brug geweest.

Ik riep luitenant laat ons maken dat we hier weg­komen, want de Duitsers zijn reeds tot aan de brug doorgedrongen ! Beiden liepen we zo hard we konden om weg te komen en ik moest me weren om de vaan­derig bij te houden ; hij kon vlugger lopen dan ik.

Dank door het feit dat ik niet zwemmen kon, redde ik, toevallig, de luitenant en het regimentsvaandel.

Na da slag aan Rotselaar-molen, werd de aftocht inge­zet naar Lier en het 25e linieregiment werd te Wommelgem gekantonneerd.


rotselaar-molen-1902


De molen in 1902
Foto: Molen echos

31-01-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel III)

25e augustus 1914 - 1e uitval vanuit de stelling Antwerpen

Het eerste bataillon van het 25e linie gaat vooraan naar Haecht, rust in het dorp, in afwachting van ver­dere orders.

De Duitsers bezetten het station, de omliggende huizen en de grote melkerij (nu brouwerij). Het station en de omstaande huizen werden stormenderhand ingenomen en de Duitsers trokken zich terug op meer achter­waartse stellingen. Op zeker ogenblik werd een grote hoeve in brand gestoken, waarin de Duitsers die er in verscholen zaten geroosterd werden. Dit was het sein voor de Duitsers om de tegenaanval in te zetten.

Door de overmacht van de Duitsers moest het 25e linieregiment wijken en zich terugtrekken op Tremelo. Beersel- Putte. Koningshooikt naar Lier.

De 27e en 28e werden we terug te Lier gekantonneerd.

Van 30 augustus tot 4 september moest de kompagnie verdedigingswerken uitvoeren te Schilde en Oelegem.

Op 9 september - 2e uitval naar Werchter-Putkapel

Om 15 uur werden we per trein, van Bouchout naar Heist-op-den-Berg vervoerd. Van daar te voet naar Keerbergen, Tremelo naar Werchter. Vernoemde dor­pen waren totaal verwoest. Te Tremelo waren alle huizen, zelfs afgezonderde varkenskoten, uitgebrand door de Duitsers, uitgezonderd de huizen waarop de deur met krijt geschreven was (Gute leute), ellendig om te aanschouwen!

De Duitsers hadden zich terug­getrokken tot over de Demer te Werchter, doch al­vorens zich verder naar Leuven terug te trekken had­den de Duitsers de steunbalken van de brug over de Demer grotendeels doorgezaagd, omdat bij het eerste zwaar gewicht dat over de brug zou komen, met de brug in het water zou storten. We moesten dus halte houden tot de Geniesoldaten de brug zouden hersteld hebben om ze berijbaar te maken. Het oponthoud daardoor duurde nogal geruime tijd, en het toeval wilde dat juist vóór de brug de grote brouwerij Jack-Op gevestigd was.

Alvorens aldaar te vertrekken hadden de Duitsers al de kranen van de grote bewaarvaten (pikardijnen) van het bier opengedraaid, zodat de kelder waarin de vaten stonden, volgelopen waren tot aan de bovenste keldertrappen. Van op die bovenste trappen kon men, naar beliefte Jack-Op scheppen. De soldaten lieten die gelegenheid niet voorbijgaan en er werd gedron­ken met gulzige teugen ; geen wonder want het was die dag zeer warm.


 

BrouwerijJackop


 

 De voormalige brouwerij (De Palmboom) Jack-op te Werchter
Foto:
http://vandersloten.be/media/Gebouwen/BrouwerijJacob.html


 

Ik lag aan het einde van de kompagnie te rusten, tot ik in de gaten kreeg dat soldaten af en toe zich ver­wijderden om daarna dronken terug te komen. Ik ondervroeg een van die dronken soldaten die mij al raaskallend vertelde wat er aan de brug gebeurde. Ik sprong recht, liep naar de brug en zag wat aldaar gaande was. Onmiddellijk begaf ik mij bij de kom­mandant van de kompagnie en vroeg hem dringend een schildwacht aan de keldertrappen te mogen plaatsen. om te beletten dat de zatte partij niet verder zou doorgaan, want wat doet men met zatte soldaten in een gevecht? Mijn verzoek werd onmiddellijk inge­willigd, en wanneer ik na een 15 tal minuten terug op mijn rustplaats kwam, moest ik constateren dat tij­dens mijn korte afwezigheid, men in de kelder van het huis waar ik reeds tevoren geruime tijd gerust had. binnengebroken had en in de wijnkelder terecht gekomen was. Ik schoot in een franse collere naar die wijnkelder en zag dat honderden gebroken wijnflessen over de vloer verspreid lagen en er nog tientallen halfvol op een tafel stonden ; de Duitsers hadden er een wijnavond gehouden.

Onmiddellijk riep ik mijn manschappen bij mij en ver­bood hun nog in de kelder te komen zonder mijn toe­stemming. Op het herhaaldelijk verzoek van de soldaten om toch nog een fles te mogen halen, aange­zien misschien enkele dagen daarna ze toch terug in handen van de Duitsers zouden vallen, gaf ik toelating om op beurt één fles wijn te halen om onmiddellijk uit te drinken, om hun dorst te lessen, en één om er hun veldfles mede te vullen, als reserve tijdens de marche, want men moest nog naar Rotselaar.

De Duitsers hadden zich teruggetrokken tot achter de Dijle.

30-01-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel II)


Inmiddels was het 25e linieregiment samengesteld met als kolonel Cuvelier;majoor Tielemans en voor de vierde kompagnie kapitein-commandant Hutsebaut en luitenant Lalmand. Te Kontich  werd mijn kompagnie onder het bevel van kapitein-commandant Hutsebaut gesteld en ik was bevelhebber af.


Cuvelier



Kolonel Cuvelier



Foto: http://users.pandora.be/ABL1914/



Nadat kommandant Hutsebaut de kompagnie haar kader had aangepast en we vertrekkens gereed stonden, werd het bericht doorgegeven dat België in oorlog was met Duitsland. Luitenant Lalemand bracht dit ter kennis van de soldaten, en omdat hij dit in gebroken nederlands deed (hij was een jonge waal) schoten de mannen in een lachbui dat de luitenant zich zó kwaad (verbolgen) maakte dat ik er tussen moest komen om die piepjonge luitenant tot bedaren te brengen en hem de reden zegde waarom ze lachten.

Nu we geankadreerd waren konden we onze eerste etappe aanvangen. Het ging van Kontich over Mechelen, Leuven tot Korbeek-Lo. Er zijn tijdens die eerste zeer lange etappe, in een verschrikkelijke hitte, gepakt en gezakt, en de zware kapoot om het lijf, velen onderweg neergezegen, maar geen enkele van onze kompagnie omdat ze voorzien waren van een volle veldfles koude koffie.

Te Korbeek-Lo kregen we enkele uren rust en voldoende eten, maar 's anderendaags moest toch een paar uren instruktie gegeven, vooral aan de anciens van de oudste klassen, daar de bewegingen in gesloten rangen gewijzigd waren. Op de derde augustus, nog vóór de oorlogsverklaring, verongelukte mijn vriend Jos Boey, te Boirs. Boey was karabinier-cyclist en tijdens de nacht reed hij naast een kolonne veldgeschut, viel en kwam onder de wielen van een kanon terecht. Misschien wel het eerste slachtoffer van de oorlog?Hij werd naar Willebroek gebracht, zijn geboortedorp, en aldaar begraven.

 


 cyclisten

De Eerste Compagnie carabiniers-cyclisten in 1914. In het midden commandant Van Damme, die sneuvelt in Halen aan het begin van de oorlog.
Foto archief GVA.


Wanneer de slag aan de Gete woedde, werd het 25e linieregiment, dat de tweede linie bezette, bevolen loopgrachten te maken ter hoogte van Pellenberg. Wanneer het dorp Halen ingenomen werd door de Duitsers en het Getefront doorbroken, werd de 5e brigade naar de steenweg op Aarschot naar Leuven verplaatst, als versterking van de troepen die de slag van Aarschot uitvochten. Ter hoogte van Rillaar namen we stelling aldaar, en hadden we ons eerste treffen met de vijand. Na enkele uren strijd moesten we wijken en trokken achteruit tot Keerbergen alwaar we de nacht in open lucht (bivak) op een open plek tussen pijnboombossen, doorbrachten.

Op 20 augustus, ná de slag van Aarschot, werd de brigade teruggetrokken binnen de versterkte stelling van Antwerpen. Te Lier, naast het kerkhof, op de steenweg naar Duffel, werd de kompagnie gekantonneerd.    

   

29-01-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel I)

De Willebroekenaar, korporaal Frans Amelinckx, nam mede het initiatief om het frontblaadje "Willebroeck aan 't front" te stichten. De bedoeling was het thuisfront in te lichten over het lot en belevenissen van de Willebroekenaars.  Hij beschreef er zijn wedervaren tijdens WOI tot in de kleinste details. Niet enkel de oorlogsgruwel komt aan bod maar ook de zeldzame "plezierige" momenten die hij beleefde met zijn strijdmakkers. Het is een boeiend verhaal geworden dat het frontleven van onze Belgische jongens op een unieke wijze weergeeft. Het verhaal zal hier in diverse afleveringen gepubliceerd worden. Frans Amelinckx kwam hier eerder reeds aan bod. Op volgende link kan je van hem enkele foto's vinden:  http://degrooteoorlog.skynetblogs.be/tag/1/Bulskamp


1 augustus 1914, algemene mobilisatie. Al de reservetroepen van het leger tot de klasse 1899, werden onder de wapens geroepen.

Het regimentsdepot van het 5e linieregiment, waartoe ik behoorde, was te Schelle (St. Bernard), bij Hemiksem. Vóór 12 uur moest men zich in het depot melden om niet gestraft te worden voor telaatkoming.

Na de middag, zonder eerst te eten hebben gekregen, naar het depot om de plunjezak, waarin de nodige uitrustingsstukken zich bevonden, te halen en naar buiten brengen om op de weide in rijen te rangschikken. Iedere soldaat moest bij die zak blijven staan om verdere bevelen af te wachten.

Het toeval wilde dat de officier die het bevel voerde, de onderluitenant Van Dromme was, die mijn pelotonoverste was tijdens mijn normale dienst als militiaan. Vernoemde luitenant kreeg mij te pakken en zegde, korporaal Amelinckx  U zijt de oudste gegradeerde van deze kompagnie en U moet bijgevolg het bevel voeren over uwe kompagnie, die ongeveer uit zowat tweehonderd manschappen bestond.

Ik bezag de officier en vroeg lachend, luitenant U wilt toch niet met mij de spot drijven? Integendeel zegde de officier het is zeer ernstig wat ik U beveel en zal u de nodige uitleg geven wat de soldaten dient voorgehouden. Hij ging met mij enkele stappen zijwaarts en begon uit te leggen dat de soldaten het niet te plezierig moesten opnemen want dat de oorlog hard en lang zou kunnen duren.

Het zal geen eenvoudige bewaking van de landsgrenzen zijn zoals in 1870. Daarna zegde hij mij de soldaten aan te raden hun reglementaire uitrusting aan te trekken;vooral de legerschoenen te verwisselen met hun burgerschoenen, want daar zullen ze het eerst moeilijkheden van ondervinden. Wanneer ik die aanbeveling van de luitenant woordelijk aan de soldaten voorzegde, begonnen de meesten te lachten en zegde wat komt U ons vertellen!

Ik trok een ernstig gezicht en zegde op strengere toon, lacht maar, ik doe wat de luitenant gezegd heeft en ik hoop dat allen mijn voorbeeld zullen volgen. Enkelen, volgden mijn voorbeeld, maar de meeste behielden hun burgerschoenen aan de voeten. Ik maakte nog een laatste opmerking met te verklaren dat diegene die hun burgerschoenen binnen enkele weken zouden versleten zijn, niet moesten komen klagen over de sleet van hun schoenen want dat ik hun het verwijt naar het hoofd zou slingeren dat het hun eigen schuld was met naar goede raad en voorbeeld niet te luisteren.

Dezelfde avond werden we gekantonneerd in de schuur van het eerste huis over de spoorweg (halte Schelle) van Antwerpenuid naar Dendermonde. Het graan was maar enkele dagen tevoren binnengehaald en daarop moesten de soldaten slapen. Maar wat gesakker in de nacht omdat ze voortdurend bebeten werden door allerlei ongedierte, vooral van oorwormen en spinnen, en geen oog konden toedoen. Ik wist dat bij ondervindning, en daarom bleef ik liever in de keuken van de pachter zitten. Ik had trouwens andere zorgen om aan eten en drinken te geraken.

Bij het gesprek met de luitenant had ik ook gevraagd op welke manier er diende gehandeld om aan eten en drank te geraken voor de soldaten. De luitenant antwoordde: "vandaag moet ge uw plan trekken, maar morgen zult ge vlees en brood krijgen van het leger". En drank? Daarvoor moet ge ook uw plan trekken voor de enkele dagen dat ge hier te Schelle zult vertoeven. En voor de koffiebonen moet ge maar een opeisingsbon schrijven. Er stond niets anders te doen dan onmiddellijk een opeisingsbon maken voor 15 kilo's koffiebonen.

In de winkel waar ik de bon aanbood was men er niet gaarne bij omdat de voorraad koffie reeds grotendeels opgekocht werd door de amsterende bevolking. Ik was verplicht te dreigen met de politie om bediend te worden. Ik kreeg dus de koffiebonen, maar ongemalen. Noodgedwongen heb ik dan de koffiemolen van de bewoners van het huis in bruikleen moeten vragen, die mij spontaan gegeven werd. Nu kon ik beginnen met malen. De koffiemolen maalde zo fijn dat ik uren aaneen heb moeten malen om alles fijn te krijgen. Het was bijna morgen alvorens ik kon beginnen met koffie te zetten, daarbij geholpen door een oude kok. Het was misschien de enige kompagnie te Schelle waar de soldaten verse koffie konden drinken door eigen middelen bereid en voldoende om hun veldflessen te vullen, wat zeer van pas kwam tijdens de lange marche die moest afgelegd worden bij zulk warm weder.

Op 4 augustus kregen we bevel ons naar Kontich te begeven, langs de steenweg Schelle-Hemiksem-Kontich.