18-08-09

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel XVII)

Aankomst van de rekruten (schachten) op het front

Men had ons reeds lang beloofd dat versterking aan manschappen zou komen, door de rekruten van de klas 1914. Eindelijk, op 22 februari 1915 waren ze aangekomen terwijl onze kompagnie in eerste lijn aan de knokkebrug de wacht optrok.
In de nacht van 22 op 23 februari keerde onze kompagnie uit de frontlinie naar het kantonnement te Pollinkhove, terug.


knokkebrug

Knokkebrug (foto: Marc Ryckaert)


Ons kantonnement was in de school, die verdeeld was in twee klaslokalen; in de ene sliepen de toegekomen schachten en de andere
was voor de anciens bestemd. In volle nacht kwamen we te Pollinkhove in ons logement toe.

Om acht uur 's morgens kwam één der piotten, die op het w.c. een dringende behoefte was gaan doen, binnen gestormd al roepende "De Keunink is daar"!
En inderdaad Koning Albert was de rekruten aan 't inspecteren in de klas naast de onze.

Bij het horen van die uitroep sprong ik recht gevolgd van mijn vriend Rik; 't was om de plaat te poetsen, maar op de koer (speelplaats) werden wij in ons vlucht gestuit, daar de koning reeds uit de klas kwam en op de koer verscheen. Wij moesten halte en front maken en de Koning kwam recht op ons af en vroeg aan de Rik "Avez-vous des bon souliers"? Hebt gij goede schoenen? De Rik antwoordde niet onmiddellijk
en trok daarbij nog een aardige snuit. De Rik uit zijn lood geslagen aarzelde enkele ogenblikken om te antwoorden, tot hij opeens uit volle borst zei: ja, mijne Konink. Ik die er naast stond kon moeilijk mijn lach bedwingen, daar die uitlating niet strookte met de militaire gewoonte; temeer de Rik had geen schoenen aan, want hij stond met een paar grote kapblokken aan de voeten. De Koning schudde het hoofd, bezag mij, knipoogde en ging de klas van de anciens binnen.

Wat de Jules aldaar met de Koning medemaakte vertel ik liever niet.

Na de IJserslag die tot 20 oktober zou duren, maar vooral in de winter van 1917, hebben de soldaten naar ziel en lichaam ontzaglijk veel geleden. Sommigen waren erg ontmoedigd en vaak de wanhoop nabij omdat ze geen nieuws ontvingen, noch van huis, noch van vrienden, die in andere legerafdelingen waren ingedeeld. Nu en dan kwam er wel een gesmokkelde brief in hun handen. Hier past het hulde
te brengen aan de moedige "Stavine" die op gevaar af door de Duitsers gearresteerd te worden, brieven over de Hollandse grens smokkelde
voor de soldaten. 

12-08-09

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel XVI)

'Sanderendaags moesten we van sector veranderen en de piotten van het 6e linieregiment die nog geen trekdier hadden om voor hun keukenkar te spannen, stolen Janneke om als trekdier te gebruiken bij het vervoeren van hun keukengerij.

Madame tack bleef niet bij de pakken zitten en slecht gehumeurd trok ze de baan op om haar Janneke te zoeken. Ook diende ze klacht in bij de officieren die haar beloofde haar ezeltje te helpen zoeken. Daar men vermoedde dat het de piotten van het 6e linieregiment waren, lichtte de officier die bij Madame tack ingekwartierd was, deze in waar de kompagnie van het 6e linieregiment, die in de zaak betrokken was, zich ergens moest bevinden. Verschillende uren heeft Madame Tack gezocht tot ze eindelijk van verre ene kompagnie soldaten, met de keuken achteraan waar Janneke voorgespannen was, zag aankomen. 

Ze zette zich schrab over de weg, greep Janneke bij de teugel, omarmde hem en Janneke begon luidop te balken van blijdschap. De piotten(koks) zagen dat ze verraden waren en beproefde een uiterste middel door madame Tack uit te schelden voor oude toverheks en noem maar op, maar madame was van geen klein gerucht vervaard en begaf zich onmiddellijk bij de kommandant van de kompagnie, die aan het hoofd van de kompagnie marcheerde, en begon hem de schelmerijen De koks beweerden dat ze het ezeltje  opgepikt hadden en niet wisten aan wie dit toebehoorde. De kommandant was niet gediend met hun valse uitleg en gaf bevel het ezeltje dadelijk uit te spannen en aan Madame tack terug te geven.

Madame Tack nam haar "Jeanne" bij de teugel, dankte de kommandant, wipte zich schrijlinks op de rug van Janneke en trok naar huis, de piotten nawuivend en roepend salut ezeldieven. De ezeldieven werden door de kommandant met acht dagenn cachot, zonder soldij, bedacht. Voorwaar, dit was een goede les voor de anderen. Deze die cachot kregen vloekten geweldig op die oude toverheks die hun te slim af was geweest. Dit cachot was achter de Ijser maar een formaliteit, maar geen soldij, dat was het ergste dat hun kon overkomen.

Madame Tack werd te Nieuwkapelle geboren op 11 oktober 1836 en stierf te Brussel op 23 september 1927. Om madame Tack te belonen voor bewezen diensten werd ze tot Ridder in de Leopoldorde verheven.

Wanneer Madame Tack terug thuis kwam met Janneke werd deze onmiddellijk met een amazone-zadel gezadeld en weg was ze naar het dorp om haar inkopen te doen. Ook waren daar nog een paar huisjes van keuterboerkens die gebleven waren. Eén van de dochters van een keuterboerke, rosse Marie, kwam dagelijks met de melk van hun koeien venten, en de piotten kochten graag die melk om chocoladekoffie of pudding te maken. het was een uitzonderlijke gelegenheid dit in de loopgrachten zelf te kunnen maken.


Over mevrouw tack vond ik op http://www.wo1.be/ned/evenementen/erbij/2007/Maart/Diksmuide3003/body1.htm
onderstaande info. Het gaat hier duidelijk over dezelfde madame Tack. De ezel zou volgens deze bron echter naar de naam"Paula" hebben geluisterd ipv Janneke

Chris Vandewalle, stadsarchivaris van Diksmuide, schetste het boeiende verhaal van Madame Marie-Thérèse Faverger-Tack en haar ezelin Paula: "Mevrouw Tack werd geboren in 1836 en was het 2e kind in een gezin van 11 kinderen. De familie behoorde tot de sociale toplaag in Nieuwkapelle en Woumen. De kinderen kregen zeer behoorlijk lager, secundair en enkelen ook universitair onderwijs. Madame Tack huwde in 1859 met Frans Faverger te Veurne. Na het overlijden van haar man werd de Villa Mariette opgetrokken aan de oevers van de IJzer."

Hij vervolgde: "Mevrouw Tack was 78 jaar oud toen in 1914 de oorlog uitbrak. Vanuit haar verblijfplaats in Brussel vluchtte ze naar Nieuwkapelle. De soldaten stonden letterlijk opgesteld in haar voortuin. Ze weigerde haar woning te verlaten. De villa was een toevlucht voor vele soldaten. Over haar ezelin Paula zijn er nog veel onbeantwoorde vragen. Mevrouw Tack zat meestal op de rug van het dier. Alle soldaten kenden haar en Paula. Toen Paula plots verdwenen was, werden van officiële zijde zelfs onderzoeken bevolen. Toen het in het voorjaar van 1917 te gevaarlijk werd, verhuisde ze naar De Panne. Mevrouw Tack stierf in 1927 in Brussel en ze werd met militaire eer begraven in Nieuwkapelle."

 

10-07-08

Lycke Julien Louis

Gegevens bezorgd door Ronny Decorte, kleinzoon van Julien.
 

lycke julien1 (600 x 397)

Lycke Julien Louis geboren op 20-04-1906 te Assebroek ( heden deelgemeente van Brugge)Soldaat van de "classe 1906" ( groepsfoto van 4° batterrie montée -classe de 1906). Julien bevindt zich vermoedelijk op de laatste rij rechts naast de uitsprong in de muur.


lycke julien (379 x 600)

Julien met op de achtergrond zijn zonen Charles en René Lycke met middenin hun moeder Héléna De Groote.

Vermelding op de vuurkaart - volgnummer L/6873
                                        - Heeft tijdens de veldtocht van 1914-1918 gediend
                                              - van 18-08-1914 tot 15-01-1915 bij Gr* artillerrie 1° gemengde artillerie
                                              - van 16-01-1915 tot 24-05-1915 bij 2° regiment artillerie
                                              - van 25-05-1915 tot 31-12-1916 bij 6° regiment artillerie
                                              - van 01-01-1917 tot 11-11-1918 bij 12° regiment artillerie
Houder van 8 frontstrepen, Oorlogskruis met palm,Overwinningsmedaille,Herinneringsmedaille 1914-1918
Stamnummer 162.229
* deze tekst is eerder moeilijk te ontcijferen

23-04-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel XV)

Op 11 januari 1915 kreeg de 2e legerafdeling opdracht de sector van grenspaal 19 tot 25, aan de IJser te bezetten. Het regiment zou de ondersector van grenspaal 20 tot 25 bezetten.

Vóór deze stellingen was er een overstroomde strook weiland van ca. 1500 meter. In die sector was ook het oud fort "Knocke" en Olifantmolen, tot grenspaal 21, begrepen. Er waren aldaar nog weinig of geen loopgrachten gegraven op de IJserdijk, die aldaar ongeveer 5 meter breed was en waarop een kiezelpad, een soort jaagpad of trekpad om de schepen in de IJser door paarden te laten voortslepen.  Wij moesten onmiddellijk beginnen met in die kieselweg te graven, wat niet meeviel, en benden in de dijk werden de eerste degelijke onderstanden geplaatst. De Olifantmolen werd volledig afgebroken, alhoewel dit een zeer goede uitkijkpost was, maar anderzijds tot mikpunt voor de Duitsers diende.


knocke

Aan de teen van de dijk stonden enkele kleine vissershuisjes, en iets afgezonderd was er een soort villa gebouwd waarin de weduwe Tack, de vrouw van wijlen majoor Tack, woonde. Madame Tack was een vriendelijke vrouw en vooral de officieren waren er welkom. Dit was te begrijpen dat ze zich tot de officieren aangetrokken voelde, haar overleden man was toch ook majoor geweest. Al deze redenen inacht genomen besliste onze majoor er zijn intrek te nemen. Aan de woning paalde een grote tuin, waarin allerlei soorten fijne groenten en vruchten gekweekt werden. Madame Tack kon dus voor de heren officieren lekkere gerechten bereiden. Alleen moest ze naar het dorp van Nieuwkapelle, een ½ uur ver vanwaar ze woonde, om brood, vlees, en lekkernijen te kopen.

Om dit alles te vervoeren had ze een ezeltje (Janneke) die alles op zijn rug, madame Tack inbegrepen, ter plaatse bracht. Dit ezeltje, een lief en braaf beestje, was nochtans niet graag gezien door de soldaten, omdat dit beestje iedere morgen bij het krieken van de dag geweldig begon te balken, waardoor de piotten niet meer konden slapen, en iedere morgen dit zelfde gebalk. Dit balken had een voordeel, men hoefde geen hoornblazer aan te stellen om de mannen te wekken; Janneke deed dit regelmatig met brio. Tot slot van rekening werden we er aan gewend, zoals men aan alles gewend geraakte, zelfs aan het onzinnigste. Maar op zekere morgen hoorden wij Janneke niet balken en we dachten dat het beestje ziek geworden was of iets dergelijks; het was heel wat anders! Madame Tack was ook verwonderd geweest haar Janneke niet te hebben horen balken, ging naar de stal van Janneke kijken wat er gaande was, maar Janneke was weg en madame Tack kwam, met de armen in de hoogte, uit de stal en riep luidkeels, men heeft mijn Janneke gestolen! Inderdaad Janneke was gestolen door de mannen van het 6e linieregiment, die naast ons lagen en in de nacht Janneke hadden meegenomen.

 

16-04-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel XIV)

Van 9 tot 16 december is het regiment met rust te Adinkerke.
De 17e
 december is het regiment als reserve te Wulpen.

De 19e december begeeft het regiment zich naar Nieuwpoort, ter beschikking van de Franse generaal Castang en bezet de rechteroever van de IJser.

De 22e november gaan we kantonneren te Wulpen. Bij het vertrek werd een Frans paard (Pik), dat in een weide te grazen stond, medegenomen en voor een driewielkar gespannen. Die driewielkar was achtergelaten door een gevluchte boer. Van dat ogenblik af beschikte de kompagnie over gerij om het keukengerief te vervoeren. Jules was niet weinig in zijn nopjes want voordien bestond de post doe moest zorgen voor inkwartiering uit: de fourier, twee of drie soldaten, die dienst deden als kok. Dit personeel moest zich verplaatsen per rijwiel en als bagage een zakje koffiebonen, zout, enkele messen, twee grote vorken, en een grote soeplepel (louche); dit was alles. Dit gestolen paard (Pik) was een cavaelerie-paard en tijdens de rusturen diende Pik om te oefenen op de rijkunst. Soldaat Monseur was de ritmester en de Jules en ik beproefde ook, op beurt, van te leren rijden. Spijtig voor de Jules, zijn benen waren tekort om zich stevig op de rug van het paard recht te houden, wat hem meermaals op de grond deed vallen.  De ritmeester beweerde dat de Jules het als Jockey zou moeten beproeven gezien zijn lichte lichaamsbouw.

Wanneer de voorwacht ter plaatse kwam moest men op zoek gaan naar aardappelen; vlees en brood werd door de bevoorradingsdienst van het leger ter plaatse gebracht, maar men moest tegen wachten kunnen.

De 23e december vertrekken we met grote rust naar Houtem waar de kompagnie ingekwartierd werd tot 10 januari 1915. Tijdens deze grote rustperiode plande ik een feestje dat op 25 december (Kerstmis) zou plaats grijpen voor de vier Willebroekenaren van de kompagnie n.m. Jules Van den Bossche, Jan Haems, Henri Troch en ik zelf. Het zou een konijnengerecht zijn (keunen bachten den ijzer genaamd). Ik moest de konijnen kopen bij de boerin bij wie de Jules ingekwartierd was. Ik logeerde in een andere hoeve. Ik kocht twee vette konijnen bij Trees een oude jonge dochter, en begon onmiddellijk de konijnen te doden en te villen, wat Trees zó barbaars vond dat ze aan de Jules zei "die koninnenstripper komt bij mij niet meer binnen".

Trees dacht zeker dat men konijnen met haar en vel gereed maakte om op te eten! Bespottelijk hoe achterlijk dat die mensen aldaar nog waren; men kon aldaar geen braadpan om paardenvlees te braden, bekomen!

Op Kerstdag, na smakelijk gegeten te hebben, lieten we een gezamenlijke foto van de groep maken, foto die ik nu nog in mijn bezit heb. Aan Trees zond ik kop en staart  om de slachting in herinnering te brengen, van haar geliefde konijnen. 



willebroekenaren

14-04-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel XIII)

Van 24 tot 28 november terug naar de sector van Ramskapelle lag onze kompagnie aan de overweg van het station van Ramskapelle. Er werd bevel gegeven dat een patrouille zou moeten op verkenning gaan naar de hoeven "Wolvennest en Violet", om na te gaan of deze al dan niet bezet waren door de Duitsers.

Ik, met vijf soldaten, werd aangeduid om die verkenning, in volle dag, uit te voeren. Doch alvorens mijn opdracht aan te vangen zag ik een nederlandse reporter voor een geïllustreerd weekblad, zich opstellen om een foto te nemen van het overstroomde gebied langsheen de spoorweg. De fotograaf stond met de rug naar vernoemd station gekeerd en ik vroeg hem of ik aan de overkant mocht plaats nemen?

Nou zet U er maar bij antwoordde hij en ik werd mee op de gevoelige plaat opgenomen. Die foto verscheen later in die nederlandse illustree, met onderschrift "Een Belgisch soldaat op wacht nabij het overstroomde gebied bij Nieuwpoort". Die foto werd ook gebruikt, zonder mijn toestemming, om in het boek "Notre pays" van de hand van Aug. Smets, bladzijde 219, met als onderschrift, "Un soldat en Sentinelle" opgenomen. Na die opname begaf ik mij op weg op de steenweg van Ramskapelle naar Mannekensvere, die 30 centimeter onder water lag, naar de hoeve "Wolvennest". De hoeve zelf stond op een soort eiland dat hoog boven het water uitstak. De Duitsers moesten ons zien aankomen, maar er werd geen schot gelost, wat mij deed veronderstellen dat de waarnemer(observateur) van de Duitsers ons doen en laten wilde nagaan. We begaven ons eerst, zeer voorzichtig, naar de woning van de boer om ons te vergewissen of er gebeurlijk Duitsers zich zouden schuil houden. Maar er was geen levende ziel in de woning te zien. Wat we binnen te zien kregen was de gans vernielde huisraad van de boer, ledige flessen op de grond aan stukken geslagen, en de ingewanden van de varkens die de Duitsers er geslacht hadden tijdens hun verblijf op de hoeve.


violettehoeve

Violettehoeve vandaag. De hoeve waarvan sprake in dit verhaal werd volledig vernield en heropgebouwd.
Foto: forumeerstewereldoorlog.nl


Daarna de grote tuin achter de woning onderzoeken of er geen Duitsers achter de haag of in het struikgewas verscholen zaten. Maar niets te zien van Duitse soldaten; alleen hun doden hadden ze er begraven.

Nu kwam de grote schuur aan de beurt. De deur stond op ene kier en bij het benaderen ervan hoorde ik binnen geritsel in het stro. Dat geritsel vermoedde de aanwezigheid van levende wezens en ik zie aan de soldaten, met de bajonet op het geweer, let goed op en als er iets buitenkomt onmiddellijk erop schieten, zonder verwittiging. Ik nam mijn geweer, en met de punt van de bajonet duwde ik de schuurdeur verder open en plotseling komt een jonge stier, aanvallend naar buiten gestormd. Ik had nog juist de tijd om opzij te springen, zoals de matadors dit bij de stierengevechten doen, zo niet was ik op de horens van de woeste stier terecht gekomen, maar door mijn bliksemsnelle zijsprong schoot hij mij rakelings voorbij. Ik was geweldig geschrokken maar behield mijn koelbloedigheid, wat mijn redding was. De soldaten die enkele meter verder gereed stonden om te schieten begonnen luidop te lachen en beweerde daarna dat ik aanleg had om stierenvechter te worden. De stier was er al mankend vandoor; hij was vroeger reeds in de bil getroffen geweest. Die stier heeft daar nog twee jaren rondgelopen, eten was er genoeg voor hem, en als hij goed vet was geworden hebben andere soldaten hem gevangen en opgegeten.

Daarna moest de Violethoeve onderzocht worden,  maar we konden ze niet benaderen daar deze rondom in het water stond, en bovendien eerst een brede gracht diende overgestoken te worden. Wij konden er dus niet bij en zonder dat er een schot gelost werd keerde we terug naar de eerste lijn van onze verdediging.

Toen ik mijn wedervaren aan de kommandant van de kompagnie vertelde lachtte de brave man schokschouderend van plezier en zie, Amelinckx ge zijt een geluksvogel er zo van af te zijn gekomen.

Daar wij de Violethoeve niet hadden kunnen benaderen moest een tweede patrouille vertrekken, met medeneming van een lange ladder om de gracht te kunnen oversteken. Wanneer die tweede patrouille tot bij de gracht genaderd was,  de ladder eroverlegde en de eerste man de ladder wilde betreden, werd door de Duitsers geschoten en trof de kogel de korporaal aan de hand. Door dit feit was het bewijs geleverd dat de Violethoeve bezet was door de vijand. De patrouille kwam zonder verdere hinder terug in de voorpost.

09-04-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel XII)

Op 6 november begaf het regiment zich naar Adinkerke en De Panne om aldaar tot 3e Bataillon hervormd te worden.

In De Panne wachtte mij een verrassing; ik trof er de familie Forbiseur van Willebroek aan die tot daar gevlucht was.

Het regiment kantonneerde er van 6 tot 10 november 1914, en van 11 tot 15 november 1914 te Bulskamp. Te Bulskamp werd de kompagnie in de kerk gelogeerd op de blote blauwe kerkvloer. De bureauchef van de kompagnie had zich in de predikstoel geïnstalleerd; hij lag er hoog en droog, maar de soldaten en oversten (de officieren uitgezonderd) die op de kille vloer moesten slapen kregen meestal buikloop, en wanneer de behoefte opkwam om zich te ontlasten, moest men zich haasten om buiten de kerk te geraken, wat niet gemakkelijk ging tussen die opeengepakte mannen een doorgang te vinden, wilde men niet in zijn broek doen. 's Nachts, zonder licht, was dit het ergste, en menig soldaat heeft zijn makker in het gezicht, op de benen of op het lichaam getrapt; wat menige vloeken en verwensingen teweegbracht.


kerk Bulskamp

kerk Bulskamp interieur

Kerk van Bulskamp

Foto's: http://www.westhoek.be


Eens buiten de kerk liep men, zo vlug mogelijk, met de broek los in de hand, naar het plankier rond de kerk, om van daarop zijn vracht te lossen in de beek die naast de kerk vloeide. Van de berm van de beek dreef dan de drek af tot in het water en na enkele dagen was die beek een strondbeek geworden. Degenen die het ergst aangetast waren moesten in het portaal van de kerk blijven liggen wilde ze tijdig aan de strondbeek komen. Het was om zich kreupel te lachen die scheiters op een rij te zien zitten!!! De leepste van de soldaten hadden zich op het hoogkoor geïnstalleerd.

's Morgens wanneer de E.H. pastoor aan 't consacreren was, zaten de soldaten op de trappen van het hoogaltaar hun morgenmaal te nutten. Sommige aten beschuiten en de misdienaar had dit in de gaten gekregen en knielde daarom steeds aan de kant van de beschuit-eters, en terwijl de E.H. pastoor zijn mis vervolgde en de misdienaar op de littanie van alle heiligen, bid voor ons, moest antwoorden, gapte hij de beschuiten van de soldaten en stak ze in de achterzakken van zijn kerkkleed. De piotten hadden er pret om en de misdienaar was er zeer blij mede. Het toeval wilde dat het in de parochie gedurige aanbidding was zodat die komedie met die misdienaar een ganse voormiddag duurde. De bureauchef van de kompagnie was er het ergst aan toe omdat hij de plaats moest ruimen om de E.H. pastoor zijn preek te laten houden.

04-04-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel XI)

Op 30 oktober concentreren de Duitsers hun kanonvuur op de overgang van het station van Ramskapelle. Alweer door een geweldige aanval van de Duitsers moesten de onze wijken en zich terugtrekken op Koolhof en rond de windmolen van Ramskapelle.


station ramskapelle

Station van Ramskapelle anno 1916
Bron: De Frontzate http://www.elliotaanzee.be/Frontzate.htm

Deze windmolen werd ook ingenomen door de Duitsers en deze installeerden er machinegeweren in. Van op de windmolen bestreken zij met hun machinegeweren gans de omliggende vlakte.

Op 30-31 oktober werd een tegenaanval ingezet, in samenwerking met de Senegalezen (onder bevel van Franse officieren) die de molen en daarna het dorp van Ramskapelle moesten heroveren. De molen en de huizen van het dorp moesten één na één, met de bajonet op het geweer, en lijf aan lijf gevechten ingenomen worden.

 


senegalezen

Senegalezen met hun commandant ergens aan het front.

 

Bron: Kleurenfoto's uit de Eerste Wereldoorlog
http://www.wereldoorlog1418.nl/oorlogsnieuws/kleurenfotoos.htm 


Op het geschal van Belgische en Franse klaroenen werd de aanval ingezet. Men moet zo een stormloop gezien hebben om er een gedacht van te hebben en zich te kunnen indenken, welk oorlogsgebrul die Senegalezen uitgalmden, en met hun kromme zwaarden en vlijmscherpe messen vooruit stormden, om al wat ze ontmoette met een krachtige houw te vellen of het hoofd van de vijand af te hakken. De Duitsers moesten ditmaal wijken en met grote verliezen zich terugtrekken tot aan de IJzer in de buurt van Saint-George en Mannekesvere.

De slag van de Ijzer was afgelopen.  

02-04-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel X)

Het onderwater-zetten van de polders (overstromen)

Op 29 oktober 1914 werd op het stadhuis van Veurne beslist de gronden vóór de westelijke kant van de spoorwegdam Nieuwpoort-Diksmuide, onder water te zetten. Cogge gaf de wijze aan hoe men moest tewerk gaan om de onderwater-zetting te kunnen uitvoeren; hij was toch de opzichter van de wateringen van Veurne-ambacht en moest dus ook al de geheimen van het sluizencomplex kennen.

In de nacht van de 29e oktober trok Kommandant Nuyten de Nieuwpoortse sluizen over om, vergezeld van enkele geniesoldaten en schipper GEERAERT de overlaat van de Noordvaart te bereiken. Geeraert vindt de zwengel om de sluisdeuren te kunnen openen en weldra stromen door de acht openingen van de "overlaat" honderden kubiekmeter zeewater de Noordvaart in, om zich verder over wei-en akkerland te verspreiden. Geeraert was dus de man die de eerste onderwater-zetting veroorzaakte. Het zou nog enkele dagen duren alvorens de overstroming een ware verdediging zou vormen. Intussentijd werden alle krachten ingezet om de gaten in de spoorwegdam te dichten om het water op te houden. Is daar koortsachtig gewerkt en gezweet om de duizenden vaderlanderkes met aarde te vullen om de gaten te dichten! Onze kompagnie heeft daar ook aan medegewerkt en precies aan de grote opening onder de boogbrug van de spoorweg.

Toelichting: 

De Bomenaar Frans Cop nam ook deel aan deze operatie. Hij werd te Boom geboren op 23 februari 1880 en was de zoon van Pieter Corneel en Joanna Daes. Frans maakte deel uit van de genietroepen van de tweede legerafdeling. Hij oefende in het burgerleven het beroep vann schipper uit en woonde in de Hoek nr.10. Frans overleed op 2 januari 1965 en ligt begraven op het erepark van de gemeentelijke begraafplaats.


Frans Cop


Frans Cop(links) in gezelschap van Kamiel Van Belle. Beiden maakte deel uit van het detachement dat Geeraert en Cogge bijstond bij de operatie “opendraaien der sluizen”  


graf frans cop

De laatste rustplaats van Frans Cop op het erepark van Boom

 

Bron: Boek "Het kleine Boom in de Grote oorlog"(Marc Verlinden) 

31-03-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel IX)

Slag van de IJzer(vervolg)

De vijand verdubbelde zijn aanvalskracht en voor die overmacht moesten we wijken. De terugtrekking van de kompagnie gebeurde tot 500 meter vóór het bruggenhoofd van Nieuwpoort.

Op 20 oktober bezette de Duitsers Lombartsijde en drongen niet verder aan. Het overschrijden van de bruggen over de sluizen was zeer gevaarlijk daar deze voortdurend onder vuur genomen werden, toch geraakte het gros van het Batailon er overheen en verzamelde zich op een weide zuidwaarts van de stad, alwaar we versterking kregen van vrijwilligers van allerlei pluimage.
De vrijwilligers waren slecht bewapend, sommige hadden een oud geweer (Comblain, van de Garde-civique), en bovendien waren ze slecht onderricht waardoor ze zeer gevaarlijke individuen waren, in zoverre dat ze bij het vormen van gewerenbundels(faiceau) één onder hen zijn kameraad door het hoofd schoot; hij had vergeten zijn wapen op veilig te stellen.


comblain
Comblain
Foto: Belgische wapens
http://www.infanterist.be


Men werd verplicht hun te verbieden met die oude geweren te schieten en te wachten tot men hun Mosergeweren zou kunnen geven, wat niet lang op zich liet wachten aangezien het groot aantal doden en gekwetsten, waarvan men hun dan een mozer-geweer kon terhand stellen. Ook moesten de geweerkogels uit de kardoestassen (cartouchiers) van de gesneuvelden gehaald worden bij gebrek aan schietvoorraad.

Bij de tegenaanval op de hoeve (Bambourgh) werd het 9e linieregiment, versterkt met Engelse mariniers, met machinegeweren, en manschappen van de 5e brigade infanterie, ingezet. De kommandant Romedenne en luitenat Calle, die de belgische sectie machinegeweren beveelden, wisten hoe gevaarlijk de toestand er was en verwittigde de Engelse matrozen hun machinegeweren niet zo roekeloos bloot te stellen. Maar zo verwaand ze waren niet naar de goede raad van de Belgische officieren te willen luisteren, en toch hun zin doordreven, waren ze nog maar even in stelling of een duitse batterij nam ze onder schot, en ze moesten al hun materiaal en gesneuvelde makkers op het slagveld achterlaten.

Maar het gevolg was dat door die roekeloze daad de verdediging van "Bambourgh" verzwakt werd en door de sterke aanval van de Duitsers de hoeve moest prijsgegeven worden, en de Belgische soldaten zich moesten terugtrekken op de steenweg naar Nieuwpoort tot vóór de bruggen over de IJzer. De slag van Lombardsijde kostte grote verliezen aan officieren en manschappen.

Toelichting: over deze hoeve verneem je meer op het
Forum van de Eerste Wereldoorlog.

Het regiment, zeer verzwakt, bracht de nacht van 20-21 oktober door onder de plassende regen. De 22e oktober werden we te Oostduinkerke gekantonneerd. De 24e oktober kreeg de kompagnie opdracht stelling te nemen aan de brug van Keteleersdam, als versterking van het 14e linieregiment dat in een verwoedde slag door de duitse overmacht op de Noordvaart moest terugtrekken.

De Duitsers achtervolgde de Belgen door zich te laten voorafgaan van Belgische krijgsgevangenen als scherm gebruikend, wat ons belette te schieten op de Duitsers om geen kameraden te doden; een zeer laffe daad van de Duitsers! De 25e oktober werd in samenwerking met een bataillon van het 6e linieregiment een tegenaanval ingezet; deze tegenaanval mislukte en een groot gedeelte van het bataillon werd krijgsgevangen genomen.

Door de grote overmacht van de Duitsers moesten de overblijvenden van het bataillon van Majoor Gillet zich terugtrekken tot achter de dijk van de spoorweg Nieuwpoort-Diksmuide, waar de vijandelijke vooruitgang gestuit werd. In de nacht van 26 oktober werd het bataillon afgelost door verse troepen en we werden te Wulpen gekantonneerd om aldaar het het bataillon te hergroeperen.

Op 1 november werd de toren van de kerk van Wulpen door de Belgische Genie opgeblazen, opdat de toren niet meer als mikpunt voor de Duitsers zou kunnen dienen. De burgers van het dorp waren reeds gevlucht, alleen de zusterkes van het klooster waren de laatste die zouden vertrekken, omdat ze eerst hun voorraad wijn aan de man wilde brengen. De soldaten vroegen niets beter dan die wijn te kopen, en de Jules en ik maakte van dit buitenkansje ook gebruik om elk twee flessen van die beste wijn, tegen 2 frank de fles, te kopen. Wij hebben samen die flessen beste wijn zeer profeitelijk uitgedronken.

Op 28 oktober piket in de steenbakkerij van Ramskapelle.

De 29e oktober bezetten we de dijk van de spoorweg van Nieuwpoort-Diksmuide en tot de hoeve "Viole".

Onze kompagnie bezette het gedeelte tussen Palingbrug en het station van Ramskapelle.

Op 4 november 1914 werd aan de bevelhebber van de Fransen, in België, gevraagd in samenwerking met de Belgen, een uitval te doen richting Lombardsijde-Westende, terwijl de 1e en de 2e kompagnie het bruggenhoofd van de palingbrug moesten bezetten.

Niettegenstaande de uiterste wilskracht van de soldaten werd Lombardsijde door de Duitsers terug bezet. In de nacht van de 4e oktober(November?) nam onze kompagnie stelling in de eerste lijn vóór Nieuwpoort. Afgelost de 5e oktober(november?), werden we in de kelders van Nieuwpoort-Stad ondergebracht. 

28-03-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel VIII)

Slag van de IJzer

De 2e legerafdeling zou de sector op de uiterste linkervleugel van het ganse front bezetten; te Lobardszijde, tegen de zeeduinen en het strand, tot Saint-Georges.

Rond 17 oktober 1914 begon de IJzerslag, die duurde tot 30 oktober 1914. De eerste aanval op Nieuwpoort begon op 20 oktober 1914 met de aanval op Schuddebeurs en de grote versterkte hoeve (Bamburgh).

Deze hoeve, door paters, de vroegere bezitters van de hoeve, in een echt bastion herschapen, was moeilijk te veroveren. Daar die hoeve een sterke verdediging, als voorpost van de stelling Nieuwpoort was, werd om dit belangrijk steunpunt hardnekkig gevochten en viel dit bastion meermaals in de handen van de vijand en visa versa van de Belgen. Door de Duitse overmacht en de hardnekkige aanvallen van de vijand, moesten de Belgen de hoeve prijsgeven.

Op de uiterste vleugel van het front van Nieuwpoort tot aan de duinen, juist vóór het dorp Lombardsyde werd op de hoogste duin aldaar een Belgische vlag op een hoge mast geplaatst, om de bevelvoerders van de Engelse oorlogsschepen, die de Belgische strijdkrachten moesten steunen, aan te tonen waar de Belgische loopgrachten van de eerste lijn zich bevonden.

Dit was hoogst nodig daar van vernoemde schepen reeds in onze rangen geschoten was, en de waarnemer (observateur) in de kerktoren van Lombardsijde uit zijn post geschoten hadden en gedood.

Het bevel werd gegeven dat aan de voet van die vlaggemast een wacht moest geplaatst worden. Vijf soldaten en ikzelf, als overste, kregen het bevel bij die vlag te gaan postvatten. Had ik dit bevel korrekt uitgevoerd dan zou ik nu niet meer dit verhaal kunnen neerschrijven, want die Belgische vlag was maar amper 1/2 uur op de aangeduidde plaats gehezen of de Duitsers namen het onder kanonvuur en bij het eerste schot trof de projectiel de mast die verschillende meter door de lucht geslingerd werd en een kolonne duinzand deed opstuiven.


 affenberg
De Affenberg, Duitse stelling in de duinen van Lombartsijde
Foto: http://users.skynet.be/elliotenco/Oorloginbeeld.htm


De soldaten in de eerste lijn hadden uit nieuwsgierigheid die operatie gevolgd en wanneer ze die vlaggestok in de lucht zagen slingeren veronderstelden ze dat de wacht daarbij omgekomen was. Men kwam dan onmiddellijk toegelopen om zich te vergewissen van de toestand. Maar op de plaats zelf was niets meer te bespeuren;noch vlaggestok noch vlag. Ik aanzag dit alles lachend vanop het duin op vijftig meter vandaan, "hewel, wat zoekt ge?" Het antwoord luidde, wij kwamen u zoeken! Hun ongerustheid was te begrijpen, vooral de Jules was erg geschrokken. Had ik niet vooruitziende geweest, en mijn opdracht slaafs uitgevoerd, dan ware het onvermijdelijke gebeurd.

Bij het terugkeren in de loopgracht werd ik bij de kommandant van de kompagnie geroepen die mij geluk wenste en prees om mijn schrander vooruitzicht.

 

 

 

 

 

 

23-02-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel VII)

7e oktober

De kompagnie krijgt bevel naar Hemiksem op te trekken. Wij bevonden ons aan de overweg, aan de halte (Hemiksem-Werkhuizen), toen het bevel gegeven werd naar Antwerpen terug te keren. De Duitsers waren op dat ogenblik reeds tot Hemiksem doorgedrongen ; aan het wild blaffen van de honden kon men dat vermoeden. De aftocht was ellendig om te aanzien, al de petroltanken (ketels) stonden in brand, zelfs een stapel tonnen, gevuld met petroleum werden ook aangestoken. Zonder spreken vervolgden wij onze terugweg naar Antwerpen, langs het Kiel, Montignystraat, Scheldestraat, langsheen de schelde-kaaien tot aan de Steenplaats. Onder de afdaken wa­ren plunderaars volop aan gang, zodat de tussenkomst van de Gendarmen nodig was. Aan de pontonbrug over de Schelde, gelegd door de ponteniers, moest eerst de artillerie de overgang maken en daarna het voetvolk.

Eenmaal op de linkeroever van de Schelde was het een droevig schouwspel om te aanzien hoeveel bran­den er in de stad gesticht werden door het bombar­deren, het leek of de hele stad in brand stond. Van op het Vlaams-hoofd (St. Anneke) werd dan de aftocht aangevangen over Zwijndrecht, Melsele, Beveren-Waas, Vrasene, St. Gillis-Waas, Kemzeke, Stekene, Moerbeke-Waas. Het was een martelgang voor de soldaten, en bovendien erg ontmoedigend bij het zien van al die ellende bij de vluchtende burgerbevolking.

Wie zoiets zag kan dit nooit vergeten.

Te Sint-Gillis-Waas had ik een goede kennis wonen, en aangezien we aldaar bij het Marktplein enkele minuten rust kregen, maakte ik daarvan gebruik om die kennis eens goeden dag te zeggen. Op het Markt­plein stonden nog enkele tafels, en op één daarvan stonden nog twee gevulde flessen; tien grote en een andere (kleine). De ene was een volle champagnefles en de andere met een soort likeur? Aangezien ik mijn vriend Jules ook wilde laten proeven vroeg ik of ik de champagne kon krijgen, maar dit werd mij ge­weigerd omdat ik alleen was. Ik kreeg dan toch het kleine flesje met likeur. Daarna wilde ik mijn kennis een bezoek brengen, maar deze waren reeds gevlucht naar de Kling (Nederlandse grens). Ik keerde terug naar de plaats alwaar ik de kompagnie verlaten had, maar deze was reeds vertrokken.

Ik haastte mij om de kompagnie in te halen en zag onderweg iemand op de kant van de gracht langs de weg liggen. Ik keek nadertoe en verbaast zag ik dat het mijn vriend Jules was, totaal uitgeput, en zei niet verder te kunnen gaan. Ik zegde Jules ge moet kost wat kost mee of ge zijt krijgsgevangen. Ik zette de Jules overeind en nam mijn flesje likeur. Ik liet de Jules alleen de ganse inhoud van het flesje uitdrinken ; het was zulk een sterke stimulant dat de Jules ervan opsprong en zegde, allé Frans nu zal het wel gaan, en het ging. De Jules heeft al meermaals herhaald dat ik hem van krijgsgevangenschap redde.

De verdedigers van de fortengordel van Antwerpen waren afgesloten van het veldleger, en er bleef hun geen andere kans dan zich krijgsgevangen te laten nemen, of de nederlandse grens over te steken en zich te laten interneren; dit laatste verkozen de meeste die niet meer weg konden.

Op 11 oktober hield de 2e legerafdeling halt vóór het dorp Moerbeke om de uitgeputte soldaten wat rust te geven. Geen half uur ging voorbij of men riep opstaan (debout), de vijand is in aantocht ! Inderdaad, onmiddellijk daarop werd het dorp Moerbeke bescho­ten door de vijandelijke kanonnen. Het eerste schot trof het kanon, dat op onze kompagnie volgde, en doodde twee paarden. De kompagnie van het 5e linieregiment vóór ons uit Antwerpen vertrokken, lag nog te rusten in het dorp Moerbeke. Er werd "sauve qui peut., redde zich wie kan., geroepen. Het werd een geharrewar van soldaten met de vluchtelingen om zich niet door de vijand krijgsgevangen te laten nemen. Het is daar dat vele soldaten de grens zijn overgestoken en zich lieten interneren In Nederland.

Van Moerbeke over Wachtebeke naar Zelzate. Te Wachtebeke werden we niet beschoten en bereikten zonder verdere tegenstand Zelzate. Te Eeklo werden de soldaten, per trein, naar Veurne gevoerd. Te Veurne eerste kantonnement in het prison (gevan­genis), er was geen enkel ander logement beschik­baar. Enkele dagen daarna, in volle vaart, naar de IJzer, bij Nieuwpoort, om er langsheen de dijken van de IJzer loopgrachten te graven.

20-02-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel VI)

25e september

De brigade krijgt bevel de tussenruimten van het fort van Koningshooikt met de redoute van Tallaert, in eerste lijn, te bezetten. De twee eerste dagen was het er kalm en terwijl we in de loopgrachten uitkeken, om niet bij verrassing aangevallen te worden, zagen wij in de nacht de kerktoren van Koningshooikt in volle vuur ; een enig schouwspel van vuurwerk. Het gaf ons het voordeel dat het oorlogsveld er min of meer door verlicht werd, en waardoor we gemakkelijker het over en weer lopen van de Duitsers konden nagaan. Mis­schien heeft dit felt menige vijand het leven gekost, want er werd duchtig op geschoten.

2e oktober werd bevel gegeven dat de brigade zich achter de Nete moest terugtrekken. Op een brug ge­legd door de Genie, werd de overtocht van de Nete en de daarnaast liggende overstroomde weiden, ondernomen, om op de noordelijke oever van de Nete  loopgrachten te graven.

De brigade werd afgelost door een regiment vestings­troepen en ging kantonneren te Boechout.

Bij de aankomst in het dorp vond de kompagnie geen onderkomen meer, alles was reeds bezet, uitge­zonderd de villa van een Duitse artillerie-kommandant.

Dit huis was als verlaten, deuren en vensters afge­sloten. Men deed dit de kommandant van de kompag­nie opmerken en deze gaf onmiddellijk bevel de deu­ren open te breken en de soldaten gingen naar bin­nen. Men kan zich voorstellen wat er zoal gebeurde in het huis van een vijand ! Vooreerst werd de wijnkelder en provisiekelder aangepakt, en daarna het over­blijvende. De piano en de familieportretten moesten er ook aan geloven. Eindelijk kon ik met veel moeite de mannen tot bedaren brengen, en legde deze zich te rusten. De morgen daarop vroeg opstaan, en in de rangen om te vertrekken naar het fort van Broechem. Of de Duitse artillerie-kommandant door spionnen verwittigd werd over wat in zijn woning te Boechout gebeurde, weet ik niet, maar door het feit dat wanneer de man­nen van de kompagnie nog geen vijf minuten het huis verlaten hadden, en slechts op 100 meter vandaar in de rij stonden om te vertrekken, een zware obus op het verlaten huis kwam, was verdacht. Misschien was het de eigenaar-artilleur. zelf, die zijn woning be­schoot om de indringers te bestraffen, maar hij was vijf minuten te laat om wraak te nemen.

broechem


Fort van Broechem
Bron: http://www.fortweb.net/photos/antwerp/broechem.htm

Op 6 oktober zet de brigade zich in beweging, gaat de stad Ant­werpen door om op het Kiel te kantonneren. Onze kompagnie nam haar intrek in de cinema "Nova" aan de Abdijstraat.

07-02-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel V)

Belegering van Antwerpen

Tijdens die rustperiode werd het 5e linieregiment met het 26e linieregiment samengevoegd en de drie Bataillons, bestaande uit vier kompagnie's werden herleidt tot twee Bataillons van drie kompagnie's.

Het 25e linieregiment bestond dus niet meer.

Ik werd bij de eerste kompagnie van het 5e linie­regiment, bij kommandant Vaesens, ingedeeld. De meeste officieren waren gesneuveld, gekwetst of krijgsgevangen genomen, en om die leemte aan te vullen werden beroeps-onderofficieren tot luitenant bevorderd ; zelfs brigadiers bij de Gendarmerie wer­den tot onderluitenant benoemd.

Tot 24 september 1914 bleef de brigade in hetzelfde kantonnement, en op 25 september werd de kompagnie te Aartselaar gekantonneerd.

Op 27 september 1914, vertrekt de brigade naar Mechelen voor een derde uitval. In de nacht van 27e en 28e september kantonneerde we te Walem.

In de vroege morgen richtte de brigade, in versnelde pas, zich naar Mechelen onder de beschieting van kartetvuur van kannonnen. Onze kompagnie had als opdracht de richting van het spoorstation van Meche­len en de daarnaast liggende Leuvensevaart. De Duit­sers hadden stelling genomen in de driehoek gevormd door de spoorwegdam van de lijn Brussel-Mechelen, de spoorwegdam van de lijn Mechelen-Dendermonde. en achter de Leuvensevaart. In die driehoek, in een park, stond het gebouw van het .Instituut Coloma , met een hoog verheven torentje. De Duitsers hadden machinegeweren in dit torentje geinstalleerd, en van daaruit beschoten ze de sporen van de spoorweg en het station zelf. Die beschieting was zo hevig dat alle vooruitgang onmogelijk was ; wij moesten noodge­dwongen ons terugtrekken.

coloma


Het Coloma instituut met het "hoog verheven" torentje.

De kompagnie trok zich terug langs de straten van Mechelen om stelling te nemen vóór het fort van Walem. Terwijl we aldaar loopgrachten aan 't graven waren begon de beschie­ting van het fort van Walem met artillerie, met projec­tielen van 380 millimeter diameter. Die kanonnen stonden opgesteld nabij Vilvoorde, en stonden onder bevel van Generaal Von Besseler; dus buiten het bereik van de kanonnen van onze forten. Het eerste schot dat gelost werd was een verrassing voor ieder­een, zowel voor de officieren als soldaten. De lucht­verplaatsing door die zware projectielen van ± 1000 kgr., was zo sterk dat het getuid dat ze veroor­zaakte dat van een trein die in aantocht was geleek, en de spotters het een traineblok (bloktrein) noemde.

De uitwerking ervan was verschrikkelijk, en een der eerste van die zware projectielen kwam op de grote koepel van het fort terecht, waardoor deze ingedrukt werd en de bemanning van de koepel onder het puin begraven werd. De wachtmeester die in die koepel het bevel voerde, was mijn schoolkameraad Fr. Robrechts, uit Korbeek-Lo, deze was ook bij de slacht­offers. Die slachtoffers werden, tot hiertoe niet van onder het puin gehaald, men heeft niet beter gevonden dan ze onder het puin te laten liggen en er een monu­ment op te plaatsen, Achteraf vernam ik van een kameraad, ontsnapt uit het fort, dat de beschieting van het fort door de Duitsers, onafgebroken voort­gezet werd. Verschillende stormlopen werden door de vijand ondernomen maar steeds afgeslagen, tot men vernam dat de Duitsers het met hun ruiterij zouden beproeven. Een franse officier die als raads­man op het fort vertoefde bedacht een oorlogslist. Hij deed een grote partij stro in brand steken op de koer van het fort, dat een hoge vlam deed oplaaien. De Duitsers werden daardoor in de waan gebracht dat het fort in brand geschoten werd, en daardoor waag­den ze de stormloop met hun ruiterij. Maar intussentijd waren verschillende machinegeweren in stelling ge­bracht, in afwachting dat men de bestormers zou kunnen neerkogelen. De Duitsers kwamen in charge aangelopen en de machinegeweren begonnen met vol­le kracht te vuren, wat honderden ruiters het leven kostte en zonder resultaat, voor de vijand.

Bevel werd gegeven dat de kompagnie zich moest terugtrekken om zich naar Duffel te begeven ; wij werden in de papierfabriek, gelegen aan de Nete, ge­kantonneerd.



geschutskoepel Walem


Duitsers op de overblijfselen van een geschutskoepel

01-02-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel IV)

12e september- slag aan Rotselaar-molen

Het bataillon van Majoor Tielemans zou het gehucht Rotselaar-molen trachten te veroveren. De stenen brug over de Dijle was aldaar zeer smal en het ganse Bataillon moest daarover om de molen, die op het zogezegde eiland in de Dijle stond, te veroveren. Het is makkelijk te begrijpen dat in looppas die smalle brug oversteken door een bataillon niet van een leien dakje verliep, temeer dat de soldaten de bajonet op het geweer hadden om de stormloop in te zetten.

Na veel moeite, door stoten en duwen, geraakten allen aan de overzijde van de Dijle, maar men stuitte op een verwoede tegenaanval van de Duitsers zodat het Bataillon moest wijken. Nochtans werden de mannen opgejaagd door Majoor Tielemans, met de revolver in de hand, en voortdurend roepend stand te houden. tot hij dodelijk gekwetst werd. Plotseling hoorde men een zware ontploffing en men riep, de brug is ge­sprongen, waardoor de terugweg afgesloten werd, zo dacht men. Men kan zich voorstellen welke verwarring er ontstond ziende dat de vijand aanstormde en menende dat de terugweg afgesneden werd door het springen van de brug over de Dijle ? Maar het sprin­gen van de brug was een vals alarm ; het was de afdamming in de Dijle, om een regelmatige waterstand voor de molen te behouden, die gesprongen was.

Door een 3 a 4 meter verschil van waterpeil van vóór de dam met het normaal peil van de Dijle, ontstond er zo een sterke vloedgolf. dat geen zwemmer er kon doorgeraken. Deze die het toch waagden ver­dronken; vandaar dat er daar zoveel verdronken omdat ze de overkant van de rivier niet konden be­reiken. Ik die niet zwemmen kon zou mij krijgsge­vangen moeten geven, maar alvorens dit te doen liep ik in de richting van de brug om te zien of ik op de ene of andere manier over de brokstukken de Dijle zou kunnen oversteken. Mijn verbazing was groot toen ik zag dat de brug niet gesprongen, maar wel de afdamming bij de molen in de lucht gevlogen was. Ik zet het op een lopen, spring in enkele passen over de brug, liep verder en na 200 meter gelopen te hebben hoorde ik halt roepen en bemerkte ik dat het de vaanderig van het regiment was die zich achter de gevel van het eerste huis verscholen had, met de vlag in de hand ; hij was niet over de brug geweest.

Ik riep luitenant laat ons maken dat we hier weg­komen, want de Duitsers zijn reeds tot aan de brug doorgedrongen ! Beiden liepen we zo hard we konden om weg te komen en ik moest me weren om de vaan­derig bij te houden ; hij kon vlugger lopen dan ik.

Dank door het feit dat ik niet zwemmen kon, redde ik, toevallig, de luitenant en het regimentsvaandel.

Na da slag aan Rotselaar-molen, werd de aftocht inge­zet naar Lier en het 25e linieregiment werd te Wommelgem gekantonneerd.


rotselaar-molen-1902


De molen in 1902
Foto: Molen echos

31-01-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel III)

25e augustus 1914 - 1e uitval vanuit de stelling Antwerpen

Het eerste bataillon van het 25e linie gaat vooraan naar Haecht, rust in het dorp, in afwachting van ver­dere orders.

De Duitsers bezetten het station, de omliggende huizen en de grote melkerij (nu brouwerij). Het station en de omstaande huizen werden stormenderhand ingenomen en de Duitsers trokken zich terug op meer achter­waartse stellingen. Op zeker ogenblik werd een grote hoeve in brand gestoken, waarin de Duitsers die er in verscholen zaten geroosterd werden. Dit was het sein voor de Duitsers om de tegenaanval in te zetten.

Door de overmacht van de Duitsers moest het 25e linieregiment wijken en zich terugtrekken op Tremelo. Beersel- Putte. Koningshooikt naar Lier.

De 27e en 28e werden we terug te Lier gekantonneerd.

Van 30 augustus tot 4 september moest de kompagnie verdedigingswerken uitvoeren te Schilde en Oelegem.

Op 9 september - 2e uitval naar Werchter-Putkapel

Om 15 uur werden we per trein, van Bouchout naar Heist-op-den-Berg vervoerd. Van daar te voet naar Keerbergen, Tremelo naar Werchter. Vernoemde dor­pen waren totaal verwoest. Te Tremelo waren alle huizen, zelfs afgezonderde varkenskoten, uitgebrand door de Duitsers, uitgezonderd de huizen waarop de deur met krijt geschreven was (Gute leute), ellendig om te aanschouwen!

De Duitsers hadden zich terug­getrokken tot over de Demer te Werchter, doch al­vorens zich verder naar Leuven terug te trekken had­den de Duitsers de steunbalken van de brug over de Demer grotendeels doorgezaagd, omdat bij het eerste zwaar gewicht dat over de brug zou komen, met de brug in het water zou storten. We moesten dus halte houden tot de Geniesoldaten de brug zouden hersteld hebben om ze berijbaar te maken. Het oponthoud daardoor duurde nogal geruime tijd, en het toeval wilde dat juist vóór de brug de grote brouwerij Jack-Op gevestigd was.

Alvorens aldaar te vertrekken hadden de Duitsers al de kranen van de grote bewaarvaten (pikardijnen) van het bier opengedraaid, zodat de kelder waarin de vaten stonden, volgelopen waren tot aan de bovenste keldertrappen. Van op die bovenste trappen kon men, naar beliefte Jack-Op scheppen. De soldaten lieten die gelegenheid niet voorbijgaan en er werd gedron­ken met gulzige teugen ; geen wonder want het was die dag zeer warm.


 

BrouwerijJackop


 

 De voormalige brouwerij (De Palmboom) Jack-op te Werchter
Foto:
http://vandersloten.be/media/Gebouwen/BrouwerijJacob.html


 

Ik lag aan het einde van de kompagnie te rusten, tot ik in de gaten kreeg dat soldaten af en toe zich ver­wijderden om daarna dronken terug te komen. Ik ondervroeg een van die dronken soldaten die mij al raaskallend vertelde wat er aan de brug gebeurde. Ik sprong recht, liep naar de brug en zag wat aldaar gaande was. Onmiddellijk begaf ik mij bij de kom­mandant van de kompagnie en vroeg hem dringend een schildwacht aan de keldertrappen te mogen plaatsen. om te beletten dat de zatte partij niet verder zou doorgaan, want wat doet men met zatte soldaten in een gevecht? Mijn verzoek werd onmiddellijk inge­willigd, en wanneer ik na een 15 tal minuten terug op mijn rustplaats kwam, moest ik constateren dat tij­dens mijn korte afwezigheid, men in de kelder van het huis waar ik reeds tevoren geruime tijd gerust had. binnengebroken had en in de wijnkelder terecht gekomen was. Ik schoot in een franse collere naar die wijnkelder en zag dat honderden gebroken wijnflessen over de vloer verspreid lagen en er nog tientallen halfvol op een tafel stonden ; de Duitsers hadden er een wijnavond gehouden.

Onmiddellijk riep ik mijn manschappen bij mij en ver­bood hun nog in de kelder te komen zonder mijn toe­stemming. Op het herhaaldelijk verzoek van de soldaten om toch nog een fles te mogen halen, aange­zien misschien enkele dagen daarna ze toch terug in handen van de Duitsers zouden vallen, gaf ik toelating om op beurt één fles wijn te halen om onmiddellijk uit te drinken, om hun dorst te lessen, en één om er hun veldfles mede te vullen, als reserve tijdens de marche, want men moest nog naar Rotselaar.

De Duitsers hadden zich teruggetrokken tot achter de Dijle.

30-01-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel II)


Inmiddels was het 25e linieregiment samengesteld met als kolonel Cuvelier;majoor Tielemans en voor de vierde kompagnie kapitein-commandant Hutsebaut en luitenant Lalmand. Te Kontich  werd mijn kompagnie onder het bevel van kapitein-commandant Hutsebaut gesteld en ik was bevelhebber af.


Cuvelier



Kolonel Cuvelier



Foto: http://users.pandora.be/ABL1914/



Nadat kommandant Hutsebaut de kompagnie haar kader had aangepast en we vertrekkens gereed stonden, werd het bericht doorgegeven dat België in oorlog was met Duitsland. Luitenant Lalemand bracht dit ter kennis van de soldaten, en omdat hij dit in gebroken nederlands deed (hij was een jonge waal) schoten de mannen in een lachbui dat de luitenant zich zó kwaad (verbolgen) maakte dat ik er tussen moest komen om die piepjonge luitenant tot bedaren te brengen en hem de reden zegde waarom ze lachten.

Nu we geankadreerd waren konden we onze eerste etappe aanvangen. Het ging van Kontich over Mechelen, Leuven tot Korbeek-Lo. Er zijn tijdens die eerste zeer lange etappe, in een verschrikkelijke hitte, gepakt en gezakt, en de zware kapoot om het lijf, velen onderweg neergezegen, maar geen enkele van onze kompagnie omdat ze voorzien waren van een volle veldfles koude koffie.

Te Korbeek-Lo kregen we enkele uren rust en voldoende eten, maar 's anderendaags moest toch een paar uren instruktie gegeven, vooral aan de anciens van de oudste klassen, daar de bewegingen in gesloten rangen gewijzigd waren. Op de derde augustus, nog vóór de oorlogsverklaring, verongelukte mijn vriend Jos Boey, te Boirs. Boey was karabinier-cyclist en tijdens de nacht reed hij naast een kolonne veldgeschut, viel en kwam onder de wielen van een kanon terecht. Misschien wel het eerste slachtoffer van de oorlog?Hij werd naar Willebroek gebracht, zijn geboortedorp, en aldaar begraven.

 


 cyclisten

De Eerste Compagnie carabiniers-cyclisten in 1914. In het midden commandant Van Damme, die sneuvelt in Halen aan het begin van de oorlog.
Foto archief GVA.


Wanneer de slag aan de Gete woedde, werd het 25e linieregiment, dat de tweede linie bezette, bevolen loopgrachten te maken ter hoogte van Pellenberg. Wanneer het dorp Halen ingenomen werd door de Duitsers en het Getefront doorbroken, werd de 5e brigade naar de steenweg op Aarschot naar Leuven verplaatst, als versterking van de troepen die de slag van Aarschot uitvochten. Ter hoogte van Rillaar namen we stelling aldaar, en hadden we ons eerste treffen met de vijand. Na enkele uren strijd moesten we wijken en trokken achteruit tot Keerbergen alwaar we de nacht in open lucht (bivak) op een open plek tussen pijnboombossen, doorbrachten.

Op 20 augustus, ná de slag van Aarschot, werd de brigade teruggetrokken binnen de versterkte stelling van Antwerpen. Te Lier, naast het kerkhof, op de steenweg naar Duffel, werd de kompagnie gekantonneerd.    

   

29-01-08

Memoires van de oorlog 1914-1918(Deel I)

De Willebroekenaar, korporaal Frans Amelinckx, nam mede het initiatief om het frontblaadje "Willebroeck aan 't front" te stichten. De bedoeling was het thuisfront in te lichten over het lot en belevenissen van de Willebroekenaars.  Hij beschreef er zijn wedervaren tijdens WOI tot in de kleinste details. Niet enkel de oorlogsgruwel komt aan bod maar ook de zeldzame "plezierige" momenten die hij beleefde met zijn strijdmakkers. Het is een boeiend verhaal geworden dat het frontleven van onze Belgische jongens op een unieke wijze weergeeft. Het verhaal zal hier in diverse afleveringen gepubliceerd worden. Frans Amelinckx kwam hier eerder reeds aan bod. Op volgende link kan je van hem enkele foto's vinden:  http://degrooteoorlog.skynetblogs.be/tag/1/Bulskamp


1 augustus 1914, algemene mobilisatie. Al de reservetroepen van het leger tot de klasse 1899, werden onder de wapens geroepen.

Het regimentsdepot van het 5e linieregiment, waartoe ik behoorde, was te Schelle (St. Bernard), bij Hemiksem. Vóór 12 uur moest men zich in het depot melden om niet gestraft te worden voor telaatkoming.

Na de middag, zonder eerst te eten hebben gekregen, naar het depot om de plunjezak, waarin de nodige uitrustingsstukken zich bevonden, te halen en naar buiten brengen om op de weide in rijen te rangschikken. Iedere soldaat moest bij die zak blijven staan om verdere bevelen af te wachten.

Het toeval wilde dat de officier die het bevel voerde, de onderluitenant Van Dromme was, die mijn pelotonoverste was tijdens mijn normale dienst als militiaan. Vernoemde luitenant kreeg mij te pakken en zegde, korporaal Amelinckx  U zijt de oudste gegradeerde van deze kompagnie en U moet bijgevolg het bevel voeren over uwe kompagnie, die ongeveer uit zowat tweehonderd manschappen bestond.

Ik bezag de officier en vroeg lachend, luitenant U wilt toch niet met mij de spot drijven? Integendeel zegde de officier het is zeer ernstig wat ik U beveel en zal u de nodige uitleg geven wat de soldaten dient voorgehouden. Hij ging met mij enkele stappen zijwaarts en begon uit te leggen dat de soldaten het niet te plezierig moesten opnemen want dat de oorlog hard en lang zou kunnen duren.

Het zal geen eenvoudige bewaking van de landsgrenzen zijn zoals in 1870. Daarna zegde hij mij de soldaten aan te raden hun reglementaire uitrusting aan te trekken;vooral de legerschoenen te verwisselen met hun burgerschoenen, want daar zullen ze het eerst moeilijkheden van ondervinden. Wanneer ik die aanbeveling van de luitenant woordelijk aan de soldaten voorzegde, begonnen de meesten te lachten en zegde wat komt U ons vertellen!

Ik trok een ernstig gezicht en zegde op strengere toon, lacht maar, ik doe wat de luitenant gezegd heeft en ik hoop dat allen mijn voorbeeld zullen volgen. Enkelen, volgden mijn voorbeeld, maar de meeste behielden hun burgerschoenen aan de voeten. Ik maakte nog een laatste opmerking met te verklaren dat diegene die hun burgerschoenen binnen enkele weken zouden versleten zijn, niet moesten komen klagen over de sleet van hun schoenen want dat ik hun het verwijt naar het hoofd zou slingeren dat het hun eigen schuld was met naar goede raad en voorbeeld niet te luisteren.

Dezelfde avond werden we gekantonneerd in de schuur van het eerste huis over de spoorweg (halte Schelle) van Antwerpenuid naar Dendermonde. Het graan was maar enkele dagen tevoren binnengehaald en daarop moesten de soldaten slapen. Maar wat gesakker in de nacht omdat ze voortdurend bebeten werden door allerlei ongedierte, vooral van oorwormen en spinnen, en geen oog konden toedoen. Ik wist dat bij ondervindning, en daarom bleef ik liever in de keuken van de pachter zitten. Ik had trouwens andere zorgen om aan eten en drinken te geraken.

Bij het gesprek met de luitenant had ik ook gevraagd op welke manier er diende gehandeld om aan eten en drank te geraken voor de soldaten. De luitenant antwoordde: "vandaag moet ge uw plan trekken, maar morgen zult ge vlees en brood krijgen van het leger". En drank? Daarvoor moet ge ook uw plan trekken voor de enkele dagen dat ge hier te Schelle zult vertoeven. En voor de koffiebonen moet ge maar een opeisingsbon schrijven. Er stond niets anders te doen dan onmiddellijk een opeisingsbon maken voor 15 kilo's koffiebonen.

In de winkel waar ik de bon aanbood was men er niet gaarne bij omdat de voorraad koffie reeds grotendeels opgekocht werd door de amsterende bevolking. Ik was verplicht te dreigen met de politie om bediend te worden. Ik kreeg dus de koffiebonen, maar ongemalen. Noodgedwongen heb ik dan de koffiemolen van de bewoners van het huis in bruikleen moeten vragen, die mij spontaan gegeven werd. Nu kon ik beginnen met malen. De koffiemolen maalde zo fijn dat ik uren aaneen heb moeten malen om alles fijn te krijgen. Het was bijna morgen alvorens ik kon beginnen met koffie te zetten, daarbij geholpen door een oude kok. Het was misschien de enige kompagnie te Schelle waar de soldaten verse koffie konden drinken door eigen middelen bereid en voldoende om hun veldflessen te vullen, wat zeer van pas kwam tijdens de lange marche die moest afgelegd worden bij zulk warm weder.

Op 4 augustus kregen we bevel ons naar Kontich te begeven, langs de steenweg Schelle-Hemiksem-Kontich.

07-01-08

Holemans Albertus Maria Josephus

Student, geboren op donderdag 26 april 1894 te Boom (adjudant mil.1914/2de linie 7de cie.), woonachtig te Antwerpen, overleden op woensdag 18 september 1918 te Merkem om 5.20u in "freme d 'Italie" aan de gevolgen van een geweerkogel in de keel. Albertus overleed ongehuwd en werd begraven te Westvleteren, graf nr.707. Albertus vervoegde het leger op: 21 september 1914. Hij ontving het oorlogskruis. Albertus had een blonde haarkleur en was 1,78m. groot. Hij staat niet op het monument der gesneuvelden vermeld.
Hij was de zoon van de vrederechter van het kanton Boom, Joannes Norbertus(°ca.1845) en Georgette Joanna Van De Capelle (°ca.1859). Zij woonden bij de geboorte van Albertus op de Antwerpsesteenweg nr. 115.


1 oktober 1917
- bij C.I.S.L.A.I                              7 juli 1918- in hospitaal bon secours

16 februari 1918- vervoegt het 2de linieregiment     7 juli 1918- naar 7/2 linieregiment



holemans

holemans zerk

 


De laatste rustplaats van Albertus te Westvleteren (graf nr.707)

Hij ligt er begraven onder de naam Holemans Albert



 

04-01-08

Haems Franciscus

Werktuigkundige, geboren op zondag 16 juli 1893 te Boom (soldaat 2kl. mil. 1913/6de linie 3de cie.), woonachtig aldaar, overleden op maandag 20 mei 1918 De Panne om 1.45u in het veldhospitaal "l'ocean" aan de gevolgen van verwondingen met bomscherven in de buikstreek. Hij werd gekwetst te  Pervijze op 20 mei 1918. Franciscus was al overleden bij aankomst in het hospitaal. Hij werd begraven in De Panne op dinsdag 21 mei 1918 aldaar graf nr.D 128. Franciscus had kastanjebruin haar en was 1,56m. groot.
Hij had een litteken op de rug.

Franciscus was achtereenvolgens in dienst op :

1 oktober 1917- bij C.T.A.M.

8 oktober 1917- naar C.I.A.M te Dieppe

7 november 1917- terug bij linieregiment

Vervoegde het leger op: 15 september 1913

Franciscus was de zoon van Josephus Henricus(°Willebroek 1 januari 1872) en
Isabella Maria Paulina Clement(°Boom 3 juni 1872). Zij huwden te Boom op 23 mei 1893.
De pleegvader van Frans, Karel Lode Willems, woonachtig in de vrijheidshoek nr.52 kreeg een uitnodiging om de inhuldiging van het
monument der gesneuvelden op 14 oktober 1923 bij te wonen.



Haems Frans

Haems monument


Hij staat op het monument der gesneuvelden vermeld als Haems Frans


Haems zerk
Franciscus rust op de militaire begraafplaats van De Panne, graf nr. D 128

02-01-08

De eerste oorlogsslachtoffers te Boom

Tijdens het eerste bombardement op donderdag 1 oktober, trok meer dan de helft der Boomse bevolking naar Antwerpen, Holland en Engeland. Vele personen sliepen in de nacht van 1 tot 2 oktober te Reet en te Aartselaar. Wanneer op dinsdag 6 oktober de tijding van de bevelhebber van Puurs kwam dat Boom diende ontruimd te worden, ontstond er een tweede paniek, die de andere helft van Boom diezelfde nacht nog naar Antwerpen voortjoeg.

Tijdens de beschieting van Boom op 1 oktober werden vier personen gedood. De werkvrouw Justina Smets, huisvrouw van Edmond De Weerdt van Boom werd door een granaat gedood in het huis van Mr. Rypens, maalder. Twee anderen, inwoners van Willebroek, werden getroffen op de houten brug over de Rupel.

De vierde werd er dodelijk gekwetst. De achtste oktober dreven de eerste Duitsers(mariniers per fiets) de lieden, welke zij in de kom van Boom aantroffen, in de kerk, in het gemeentehuis, op het politiebureel, en de volgende dag joegen zij die lieden met de bajonet in de rug over de Boomse grenzen. Zo kregen de Duitse boeven de kans te plunderen en te stelen. Op een twintigtal plaatsen, vooral in afgelegen wijken, mochten oude en ziekelijke personen thuis blijven, en deze waren dan getuigen van de slemppartijen(1) der vandalen.


wintertuin

De wintertuin aan het huis van Camille Rypens waar op 1 oktober 1914 Justina Smets het leven liet na een granaatinslag. We bemerken haar Links achter de bloembakken.


 weduwevanenschodtbrug

De houten brug over de Rupel(Wed.Van Enschodtbrug)werd eveneens getroffen door een granaat. De brug verbond de gemeente Boom met Klein-Willebroek en werd meer dan 50 jaar geleden afgebroken. Zij speelde ook een belangrijke rol tijdens de bevrijding van Boom in de Tweede Wereldoorlog. Bomenaar Marc Van de Velde schreef hierover een boek "De Bruggen van Boom".
In de verte het witte huis waar Justina Smets het leven liet na de granaatinslag. (foto: postkaartenarchief gemeente Boom)


bominslag Rypensklein
Ter gelegenheid van mijn boek "Het kleine Boom in de Grote Oorlog" schilderde mijn vriend Rudi De Vos het huis waar de granaat insloeg.
 Hij schilderde het tafereel waarheidsgetrouw volgens aanwijzingen van de huidige bewoners die afstammen van de molenaar Rypens.  

(1) braspartijen

30-12-07

Joannes Benedictus Vertongen

Geboren op dinsdag 21 juni 1887 te Puurs (soldaat 2 kl. Mil. 1907/17de linie 6de cie.), zoon van Henricus Vertongen en Philomena Bal. Joannes  overleed op maandag 18 maart 1918 De Panne om 16.00u. in het veldhospitaal "l'Ocean" aan de gevolgen van verwondingen van een obusscherf in de rechter schouder. Hij was er sinds 18 maart 1918 gehospitaliseerd. Joannes werd te Steenkerke gekwetst.  Volgens het bidprentje zou Joannes te Steenkerke overleden zijn op 17 maart 1918. Hij kreeg een laatste rustplaats op de militaire begraafplaats van De Panne. Op  4 juni 1920 ontving het gemeentebestuur een brief van het ministerie van landsverdediging. Het ministerie meldde in deze brief dat er nog steeds geen aanspraak was gemaakt op de persoonlijke bezittingen van Joannes. Hiervoor diende door de belanghebbenden een formulier ingevuld te worden wat terugbezorgd diende te worden aan het ministerie. De kwartiermeester van het 17de linieregiment liet op 21 februari 1921 weten dat er een som geld nagelaten was door Benedictus. Hiervoor moest wel eerste een akte van bekendheid opgemaakt worden(dit waren de namen van de erfgenamen). Deze akte kon door een notaris of vrederechter opgemaakt worden. In het geval van Benedictus mocht ook de burgemeester de akte opmaken. Dit laatste was enkel mogelijk als de te erven som niet meer dan 150fr. bedroeg. Joannes liet 146,95 fr. na. Op 12 mei 1921 tekende een familielid voor ontvangst van een niet nader genoemd sieraad. Op 18 augustus 1924 ontving zijn familie een aanvraagformulier tot het bekomen van kosteloze reiskaarten waarmee zij het graf van Joannes konden bezoeken. Op 29 juli 1925 verstuurde de commandant van het 17e linieregiment, 6de compagnie een brief vergezeld van de overwinningsmedaille bestemd voor de familie van Joannes. Op 11 augustus 1920 nam de familie de medaille in ontvangst. Joannes huwde te Boom op 9 april 1910 met Alida Regina Van Camp. Alida werd te Boom geboren op 11 april 1889. Zij huwde een tweede maal te Boom op 18 december 1920 met Frans Leyssens(°Aarschot 14 juli 1888). Alida woonde te Boom, Bosschen Nr.25. Op 6 juli 1920 ontving Alida de persoonlijke bezittingen van Benedikt. Dit waren: 1 geldbeugel, 1 ring, 1 tandenborstel, 1 scheerborstel, 1 scheermes en 1 scheerleder. Alida ontving een uitnodiging om de inhuldiging van het monument der gesneuvelden op 14 oktober 1923 bij te wonen. Vervoegde het leger in: 1907.

 


B.J. Vertongen

 

Joannes staat op het monument der gesneuvelden vermeld als Vertongen Benedict

 

29-12-07

Militairen begraven op de begraafplaats van Lier&Laken

Op volgende links kan je de foto's vinden van de zerken van de gesneuvelde militairen op de begraafplaatsen van Lier&Laken. De foto's van Lier hebben wat langer tijd nodig om in te laden maar zijn dan ook van afdrukkwaliteit.

LAKEN

http://www.tenboome.webruimtehosting.net/BMB/lakenintro/ 

LIER

http://www.tenboome.webruimtehosting.net/BMB/lierintro/

 

 

27-12-07

De Wit Philippus Eugenius

Geboren op donderdag 15 januari 1891 te Boom (soldaat 2kl. Mil. 1911/6de linie 1/4), woonachtig te Boom, Blauwstraat Nr.39, gesneuveld op dinsdag 25 augustus 1914 te Boortmeerbeek, begraven aldaar graf nr.31; herbegraven op het militair kerkhof te Veltem-Beisem op 21 juni 1924, graf nr.00083. Op 18 oktober 1920 ontving het gemeentebestuur van Boom een brief van het ministerie van landsverdediging. Hierin werd gevraagd of Philippus getrouwd was en of zij wisten wat er van hem geworden was. Later stuurde hetzelfde ministerie terug een brief waarin werd gemeld dat zijn bezittingen nog door niemand waren opgeëist. Vervoegde het leger in: 1911.

 


De Wit monument

De Wit bidprent

Philippus was de zoon van Carolus Josephus(°Boom 18 september 1868) en Maria Van Aken(°Boom 17 februari 1869). Zij huwden te Boom op 12 november 188 en woonden er in de Blauwstraat nr.39. Zijn vader kreeg een uitnodiging om de inhuldiging van het monument der gesneuvelden op 14 oktober 1923 bij te wonen.


De Wit BMB Veltem-Beisem
 

Laatste rustplaats van Philippus op de militaire begraafplaats van Veltem-Beisem  

25-12-07

Vanhoucke Patrick

Ik ben op zoek naar informatie van een familielid en probeer zoveel mogelijk gegevens te verzamelen.Het gaat om Vanhoucke Patrick te vinden in boekdeel N34-35 (1934-1935) en te vinden op pag 368(soldaat eenheid 1e linie). Patrick heeft een gasaanval overleefd en is na de oorlog kapitein geweest op het lichtschip 'De Wandelaar' te Oostende.Groot oorlogsinvalied verklaard en op 42 jaar gedwongen op pensioen te gaan.Voor mij een echte held,zoals zovelen.
Hopend op een gunstig antwoord,
Lauwers Jo

vanhoucke patrick


Van zijn naamgenoot en familielid ontving ik onderstaande info waarvoor dank: 

Patrick Vanhoucke werd geboren op 8 mei 1895 in Vlissingen als zoon van matroos Hendrik Vanhoucke (Adinkerke 1856 - Elsene 1942) en Sophie Pauwels (Nieuwpoort 1859 - Oostende 1934). Hij was het achtste kind in wat uiteindelijk een gezin van dertien kinderen zou worden (zo blijkt, terwijl er in de mondelinge overlevering in feite altijd slechts van twaalf kinderen sprake was). 

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was Patrick soldaat-oorlogsvrijwilliger bij het Eerste Linieregiment. Hij overleefde een gasaanval en kreeg het bronzen Vuurkruis dat werd uitgereikt aan allen die de Vuurkaart hadden ontvangen en dus aan het front onder vuur hadden gelegen. Tevens was hij Officier in de Kroonorde met Zwaarden en ontving hij tal van andere eretekens.

Volgens het bevolkingsregister woonde Patrick officieel tot in 1921 in de Palingstraat in Vlissingen, het jaar waarin hij op 12 mei huwt met de Oostendse Louise Bulteel (1896-1965). Patrick was in die periode in Oostende schipper op het lichtschip De Wandelaar. Een lichtschip is in feite een drijvende vuurtoren die waarschuwt voor hindernissen en ondiepten. De ouders van Patrick verhuizen in 1922 van Vlissingen naar Oostende, waarschijnlijk het moment dat vader Hendrik met pensioen ging als sloeproeier bij de Belgische Loodsen te Vlissingen (hij staat in het adressenbestand van Vlissingen genoteerd als 'gepensionneerd sloeproeier BL').

In 1922 wordt in het gezin Vanhoucke-Bulteel een eerste dochter Rosa geboren. Rosa zal op 65-jarige leeftijd overlijden op 30 oktober 1987 in het Ierse plaatsje Meenbannivane, Knocknagashel (County Kerry). Ze was op dat ogenblik gehuwd met ene meneer Jones die mogelijk nog in leven is.

Een tweede dochter wordt geboren in 1935. Zij huwt en woont waarschijnlijk tot op vandaag nog altijd in Oostende.

Van de gasaanval tijdens de Eerste Wereldoorlog zou Patrick zijn hele verdere leven de gevolgen blijven ondervinden. Omstreeks 1937 moest hij hierdoor gedwongen met pensioen gaan en hij werd 'Groot-Oorlogsinvalied' verklaard. Patrick overlijdt op 5 april 1963 in Oostende en is dan 67 jaar oud. Zijn vrouw Louise volgt hem twee jaar later en sterft op 30 december 1965 in Oostende, 69 jaar oud.

Tekst: Patrick Vanhoucke (Wilrijk 1968), achterkleinzoon van Helena Vanhoucke (Nieuwpoort 1890 - Antwerpen 1977), een zuster van Patrick Vanhoucke (1895-1963). Alle gegevens op basis van eigen documenten, mondelinge overlevering binnen de familie en secundair onderzoek.
 

De gesneuvelden van het Scheppersgesticht te Mechelen

Met dank aan  André De Clercq uit Hamme voor dit artikel dat in de originele spelling werd overgenomen. 

De vergadering der Broeders van O.-L. Vrouw van Barmhartigheid, Scheppers' Gesticht te Mechelen, heeft ook haar bloedigen tol betaald aan den wreeden wereldoorlog. Een-en-veertig leden dienden als brankardier in 't Belgisch of Italiaansch leger. Menigen onderscheidden zich door heldendaden, die hun uitstekende eeretekens verwierven. Verscheidene lidmaten kenden ook den harden weg der ballingschap of zuchtten lange maanden in gevang of concentratiekampen tot straf hunner groote vaderlandsliefde of het oversmokkelen van moedige Belgische vrijwilligers of spioenen.

Broeder Mattheus Serneels van Berlaar, bestierder der katholieke jongensschool te Hamont, een dezer dapperen, viel door verraad in de handen van het Pruisisch krijgsgerecht en werd tot tweemaal ter door veroordeeld. Door tusschenkomst van machtige voorsprekers werd zijn doodstraf  in twee maal 15 jaar dwangarbeid veranderd. De wapenstilstand van 11 november 1918 brak de kluisters, die hem knelden in het gevang te Vilvoorden.

Brankardier, Broeder Maternus, Lode Beets, van Lummen, een der tien Vlaamsche houthakkers uit de bosschen van Orne, zou het ongevoeligste hart tot tranen toe bewegen, moest hij verhalen wat al lijden en ontbering hij tijdens zijn houthakkersleven uitgestaan heeft.

Maar werpen wij een oogopslag op onze roemrijke gesneuvelde Vlamingen. Het eerste onschuldig slachtoffer der Duitsche wreedheden in België roept nog steeds wraak ten hemel.

Broeder Candidus, Vivet, van Antwerpen, onderwijzer te Kessel-Loo, werd door Pruisische beulen laffelijk vermoord  te Blauwput, bij Leuven, in oogst 1914. 

Broeder Simon, Van Roy, van Duffel, sedert 12 jaren bestierder van het weezenhuis te Wetteren werd naar Duitschland vervoerd waar de zwakke ouderling van gebrek omkwam. Niet te verwonderen dat de "Vader der Weezen" bitter beweend werd, daar hij door zijn buitengewonen minzaamheid en ingeboren goedheid ieders genegenheid gewonnen had.

Een derde offer op het altaar van 't Vaderland is broeder Heliodoor, Bogaerts, van Zoersel, die de katholieke jongensschool van Diest bestierde, toen de nare oorlogsklok in Vlaanderen stormde. Deze moedige brankardier bezweek in het hospitaal te Kales, waar hij de typhusleiders verzorgde. Gods raadsbesluiten zijn ondoorgrondelijk! De verpleger stierf terwijl zijn beschermeling ontkwam.

Meer nog dan de drie voorgaande Vlamingen schittert Broeder Anselmus, Braspenning, van Meerle, wiens hart trilde bij het hooren alleen van zijn "Dierbaar Vlaanderen". Een onderzoek in zijn "Oorlogsdagboek" leert al spoedig die godsdienstige, Vlaamsche ziel kennen met haar edele hoedanigheden; geestigen luim, dichterlijke begaafdheid en grondige taalkennis , zelfopoffering voor zijn vaderland en diepen godsdienstzin. Uit loutere naastenliefde vroeg die edelmoedige borst als gunst naar de voorste loopgraven gezonden te worden, waar een vijandelijke kogel hem doodelijk trof.

Nog een "nederige held", die evenals Broeder Anselmus, onderwijzer was te Mechelen, heeft zijn bloed veil gehad voor 't Vaderland. Deze moedige voorvechter der Vlaamsche zaak was Broeder Gaston, Simons, van Putte-Capellen. Om de wantoestanden, zooveel mogelijk, te verhelpen, had hij Vlaamsche leergangen ingericht voor de Waalsche officieren van zijn bataillon. Daar hij beweerde dat den Gulden Sporenslag als nationale feestdag diende gevierd te worden, werd hij als staatsgevaarlijke aan de hoogere overheid aangeklaagd, van eenheid veranderd en naar 't front gestuurd, waar hij tijdens het laatste offensief sneuvelde. Een slachtoffer te meer om zijn Vlaamsche rechten vrij en vrank verdedigd te hebben! Moge zijn bloed een vruchtbaar zaad wezen, waaruit nieuwe geslachten van overtuigde Vlamingen ontkiemen, die de leus verwezenlijken: Vlaanderen voor Kristus, Alles voor Vlaanderen!

Rust in vrede koene IJzerhelden! Verheugt u, Dapperen, ge hebt den goeden strijd gestreden! God loone u, ware Vaderlanders en vurige kloosterbroeders, die glorievol sneefdet op 't edel slagveld der kristelijke naastenliefde voor de vrijheid van ons dierbaar Vaderland en de ontvoogding van ons geliefd Vlaanderen!

 


Broeder Scheppersinstituut


Broeder Bogaerts Heliodoor
Militair hospitaal Calais-Fr., Brancardier
Gestorven in het hospitaal Calais-Fr. op 13 januari 1915
Begraven te Calais Communal B.M.B. Graf n°313
Geboren te Zoersel

Brancardier Candidus Vivet
Gedood te Blauwput-Leuven op 28 augustus 1914
Geboren te Antwerpen

Broeder De Roy Simon
Brancardier
Overleden te Duitsland op 5 juli 1917

Broeder Simons Gaston
Brancardier
Gesneuveld te Balgerhoek op 30 oktober 1918
Geboren te Putte-Kapelle

Broeder Braspenning Frans-Anselmus
8ste linie brancardier
Stamnummer 108/47313
Gesneuveld te Diksmuide op 19 december 1915
Begraven te Adinkerke B.M.B. Graf n°131
Geboren te Meerle op 24 september 1880-35 jaar
Woonde te Mechelen
 


gedicht Vlaanderen

 

 

23-12-07

Baron Generaal Jules Jacques de Dixmude

baron jacques standbeeld
°Stavelot 24 februari 1858
+ Brussel 24 november 1928


baron jacques beschrijving standbeeld


Jacques
 

Luitenant-Generaal der infanterie

Commandant van het 3de Legerdivisie, 1916-1920

Commandant van de 2de Brigade van het 3de Legerdivisie, 1915-1916

Commandant van het 12de Linie Regiment, 1913-1915

Onder-Commandant van de Koninklijke Militaire School, 1908-1912



Baron Generaal Jules Jacques de Dixmude

Door Kolonel Ch. Brusten
Hoofd van de historische dienst van de Belgische Strijdkrachten

Na meer dan vier jaar vijandelijke bezetting trokken de zegevierende Belgische troepen in november 1918 triomfantelijk door de straten van Luik. Onder het volk hoorde men een stem roepen: "Leve de IJzerdivisie". De officier die aan het hoofd van deze divisie stond antwoordde in de taal van de streek: "De IJzerdivisie, hier is ze".

Wie was nu de commandant die zich zo één voelde met zijn eenheid? Het was Jacques, de roemrijkste bevelhebber van ons leger, de dapperste ook, de populairste, de meest geliefde en de eenvoudigste. "Onze" Jacques, zou weldra "Jacques de Dixmude" genoemd worden. Hij die zich zelf een echte leidersziel had weten te maken was er in gelukt hen allen, die in moeilijke omstandigheden onder zijn bevel hadden gestreden, naar zijn voorbeeld te vormen.

Hij werd te Stavelot geboren op 24 februari 1858. Hij werd er opgevoed door zijn grootoom langs moeders zijde. De rest van zijn familie woonde te Vielsalm, enkele kilometers verder.

Zijn levensideaal heeft hij zeker niet van zijn voorouders meegekregen alhoewel deze hem ongetwijfeld beïnvloed hebben. Van hen ontving hij zijn plichtsbewustzijn en zijn godsdienstzin, die gans zijn militaire carrière zullen tekenen.

Een militaire loopbaan lag echter niet helemaal in de traditie van de familie. Historiografen zochten dan ook tevergeefs naar de motieven van zijn roeping.

Koos hij die richting omwille van het prestige van het uniform, omwille van het avontuur of uit waaghalzerij? Vond hij het een eerste stap naar de vrijheid of werd hij beïnvloed door zijn professor? Men heeft er het raden naar. Zijn jeugd was echter gekenmerkt door een bijzonder sterke drang tot actie. In zijn memoires zou Jacques achteraf zelf schrijven: " Ik was overtuigd, ik was bezeten door het heilig vuur". Hij was er vast van overtuigd dat in de actie een onbeperkte macht schuilde. Hij voelde wanneer hij een opdracht aankon en voerde ze dan ook uit.

Op 1 mei 1876 werd hij opgenomen in de Koninklijke Militaire School te Brussel. Twee jaar later, op 4 mei 1878, verwierf hij de graad van onderluitenant. Tijdens de volgende vijf jaar actieve dienst verwierf hij een zekere beroepsvaardigheid en voelde hij zich geschikt het bevel te voeren.

Op 1 oktober 1883 gaat hij als luitenant naar de Krijgsschool. En op 7 december 1886 wordt hij adjunct benoemd bij de staf.



Jacques militaire school


Jacques aan de Koninklijke Militaire School te Brussel



In die periode deed de Onafhankelijke Kongo Staat, die in een nog praktisch volkomen onbekend Afrika in volle ontbolstering was, beroep op moedige en goedwillige mannen. Jacques kon niet ongevoelig blijven voor die uitnodiging van het onbekende, de actie, ja zelfs het gevaar. Evenmin lieten de voorbeelden van de eerste verkenners Stanley en Brazza hem onverschillig.

Van 1887 tot 1902 deed hij vier effectieve diensttermen in Kongo, hetzij in totaal 12 jaar. De eerste maal was hij adjunct bij de directie voor Transport, Openbare werken en Marine te Boma. Vervolgens stichter van en postoverste in het district der Bangalas in Opper-Kongo. Tijdens zijn tweede term was hij leider van de anti-slavenhandelexpeditie in het Tanganikagebied. Tijdens de derde periode was hij commissaris-generaal en vervolgens explorateur in de streek van het Leopold II-meer. Tijdens de vierde periode tenslotte was hij directeur van de studiecommissie van de spoorwegen in Katanga.

Het is hier niet de plaats om in details over zijn koloniale carrière uit te wijden. Maar daar toonde hij zich reeds een geboren soldaat. Wij willen er hier alleen aan herinneren dat hij tot die plejade pioniers behoort die ten koste van veel krachten, arbeid, opoffering, soms zelfs van bloedvergieten, zonder enige aanspraak op voordeel het koloniale bewind van België voorbereidden. Een bewind dat wij als gevolg van een vaak te overhaaste, verkeerd begrepen of vals uitgebuitte milddadigheid hebben moeten prijs geven, en dit misschien wel ten nadele van de beschaving en de wereldvrede.

Tijdens zijn twaalfjarig verblijf in Afrika bleef hij niet langer dan één jaar op dezelfde plaats. Voor de rest was hij steeds op verkenningstochten of op militaire zending in het oerwoud. Op die tochten moest hij het steeds stellen met een beperkt effectief. Vaak zag hij de dood in de ogen, soms daagde hij ze ook uit. Van 1891 tot 1894 nam hij deel aan de anti-slavenhandel beweging en nam het op tegen de handelaars in zwarte slaven. In die periode plunderden de Arabieren de streken van Soedan, de Opper-Nijl en het Centraal Plateau. De inwoners werden gevankelijk meegevoerd. Ten gevolge van de slechte behandeling kwam slechts een vijfde of zelf een tiende op de grootmarkten van waaruit ze naar Egypte, Perzië, Arabië, Turkije en Madagascar verzonden werden.

Ten gevolge van die handel, verdwenen jaarlijks vierhonderdduizend à één miljoen zwarten. Op enkele jaren tijds stelden zijn expedities een einde aan de "mensonwaardig schandaal". De inlandse bevolking was er hem dankbaar om. Jacques was vooral werkzaam in het gebied van het Tanganikameer. Hij oogstte er roem. Niets typeert hem beter dan het bezoek dat hij, alleen en ongewapend, bracht aan de slavenhandelaar die hij bestreed: Mohamed Ben Haflam, bijgenaamd Rumaliza wat betekent: "Die alles verwoest, die niets achterlaat". Een uitroeier dus. Van zijn stuk gebracht door zoveel moed liet de slavendrijver hem in leven.

Ondanks de soms zeer bittere kritiek- de tijd heeft ze trouwens verrechtvaardigd- was de koloniale loopbaan van Jacques een succes. Het loont de moeite te zoeken naar de motieven voor die kritiek. Waren het de omstandigheden? Ze waren eerder ongunstig maar in plaats van er onder te bezwijken heeft hij ze beheerst dank zij een spontaan optimisme waaraan niets kon weerstaan; dan zij zijn drang tot actie die hem deed organiseren, pacifiëren en ordenen; dank zij zijn energie die hem voortstuwde en waarvan één van zijn oversten zei: "Die man heeft het temperament van een held". Nooit twijfelde hij aan zijn werk. Hij zelf zegt: " Gelukkig heb ik de hoop die doet leven....de dag dat ik geen vertrouwen meer heb ben ik verloren".


Jacques te Congo


Jacques in Congo



De terugkeer in 1908 naar de engere horizon van het moederland en naar het garnizoensleven stoorde hem niet. Daar leerde hij de soldaten kennen. Door het dagelijks contact polste hij wat kon gevergd worden van de onvermoeibare toewijding en ruwe energie, die de soldaat aan de dag kon leggen. Voor een mens met dergelijke ondervinding echter lagen andere functies klaar. Hetzelfde jaar nog werd hij tweede bevelhebber van de Militaire School benoemd. Daar werd hij belast met de zeer moeilijke cursus over militaire opvoeding. Hij slaagde er in deze aantrekkelijk te maken dank zij vooral zijn persoonlijke aanleg. Naar hij zelf vertelde bezorgde deze nieuwe functie hem de mooiste levensvreugde: hij kon iets nuttigs ondernemen.

Jacques had enkele jaren later de gelegenheid de stof van zijn cursus, die nog zeer actueel is en gebaseerd op zijn gezond verstand, zijn mensen- en feitenkennis, zijn princiepen en zijn ideaal, in praktijk om te zetten. Zijn methode van onderrichten heeft de vuurproef doorstaan. Maar we mogen de kar niet voor de os spannen.

Evenals Foch was Jacques overtuigd van de kracht die van de morele waarde uitgaat. De moed van een soldaat in functie van zijn gemoedstoestand. Deze is op zijn beurt afhankelijk van de bevelhebber. Want energie is mededeeelbaar. Minderwaardigheid echter ook. Voor hem kwam het er dus op aan bij zijn publiek de hoge waarde in te prenten van het bevelhebbersschap, dat als een totale toewijding aan het land dient opgevat. Het idee "vaderland" blijft de hoofdgedachte van zijn onderricht. Voor de rest komt alles neer op energie, opleiding, volharding. Aldus Jacques.         

Voor hem is bevelhebber zijn meer dan bevelen geven. In hoofdzaak is het de kunst zich te doen gehoorzamen. Het is echt verlangen wat men beveelt. Het is verlangen dat het gegeven bevel zou uitgevoerd worden. Daartoe moet de bevelhebber de kunst bezitten het geweten aan te spreken. De mens voor hem te winnen. Het is de ondergeschikte er toe brengen datgene te willen wat de bevelhebber wil. En wel met dezelfde overgave. Dit is ten slotte de bepaling van de discipline; van de échte. Van deze discipline die overblijft op het slagveld. Van deze die tot de overwinning leidt. De ondergeschikte zal zich slecht op sleeptouw laten nemen indien de bevelhebber beroepsbekwaam is: hij moet het voorbeeld geven; zichzelf geven. Vakkennis en zakenkennis hebben.

Die manier van lesgeven kan vreemd lijken en vooral vermetel. Vooral dan in een tijdperk waar de hoofdgedachte van de primaire opvoeding van het kind maar al te veel revolutionair gekruid was. De bevelhebber der school zelf schreef hierover: "Een school, die jonge officieren moet vormen, moet als een citadel zijn. Zij moet bestand zijn tegen de ontbindende krachten vooral dan in een tijdperk dat gekenmerkt is door het langs alle kanten aanvallen der stellingen;door een steeds losbandiger wordende jeugd;door de klassen der gemeenschap die meer en meer anarchistisch worden.

Jacques begreep echter de jeugd. Evengoed als hij later zijn manschappen zal begrijpen en kennen. Hij wist dat de jeugd handelbaar was; dat ze ontroerd konden worden. Dat ze voor iets kon gewonnen worden. Hij wist dat ze behoefte had aan zelfdiscipline, aan actie, aan onbaatzuchtigheid, aan toewijding. Hij wist dat ze vatbaar was voor betekenisvolle grote begrippen, beschaving, leger, grenzen, vaderland. Geen waarheid, hoe hard ook, of hij drong ze op, herhaalde ze tot vervelens toe, verklaarde ze met voorbeelden en anecdoten.

Ten gevolge van een spijtig incident werd hij in 1912 naar de strijdende eenheden teruggezonden. Daar zette hij zijn actie verder en zou weldra de gelegenheid hebben er zijn cursus in praktijk om te zetten. Inderdaad, Duitsland schond de neutraliteit van België, die zij nochtans gewaarborgd had. Op 4 augustus 1914 werd ons land overrompeld. De oorlog zou de bevelhebber nog meer in het volle licht plaatsen. In talrijke tragische omstandigheden viel hem een eersterangsrol te beurt.

Als bevelhebber van het 12e Linieregiment voerde Jacques zelf de tegenaanval aan en sloeg daarbij een colonne terug die reeds aan de overwinning dacht. Hij kreeg hierdoor zoveel vat op zijn manschappen dat zijn naam voortaan evenveel waarde bezat als een vlag. Onder zijn bevel groeiden de eenheden uit tot elite-eenheden. Voor al die manschappen blijft hij "onze Jacques".



Generaal Jacques en Koning Albert I tussen de manschappen

Luitenant-generaal Jacques en Koning Albert I tussen de manschappen



Het Belgische leger moest zwichten voor het aantal. Verzameld in de versterkte vesting van Antwerpen poogde het twee keer een uitval op de flanken van het vijandelijke leger dat naar Parijs oprukte. Tijdens de eerste aanval bezette Jacques het aangeduide terrein met een gedeelte van het 12e linie, als voorhoede van de 3e divisie. Dit ondanks  een verwoed vijandelijk spervuur en hevige tegenaanvallen. 's Anderendaags benutte hij zijn succes, gesteund door het 9e linie. Een getuige vertelt hierover: "Jacques liet een vlag vooruitrukken  tot in de eerste gelederen. Hij vond ergens een geweer dat hij meescharrelde, riep een bevel, stormde aan het hoofd van zijn troepen vooruit, had geen oog voor het vijandelijk vuur".

Een van zijn officieren schrijft over Jacques: "Ik wil hier de figuur schilderen van de soldaat, de leider die ons bevool. Nooit zal ik zijn toespraak vergeten voor het marsbevel: "Wel te verstaan laten we de Duitsers buiten beschouwing". Nog zie ik zijn guitige glimlach, zijn onverstoorbaar goed humeur dat hij nooit verloor, zelfs niet in de hardste ogenblikken. Hij was kalm en vastberaden. Waar gevaar was zag je zijn rijzige gestalte. Een oude legerspreuk zegt: "Als je je voelt verzwakken kijk dan op naar je leiders." Met zo een leider waren wij zeker van de zege. Het aureool van de roem dat sinds Luik rond zijn naam zweefde werd nog groter na Haacht.

De terugtocht begon enkele dagen later. In de achterste gelederen had het 12e nog de moeilijkste opdrachten. Tegen zijn zin gaf Jacques het terrein prijs. Het geweer in de hand viel hij aan het hoofd van zijn manschappen driemaal aan. Enkelen aarzelden. Zonder zich om het vijandelijk machinegevuur te storen riep hij : "Als u niet mee gaat dan ga ik alleen." En hij ging. Allen volgden.

Maar het was vooral in Diksmuide dat hij legendarisch werd. Als bevelhebber van het bruggenhoofd was hij in Diksmuide de bezieler van de weerstand en één van de belangrijkste bewerkers van het Duitse oponthoud. Het bruggenhoofd voor de IJzer werd gevormd door het 12e linie en nadien door de brigade en de fuseliers

van admiraal Ronarch. In de meest dramatische ogenblikken was hij een toonbeeld van moed en kalmte. In deze druk bestookte stad hield hij het moreel van zijn troepen hoog. Hij schonk hen vertrouwen en gaf hen de wil stand te houden.

De lijdensweg van Diksmuide beschrijven is onbegonnen werk. En wat de soldaten er af zagen is nog erger. Op 20 oktober bereikte de strijd een hoogtepunt. Het was tragisch. Niet zozeer omwille  van de doodstrijd dan wel om de koele, verbeten woede en het mirakel van wil en kracht waarmede zij de inspanningen der Duitse divisies vernielden. Maar deze laatsten liepen steeds opnieuw storm tegen onze fragiele stellingen. In die hel hielden Jacques en zijn leger bijna veertien dagen stand. Aanval na aanval sloegen zij af. In de kelders der vernielde huizen geraakten zij aan het nodige voedsel. Op transport moesten zij inderdaad niet meer rekenen.

Jacques werd tweemaal gewond maar hij weigerde zich te laten verzorgen. Dit gebeurde pas na de strijd, samen met zijn eenheid, op 4 november 1914. Het Oorlogskruis en de benoeming als commandeur in de Leopoldsorde waren de beloning voor dit wapenfeit.  Op 30 april 1915 werd hij tot generaal bevorderd en het volgend jaar, op 7 april, aangesteld tot bevelhebber van de 3e legerdivisie. Hij zette onverdroten zijn werk verder. Hij bereidde zijn troepen voor op de strijd maar hield steeds rekening met zijn mannen. Hijzelf was steeds waar hij zijn moest. Hij was het levende voorbeeld en offerde zichzelf op. In de loopgraven en het kantonnement was hij te midden van zijn manschappen. Zonder aan prestige te verliezen maakte hij ze deelachtig van zijn goed humeur en zijn opgeruimdheid. Er was geen soldaat die zijn leider niet kende, hem niet eerbiedigde, bewonderde. Al zijn ondergeschikten kenden de weerklank van zijn naam en zijn roem. Ieder soldaat wenste deel uit te maken van zijn divisie.

Op 17 april bezette de 3e divisie de streek van Merckem. De vijand viel er binnen en vorderde slechts langzaam en ten koste van zware verliezen. Jacques beval ter plaatse weerstand te bieden en begon onmiddellijk met een tegenaanval. Met een overrompelende vaart werd het verloren terrein terug gewonnen. De vijand werd teruggeslagen. Hij liet er achthonderd doden en talrijke krijgsgevangenen achter.

Tijdens het bevrijdend offensief stond hij aan het hoofd van een aanvallende groep die was samengesteld uit de Belgische 3e en 9e divisie en een Franse divisie.

De mooiste vermeldingen, de hoogste Belgische en buitenlandse onderscheidingen werden hem omwille van zijn militaire waarden toegekend. Allen onderlijnden zijn moed, zijn energie, zijn uitdaging voor het gevaar, zijn mensenkennis.

Op 15 november 1919 wordt hij door koning Albert I tot de adel verheven en krijgt hij de titel van baron. Officieel heette hij nu : Jacques de Dixmude. Ginder op het terrein was hij het reeds in het heetst van het gevecht. Het wapenschild dat hem werd toegewezen synthetiseert op sprekende wijze de luister van een glorierijke loopbaan. Behalve de "Y" die ons herinnert aan het epos van de IJzer, staan er ook de wapenschilden van Diksmuide zelf en Merckem op. Beiden herinneren aan zijn heldendaden en zijn waakzaamheid. Verder lezen we er de spreuk: "Je tiendrai" (ik houd stand).

In april 1920 nam Jacques afscheid van het leger. Voor de jongere soldaten liet hij een boodschap na die gans zijn loopbaan kenmerkt: "Op uw vaandels schitteren de namen van de overwinningen en de heldendaden van uw voorgangers. Een enkele naam overtreft alle andere: IJzer. Het is een symbool voor de kwaliteiten van ons volk: energie, hardnekkigheid, toewijding, liefde voor de geboortegrond, opgeruimdheid, heldhaftigheid."

Zijn bevelhebbers en alle buitenlandse generaals waardeerden hem. Zij vonden het een eer hem te kunnen ontvangen. Maar bovenal werd hij door zijn manschappen op de handen gedragen. Wat ook zijn beroepskwaliteiten mochten geweest zijn, hen had hij steeds lief gehad. Steeds was hij "echt mens" gebleven. Jacques begreep zijn mannen. Tijdens zijn lange koloniale loopbaan had hij immers ook de ontmoediging gekend. Maar hij was steeds energiek genoeg om alles terug in de goede plooi te krijgen.

In 1899 trad hij in het huwelijk en kreeg vijf kinderen. Tijdens de scheiding, in het gevaar, toonde hij zich steeds vol liefde en toewijding. Aldus gaf hij het bewijs dat "Vaderland en Familie" één zijn, wat de anderen daarover ook mogen beweren.

Zoals hij hield van zijn familie, zo hield hij van de zwarten in het oerwoud, van zijn mannen in de kazerne en zijn soldaten in de oorlog. Hij kende de waarde van het leven en zag er tegen op nutteloos bloed te vergieten. Om de kans op verlies zo klein mogelijk te maken bracht hij in 1916 de compagnies met wacht in de vuurlijn van negen op drie. De geallieerden volgden nadien dit voorbeeld na.

Parafrazerend op zijn vroegere opleiding antwoordde de generaal aan een interviewer:

"Indien wij er in gelukken in dit leven dit vuur en die passie op te wekken die van een ondergeschikte een medewerker maken dan is men chef"

"Maar hoe kan men die zo moeilijke opgave tot de zijne maken, generaal?"

"Door de liefde. Maak u geliefd bij de mensen die u moet bevelen".

"En wanneer zullen die mensen u graag mogen?"

"Wanneer ze weten dat u van hen houdt."

Ook zijn voorgangers waren moedig, op de man af, spontaan, openhartig. Hij hield van zijn manschappen, zonder berekening, zonder aanstellerigheid, in zijn houding lag geen enkel bevel. Hij toonde zich zoals hij was. Hij was geen raadsel voor zijn manschappen. Eerlijk gaven zij zich volledig aan hun chef, die kreeg omdat hij gaf.

Op 24 november 1928 overleed Jacques te Brussel. In de Sint-Goedele kerk te Brussel had de officiële rouwhulde plaats. Zijn anciens van het 12e linie droegen hem ten grave. In zijn dood verenigde hij nog eens de grootsheid en de eenvoudigheid. Zijn gelijken beweren dat met hem de ideale bevelhebber is verdwenen. Een man die door zijn gezond verstand, zijn tact, zijn maat bij zijn ondergeschikten moed, militaire vaardigheid, zelfverloochening en opofferingsgeest aankweekte.

Moge de nieuwe generaties naar zijn voorbeeld leren hoe uit volle macht het vaderland te dienen. Een vaderland dat aan de basis lag en de passie was van dat leven dat een epos was.

Hij ontving volgende onderscheidingen:            

Grootkruis Leopoldsorde met Palm, Commandeur Orde van de Afrikaanse Ster en Kroonorde, Ridder Koninklijke Orde van de Leeuw,  Oorlogskruis 1914-1918 met Palmen, IJzer Medaille, Herinneringsmedaille van de Veldtocht 1914-1918, Overwinningsmedaille, Herinneringsmedaille van de Arabische Veldtocht, Militair Kruis 1ste Klasse, Dienstster, Regeringsmedaille van Koning Leopold II, Grootkruis St-Anna Orde met Zwaarden Rusland, Groot Officier Legioen van Eer Frankrijk, Orde van St.Michaël en St Joris Groot-Brittanië en Orde van de Ster van Karageorges met Zwaarden Servië, Commandeur Orde van St.Maurice en St.Lazarus Italië, Medaille voor Militaire Verdienste in Zilver Italië, Distinguished Service Medal Verenigde Staten, Oorlogskruis 1914-1918 met Palm Frankrijk.

Acht frontstrepen, één kwetsuurstreep.  

Met dank aan André De Clercq uit Hamme voor dit artikel

21-12-07

De moord op Stanislaus Nyczak (hoofdstuk V slot)

V. WIE WAS STANISLAUS NYCZAK ?

Heel wat moeilijker dan het terugvinden van zijn laatste rustplaats was de vraag naar de persoon van Stanislaus Nyczak : waar en wan­neer werd hij geboren ; wie waren zijn ouders, broers en zusters ; was hij gehuwd ; welk beroep oefende hij uit voor zijn oproeping ; wat was zijn karakter ; wat was zijn functie in het Duitse leger ?

We beperken ons hier tot het op een rijtje zetten van de, schaarse, gegevens die we hebben verzameld.

In het stadsarchief van Dendermonde wordt, zoals hoger aangehaald, een register bewaard van de gesneuvelden uit de Eerste Wereldoor­log die her en der werden ontgraven en. op het militair kerkhof van Appels opnieuw bijgezet.

Over Nyczak vonden we volgende gegevens

267

A

Gestorven te Lokeren
29-10-14
24-10-16

         B

Nyckak

    C

Stanislas

      D

Lokeren
16-5-18

     E

Musketier Landst.
 inf. I Altona
L.S.T

    F

Duitsch
258 L

     G

 

                  

 

(a) volgnummer in het register en tevens verwijzing naar het situeringsplan van het militair kerkhof

(b) plaats van overlijden (Elversele maakte immers deel uit van het Etappegebied Lokeren) - datum van aankomst in het Etappe­gebied (?) - datum van begrafenis (te Lokeren)

(c) familienaam (eigenlijk Nyczak) (d) voornaam

(e) plaats en datum van ontgraving

(f) aanduiding van compagnie en regiment

(g) nationaliteit - verwijzing naar ?

De in kolom f genoemde stad Altona is een industriestad in West­Duitsland die sedert 1937 een stadsdeel vormt van Hamburg. Altona telde toen ca. 250.000 inwoners.

Hoogstwaarschijnlijk betreft het hier de regimentsplaats van Nyc­zak, dus niet zijn geboorte- of woonplaats. In de bevolkingsre­gisters van Hamburg-Altona, die geheel op microfilm staan, is hij althans niet terug te vinden. (30)

Van waar is Stanislaus Nyczak dan wel afkomstig ? Een geinter­viewde meende dat hij een smidszoon uit Keulen was, een andere dat hij een juwelierszoon uit Leipzig (in Oost-Duitsland) was. Doch ook in de registers van deze steden bleek hij niet voor te komen.

Zelfs de "Deutsche Dienststelle für die Benachrichtigung der näch­sten Angehörigen von Gefallenen der ehemaligen deutschen Wehrmacht" (in Berlijn) kon ons geen aanduiding verschaffen. Men wist ons, met brief van 24.07.1985, enkel te vertellen waar hij momenteel begraven ligt, maar dat hadden we ondertussen zelf al ontdekt

"Grablage : Deutschen Soldatenfriedhof Vladsloo - Praetbosch /Belgien, Grab-Nr. 4-828."

Uit de "Belegungsliste" van het militair kerkhof in Vladslo wer­den we al niet veel wijzer

"Nyczak Stanislaus, Musketier

+ 20.10.1916 - 2./Ldst. J. Btl. I Altona Grab-Nr. 4-828."

Deze vrij cryptische aanduiding werd ons door de Volksbund Deut­sche Kriegsgräberfürsorge in Kassel als volgt toegelicht (in een schrijven van 24.01.1985)

"Musk. Stanislaus N y c z a k,     + 20.10.1916,

2. Kompanie Landsturm - Infanterie - Bataillon I, Altona, bestattet : Vladslo/Belgien, Block 4 - Grab 828."

Musketier Nyczak maakte dus deel uit van de 2de compagnie Landsturmm-Infanterie, bataljon I (van het Pruissische leger), waar­van de regimentsplaats zich te Altona bevond.

Voor verdere informatie verwees men ons naar het Militärgeschichtliches Forschungsamt in Freiburg/Breisgau. Daar deelde men ons uiteindelijk het volgende ontgoochelende bericht mee

"Die Personalunterlagen von Angehörigen des preussischen Kontingents der ehemaligen kaiserlichen deutschen Armee wurden im Heeresarchiv in Potsdam aufbewahrt. Diese Unterlagen sind 1945 vollständig verbrannt. Da das Landsturmm-Infanterie-Bataillon i zu dem genannten Kontingent gehörte, sind heutzutage keune Personalien feststellbar und es kan somit nichts Näheres über den Musketier Stanislaus Nyczak gesagt werden." (31)

Alles was opgegaan in de vlammen van Wereldoorlog II zodat de afkomst van Nyczak wel altijd een raadsel zal blijven. Het enige wat hieromtrent nog kan opgemerkt worden is dat de familienaam Nyczak op een Poolse afkomst lijkt te wijzen, en dat zou o.m. verklaren waarom hij bij-het Pruissische leger werd ingelijfd. Dit vermoeden wordt gedeeld door het Bayerisches Hauptstaatsarchiv in München

"Der Soldat Stanislas Nyczak dürfte, nach seinem Namen zu schliessen, die polnische Volkszugehörigkeit besessen haben, er hat demnach der Preussischen Armee angehört, deren einschlägige Akten im Zweiten Weltkrieg weitgehend vernichtet worden sind." (32)

Hoe oud was Nyczak toen hij in oktober 1916 om het leven kwam ? Ook op dit punt bestaat er geen eensgezindheid tussen de gein­terviewden.

Volgens wijlen Jozef Vermeire was hij 24 jaar. Ook Clement Vercauteren van Temse (°1899) (33), die Nyczak meermaals heeft ontmoet, schat zijn leeftijd op vooraan in de twintig. Volgens Frans en Marie Lefebure zou hij zelfs slechts 18 à 19 jaar zijn geweest.

Wijlen Emiel Teirbrood (1891-1985) daarentegen wierp op dat te Elversele vooral soldaten lagen die niet meer geschikt waren voor het front (invaliden en ouderen). Ook Nyczak was volgens hem niet meer zo jong.

Clement Vercauteren bevestigt dat de Duitsers die hier verble­ven, vooral oudere soldaten waren. Nyczak zou echter een uit­zondering zijn geweest en zou dat met name te danken hebben aan zijn rijke afkomst. De invloed van zijn ouders zou ervoor gezorgd hebben dat hij, ver genoeg van het front, een risicoloos postje kreeg. Dat het uiteindelijk toch niet zo risicoloos was, kon hij later jammer genoeg niet meer verder vertellen.

We houden het erbij dat Nyczak, in tegenstelling met de meeste van zijn collega's, nog vrij jong was. Zij die dat beweren zijn trouwens stuk voor stuk meerdere keren met de Duitse sol­daat in contact gekomen.

De moeder van Vincent Vermeire, Adelphine Vincke, nam tijdens Wereldoorlog I het kappersbedrijf waar van haar broer Jozef (1883-1926) die aan het front zat. Die kapperszaak was geves­tigd in de huidige herberg 't Hoeksken (Dorpsstraat 99). Ook Stanislaus Nyczak, "Otto" voor de vrienden, kwam zich geregeld laten "rasieren" en stond er bekend als een goede, sympathieke jongen.

Mieke Lefebure (°1902) en haar broer Frans (°1904) houden er een andere mening op na. Toen zij als kinderen al eens wat hout gingen sprokkelen, kwamen ze Nyczak vaak tegen. Ze moes­ten dan telkens hun karretje volledig leeghalen om te zien of er geen smokkelwaar onder verborgen zat. Nyczak was volgens hen een dienstklopper die per sé mensen wou "pakken".

Dat wordt bevestigd door Clement Vercauteren. Nyczak lag er voortdurend op gebrand om smokkelaars te kunnen betrappen. Hij arresteerde zelfs kinderen die al spelend de grens tussen Tielrode (Generaal Gouvernement) en Elversele (Etappegebied) overschreden. Al wie zich met smokkelpraktijken placht in te laten, wist dat hij voor Nyczak op zijn hoede moest zijn.

Nyczak zou dus een fervent, nimmer aflatend, vervolger van smokkelaars zijn geweest. Een heel ander beeld dus dan dat van de brave, sympathieke jongen. Al moeten we natuurlijk zoveel mogelijk nuanceren : wie zèlf als smokkelaar het slachtoffer is geweest van Nyczak, is wellicht vooringenomen.

Toch is het best mogelijk dat de ambitie van onze Duitse sol­daat om smokkelaars te vangen hem uiteindelijk fataal is gewor­den. Volgens Maria de Kerf, hebben haar vader en Medard, nadat ze betrapt waren, nog geprobeerd Nyczak om te kopen.

We herhalen nu de vraag die we aan het begin van dit hoofdstuk hebben gesteld : wie was Stanislaus Nyczak ? Op grond van de, weliswaar beperkte, gegevens in ons bezit, me­nen we die vraag als volgt te mogen beantwoorden:

Stanislaus Nyczak was een jonge Pool, van vooraan in de twintig, die bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog als musketier werd ingedeeld bij het Pruissische leger, meer bepaald bij de 2de compagnie Landsturm-Infanterie, Bataljon I, gekazerneerd te Altona (nabij Hamburg).

Als zoon van invloedrijke ouders kreeg hij een functie toegewe­zen in bezet België, ver genoeg van het front, in de Kommandan­tur Lokeren.

Dat belette hem niet de hem toegewezen job hoogst plichtsbewust op te vatten en met volle toewijding uit te oefenen. Aan de smokkelpraktijken in het grensgebied Elversele-Tielrode wou hij paal en perk stellen. Tot dan die fatale 20ste oktober 1916 kwam en hij zijn plichtsbewustzijn met de dood moest bekopen.


kaartende soldaten



30) Dit blijkt uit een brief van de Freie und Hansestadt Hamburg d.d. 17.5.1985

"auf Ihre o.a. Schreiben teilen wir mit, dass die von Ihnen be­zeichnete Person -Stanislaus N Y C Z A K- mit den von Ihnen ange­gebenen Daten im überprüften Alton./Hamburger Melderegister nicht ermittelt werden konnte."

31) Brief d.d. 11.2.1985 van het Militärgeschichtliches For­schungsamt, Grünwalderstrasse 10-14 - 7800 Freiburg im Breisgau.

32) Brief d.d. 4.10.1984 van het Bayerisches Hauptstaatsarchiv, Leonrodstrasse 57 - 8000 München.

33) Petrus "Clement" Vercauteren woont momenteel te Temse. Hij werd op 12 maart 1899 geboren in de "Kasseistraat" (Hogen­akkerstraat), op de grens tussen Elversele en Tielrode. Hij zou daar trouwens blijven wonen tot aan zijn huwelijk in 1928.


Bijlage 1 : Overzicht van de gevoerde briefwisseling

14.05.84 Consulaat-Generaal van de Bondsrepubliek Duitsland - De Keyserlei 5 - 2018 Antwerpen

Antwoord : 20.06.84

01.06.84 Prof. Dr. J. Dhaenens - Faculteit van de Rechtsge­leerdheid - Seminarie voor strafrecht en strafvorde­ring - Universiteitstraat 4 - 9000 Gent

Antwoord : 15.06.84

20.06.84 Rijksarchief te Gent - Geraard Duivelsteen - Geraard de Duivelstraat 1 - 9000 Gent

Antwoord : 25.06.84

27.06.84 Rijksarchief te Beveren-Waas - Kruibekesteenweg 39 - 2750 Beveren-Waas

Antwoord : 05.07.84

29.07.84 Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie - Herengracht 474 - 1017 CA Amsterdam

Antwoord : 06.08.84

29.07.84 Bundesarchiv Koblenz - Postfach 320 - 5400 Koblenz 1 (Bundesrepublik Deutschland)

Antwoord : zie Bundesarchiv Freiburg i.Br.

29.07.84 Bundesarchiv -Militärarchiv- Wiesentalstrasse 10 - 7800 Freiburg im Breisgau (BRD)

Antwoord : 10.08.84

29.07.84 Bundesarchiv -Zentralnachweisstelle- Abteigarten 6 - 5100 Aachen (BRD)

Antwoord : 19.09.84

11.08.84 Koninklijk Museum van het leger en van krijgsgeschie­denis - Jubelpark 3 - 1040 Brussel

Antwoord : 21.08.84

11.09.84 Archives de l'Etat à Huy -Couvent des Frères Mineurs­

5200 Huy

Antwoord : 15.09.84

11.09.84 Algemeen Rijksarchief - Ruisbroekstraat 2-6 - 1000 Brussel

Antwoord : 18.09.84

26.09.84 Krankenbuchlager Berlin - Wattstrasse 11-13 - 1000 Berlin 65 (BRD)

Antwoord : 22.10.84

26.09.84 Geheimes Staatsarchiv Preussischer Kulturbesitz - Archivstrasse 12-14 - 1000 Berlin 33 (Dahlem) (BRD)

Antwoord : 03.10.84

26.09.84 Bayerisches Hauptstaatsarchiv -Kriegsarchiv- Leon­rodstrasse 57 - 8000 München 19 (BRD)

Antwoord : 04.10.84

26.09.84 Hauptstaatsarchiv Stuttgart -Abteilung Militärarchiv-Gutenbergstrasse 109 - 7000 Stuttgart (BRD)

Antwoord : 03.10.84

26.09.84 Generallandesarchiv Karlsruhe - Nördl. Hildapromenade 2 - 7500 Karlsruhe 1 (BRD)

Antwoord : 16.10.84

26.09.84 Staatsarchiv Dresden - Archivstrasse 14 - 8060 Dres­den (Deutsche Demokratische Republik)

Antwoord : 20.11.84

04.12.84 Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge e.V. - Werner Hilpertstrasse 2 - 3500 Kassel (BRD)

Antwoord : 14.12.84 24.01.85

30.01.85 Militärgeschichtliches Forschungsamt -Abteilung AIF III- Grünwälderstrasse 10-14 - 7800 Freiburg im Breis­gau (BRD)

Antwoord : 11.02.85

18.02.85 Freie und Hansestadt Hamburg - Behörde für Inneres - Einwohner-Zentralamt - Hachmannplatz 2 - 2000 Ham­burg 1 (BRD)

Antwoord : 25.03.85 22.04.85 Idem

Antwoord : 17.05.85

(17.05.85) Deutsche Dienststelle (WASt) - Eichborndamm 167 - 1000 Berlin 51 (BRD)

Antwoord : 24.07.85

29.11.85 Stadtarchiv Leipzig - Postfach 780 - 701 Leipzig (DDR) Antwoord : 27.01.86

 


Bijlage 2 : Lijst van de medewerkers

- Alle tipgevers en geinterviewden, i.h.b. (zonder volledig te kunnen zijn) .

ADRIAENSSENS Hubert (Tielrode)

LEFEBURE Marie

ADRIAENSSENS Jozef (Tielrode)

MAES Josephine

CHRISTIAENS Jules

POPPE Theophiel (Kastel)

CUYT Marcel (Temse)

ROBBERECHT Emiel (Steendorp)

HAUWERE André (Dendermonde)

SMET Jerome (Temse)

DE KERF Malvina (Steendorp)

VAERENDONCK Jozef (Tielrode)

DE KERF Maria (Waasmunster)

VAN BRITSOM Suzanne

DE KOCKER August (+)

VAN BUYNDER Georges

DE LOOSE Alfons (Hamme)

VAN DER GUCHT Alfred (Sint­Niklaas)

DE LOOSE Elisabeth

VAN EXTERGHEM Alfons (Dender­monde

DE RYCK Luc (Temse)

VERCAUTEREN Clement (Temse)

DE SMET Louis

VERGUCHT Frans

DE WESTELINCK Marie

VERHELST Cesar

DE WITTE Margriet (+)

VERMEULEN Maria

HOENS Anna (Hamme)

VERSTEGEN Vedastus (Lokeren)

LAGET Sophie

VINCKE Maria

LEEMAN Hendrik (+)

LEFEBURE Frans

- Drukwerk : BOEL Roger

- Typwerk : PELEMAN Mia

- Het bestuur van de Heemkundige Kring Braem v.z.w., in het bijzonder

DE KEERSMAKER Marcel (bestuurslid tot december 1984)

DE KIMPE Marcel

DE WESTELINCK Willy LAMBRECHT Eduard

VAN DEN HEUVEL Eric

VERMEIRE Vincent


Bibliografie (enkel gepubliceerde bronnen)

BALTHAZAR, H. e.a., Geschiedenis. De moderne tijd van 1914 tot heden. Deurne, 1983 (Culturele geschiedenis van Vlaan­deren, dl. 4).

BERGE, F. VAN DEN, Dagboek van een oudstrijder 1914-1918. Wetteren, 1968.

BOEY, M., Tragedie 14/18. Het voorspel van "Vlaanderen aan de Ijzer". Met een voorwoord van Hendrik Borginon. Diks­muide/Tielt/Utrecht, 1974.

CONTAMINE, H., De grote oorlog 1914-1918. Bussum, 1973.

HEEMKUNDIGE KRING Braem. Driemaandelijks tijdschrift voor heemkunde, jg. 1 nr. 2 (Elversele, april 1969) (oorlogs­nummer 1914-1918).

ISACKER, K. VAN, Mijn land in de kering. 1830-1980, 2 dln. Antwerpen/Amsterdam, 19803-1983.

ONZE TEMSCHENAARS (o. red. v. 0. BULTERYS en Cl. DE LANDTS­HEER). 20 nrs. (Cherbourg, februari 1917 - Temse, mei 1919).

RAEMDONCK, F. VAN, Kroniek van Tielrode, 2 dln. Tielrode, 1972-1973.

VLAMINCK, C., Het etappengebied in België tijdens den oorlog 1914-1918. Brussel, 19223.

VOS, F. DE, Een bijna vergeten drama uit de Eerste Wereld­oorlog. De terechtstelling van M. Adriaenssens en J. de Kerf, in : Heemkundige Kring Braem. Driemaandelijks tijd­schrift voor heemkunde, jg. 7 nr. 2 (Elversele, juni 1975), pp. 2-5.

VOS, F. DE, Een vergeelde herinnering aan de Eerste Wereld­oorlog, in : De Souvereinen. Tijdschrift van de Heemkring van Lokeren, jg. 8 nr. 3 (Lokeren, juli 1977), pp. 84-86.

VOS, F. DE, Het oorlogsdagboek van Maurice Laekeman. Lokeren tijdens de eerste wereldoorlog, in : De Souvereinen. Tijd­schrift van de Heemkring van Lokeren, jg. 5 nr. 1 (Lokeren, januari 1974) - jg. 13 nr. 4 (Lokeren, december 1982).

VOS, F. DE, In Memoriam Mr Jozef van Winckel, in : De Souve­reinen..Tijdschrift van de Heemkring van Lokeren, jg. 3 nr. 3 (Lokeren, juni 1972), pp. 68-69.

WEVERBERGH, J. en R. VAN OPBROECKE, De bezetter bespied. Ant­werpen/Amsterdam, 1980.

Grote WINKLER PRINS, 20 dln. Amsterdam/Brussel, 1973-1975.

20-12-07

De moord op Stanislaus Nyczak (hoofdstuk IV)

IV. SPEURTOCHT NAAR EEN LIJK

­Zoals we hoger vermeldden werd de vermoorde Duitse soldaat, Stanislaus Nyczak, op 24 oktober 1916 op het kerkhof van Lokeren begraven. Toen wij daar in het najaar van 1984 een kijkje gin­gen nemen, moesten wij tot onze verwondering constateren dat er van Nyczak helemaal geen spoor meer was. Bovendien kon noch de huidige noch de vroegere grafmaker ons daar een afdoende verkla­ring voor geven.

Gelukkig kwamen we toen in contact met pater Vedastus Verstegen (°1906) van de Lokerense Minderbroeders. Hij signaleerde ons het oorlogsdagboek van Maurice Laekeman, waarin het volgende te lezen staat (betreffende het jaar 1918)

"Op 29 April werden den 3e en 4e engelschen krijgsgevangen begraven. Maar deze werden naar het militair kerkhof van Appels-Dendermonde ge­voerd. Men had besloten voortaan alle overleden soldaten te begraven op een nieuw aangelegd soldaten kerkhof te Appels-Dendermonde. Ook moesten al de reeds begraven soldaten alhier, en ook die nog op andere kerkhoven in den omtrek lagen, terug uitgegraven worden en naar dit mi­litaire kerkhof overgebracht worden.

Begin Mei kwam alhier den overschot toe van eene soldatendievisie die aan den Kemmelberg in de lucht gevlogen was. Zoo vertelden de soldaten zelf.

(...)

Op 6 Mei begon men alhier met de ontgraving der gesneuvelde en andere bezweken soldaten. Die vuile karwei wilde men ons opleggen, maar dit weigerden wij tot tweemaal toe en werden er gelukkiglijk van ontslagen. Echter werd ons streng bevolen de lijken goed aan te wijzen, een kaartje met hun naam en den nummer van begraving op de kist te hechten en deze te vergezellen, iedermaal er een transport was van 6 à 10 lijken naar Appels-Dendermonde. Ook werden de ontgraven soldaten uit de kommandan­tur naar ons kerkhof gebracht om dan medegevoerd te worden naar 't mili­tair kerkhof. Gezien wij de ontgraving niet deden kwam er een ploeg soldaten van 12 man die met dit vuil werkje gelast werden." (26)

In een volgende aflevering van het tijdschrift van De Soevereinen werd daar nog het volgende aan toegevoegd

"Telkenmale ontgroef men er dagelijks 6, waren de kisten te slecht dan werden deze in eene nieuwe geplaatst en opgestapeld in het klein dooden­huisje om 's anderdaags op een grooten wagen als beesten naar 't militair kerkhof van Appels-Dendermonde overgebracht te worden. Zo werden hier 26 duitsche, 2 engelsche en 2 belgische soldaten ontgraven. De andere belgische gesneuvelde soldaten mochten blijven liggen, op ons aandringen en zeggen dat ze allen in een gemeenzaam graf begraven lagen en het niet mogelijk was hun er afzonderlijk uit te halen.

Met deze leugen zagen
zij er van af. Twee belgische soldaten die wij vroeger al ontgraven had­den en op een andere afzonderlijke plaats hadden begraven moesten kost wat kost toch mede, niettegenstaande wij alles deden om hun hier te be­houden.

Al deze ontgravingen gedaan door halve wildemans soldaten en schnaps­schinkers, nam een einde den 23 Mei. Niet alleen wij, maar ook heel de gebuurte was tevreden om den vuilen geur bij het ontgraven en vervoeren der ontbindende lijken. " ( 27 )

Ook het stoffelijk overschot van Stanislaus Nyczak was dus in mei 1918 overgebracht naar het militair kerkhof van Appels bij Dender­monde.

In het stadsarchief van Dendermonde (28) konden wij een register inkijken over de ontgravingen 1914-19L8 : nr. 267 betrof Stanislas Nyckak (sic). De exacte begraafplaats stond gesitueerd op een plan van het militair kerkhof dat deel uitmaakt van het burgerlijk kerkhof van Appels. Uit het register bleek ook dat hij op 16 mei 1918 te Lokeren was ontgraven.

Op het kerkhof van Appels, Kerkhofwegel 17, vonden we weliswaar een paar honderd Belgische soldaten uit de Eerste Wereldoorlog, evenals enige Engelse, maar Duitsers zochten we er vruchteloos. Net als op het kerkhof van Lokeren dus geen Nyczak meer te vin­den.

We gingen toen de oude grafmaker, Alfons "Frans" van Exterghem
(°1908), thuis opzoeken. Gelukkig had de man een goed geheugen zodat hij ons wist te vertellen dat ca. 1955 alle Duitsers nogmaals werden ontgraven en overgebracht naar het militair kerkhof van Vladslo bij Diksmuide.

Op 3 december 1984 bezochten wij het militair kerkhof in de Hout­landstraat te Vladslo, een Duits soldatenkerkhof waar 25.644 ge­sneuvelden uit de Eerste Wereldoorlog werden herbegraven.

Het kerkhof werd opgericht door de Volksbund Deutsche Kriegsgräber-fürsorge uit Kassel in samenwerking met de Duitse Bondsregering. Het was in de jaren 1955-1957 dat op initiatief van deze Volksbund een massa Duitse gesneuvelden van diverse soldatenkerkhoven over heel België (o.m. dat van Dendermonde-Appels) werden verzameld op 4 grote begraafplaatsen in West-Vlaanderen (enkel voor gesneuvel­den van WO I) : Hooglede, Langemark, Menen en Vladslo. Dat van Vladslo is prachtig gelegen in het uitgestrekt Praatbos, een restant van het vroegere Bos van Koekelare. Achteraan op de begraaf­plaats staat het beroemde "Treurende ouderpaar", een standbeeld van Käthe Kollwitz dat ze opdroeg aan haar zoon Peter (gesneuveld op 23.10.1914). (29)

De aanleg van het kerkhof is bijzonder sober gehouden. Per 20 soldaten werd er een vierkante steen voorzien met vermelding van de naam, de functie en de overlijdensdatum.

Aanvankelijk leek het ons onbegonnen werk om uit 25.644 namen die van Nyczak terug te vinden. Er was gelukkig een registerruimte met een 6-delig alfabetisch register ("Belegungsliste"). Met be­hulp hiervan konden we het graf van Nyczak lokaliseren in blok 4, grafsteen 828.

Op de aangegeven plaats vonden we de volgende vermelding terug

"Stanislaus Nyczak   musketier   + 20.10.16."

Na heel wat hindernissen en omwegen stonden we uiteindelijk dan toch voor de laatste (?) "laatste rustplaats" van de te Elversele om het leven gebrachte Duitse. soldaat.


begraafplaats Vladslo

 


graf Stanislaus Nyczak Vladslo


 

26) DE VOS, F., Het oorlogsdagboek van Maurice Laekeman. Loke­ren tijdens de eerste wereldoorlog, in : De Souvereinen. Tijdschrift van de Heemkring van Lokeren, jg. 12 nr. 3 (Lo­keren, september 1981), pp. 99-100.

27) De Souvereinen. Tijdschrift van de Heemkring van Lokeren,, jg. 13 nr. 1 (Lokeren, maart 1982), p. 29.

28) Het stadsarchief van Dendermonde vond een onderkomen in het nieuw Administratief Centrum, Franz Courtensstraat 11 -9330 Dendermonde.

Het bedoelde register bevindt zich in een doos met het op­schrift "Militie - Ontgravingen 1914-18 - registers 1940-43 - Opeisingen".

29) In de inleiding tot het 6-delig alfabetisch register van de begraafplaats vonden we daarover de volgende, ontroerende, toelichting

"Bei der Zusammenbettung kam mit den Toden Kameraden aus Eessen­-Roggeveld auch Peter Kollwitz nach Vladslo-Praetbosch und mit ihm die Plastik des trauernden Elternpaares von Käthe Kollwitz, die ihrem Sohn aus der Kraft ihrer Liebe und ihres hohen Künstlertums dieses Grabmal schuf. Es steht unmittelbar vor seinem Grab und gleichzeitig vor dem gesamten Gräberfeld und ist Symbol für alle Eltern, die vor den Gräbern ihrer gefallenen Söhne beten."

19-12-07

De moord op Stanislaus Nyczak (hoofdstuk III 9)

9. 9 januari 1917 : Voltrekking van het vonnis

Gedurende de nacht van 8 op 9 januari 1917 werden Jozef de Kerf en Medard Adriaenssens voorbereid op de dood door 2 paters uit het franciscanenklooster te Lokeren : pater Richardus (20), toen­malig gardiaan, en pater Amandus (21).


paters



Op dinsdag 9 januari, vroeg in de morgen, werden de 2 ter dood veroordeelden "van onder de Paraplu" gehaald door 4 rijkswachters.

Eén van hen, Jozef de Kerf, slaagde er nog in zich los te rukken en weg te lopen. Indien hij de weg had geweten te Lokeren, was hij zeker kunnen ontvluchten. Nu liep hij recht in de armen van een groep Duitse soldaten.

Beiden werden toen, samen met hun doodskist, op een zware vracht­auto geladen en naar Elversele gevoerd.

Toen ze rond half 9 op de Legen Heirweg te Elversele arriveerden, heerste er reeds een ongewone drukte. Duitsers te voet en te paard hielden de nieuwsgierigen op afstand, terwijl de 2 veroor­deelden, die nog steeds werden bijgestaan door pater Richard, uit de camion werden gehaald.

Medard rookte een sigaret en zwaaide met zijn klak naar de omstaanders. Hij riep herhaalde­lijk dat hij nog veel moed had. De Kerf daarentegen was toen al meer dood dan levend en kon nog nauwelijks op zijn benen staan.

Van op de Legen Heirweg ging het te, voet naar de plaats van exe­cutie, een 50-tal meter oostelijk van de plaats waar de moord werd gepleegd. De plaats van de moord zelf was té gevaarlijk om­dat de binnendijk niet zo ver kwam en men wou vermijden dat er bij de executie verdwaalde kogels in Hamme zouden terechtkomen.


plaats executie

Plaats van de executie


Bij de executie mocht niemand aanwezig zijn. Toch waren er waag­halzen die alles hadden kunnen zien, o.m. Frans Lefebure, Theo­phiel Berckmoes en Sophie Laget.

De Kerf en Adriaenssens werden in het "meersken" aan 2 jonge ca­nada's gebonden, met hun gezicht naar de Legen Heirweg, en ver­volgens geblinddoekt. Pater Richard liep ondertussen steeds maar heen en weer tussen de 2 veroordeelden. Medard zou nog geroepen hebben : "We zijn hier met een man te weinig", daarmee waarschijn­lijk doelend op diegene die hen verraden had (zijn nonkel ?).

De executie werd volgens Maurice Laekeman voltrokken door 24 Uhlanen. Sophie Laget daarentegen beweert dat slechts 2 keer 4 Duitsers naar voren moesten treden. De waarheid zal, zoals ge­woonlijk, wel ergens in het midden liggen. In het frontblaadje Onze Temschenaars, onder redactie van Octaaf Bulterys en Clemens de Landtsheer, is trouwens sprake van een peloton van 10 man. (22)

Het was exact 4 minuten vóór 9 uur toen de schoten vielen (zo blijkt uit de pas in 1919 opgemaakte overlijdensakte).

Volgens Frans Lefebure werd het executiepeloton geronseld onder de Duitsers die te Elversele logeerden. Verscheidene Elversele­naren, o.m. Frans' vader, gaven hun logeerders de raad zich niet te melden aangezien ze zich dan onsympathiek zouden maken bij de plaatselijke bevolking.

Nadat de executie voltrokken was, gingen de Duitsers weg zonder nog naar de lijken om te kijken. Dat was de verantwoordelijkheid van champetter Albert van Vlierberghe en hulpchampetter Cesar de Loose.

Het waren jongens van ter plaatse, o.m. Achiel Teirbrood (1895­1975), Petrus Boel (1894-1982) en Jozef Bogaert ("Jef Kamiel"), die de kisten met elsklippers naar de Legen Heirweg droegen.

Daar werden ze op een platte boerenkar geplaatst en naar het kerk­hof van Elversele gereden. Het bloedspoor kon heel de weg gevolgd worden.

Dezelfde dag nog kwam de moeder van Medard haar zoon afleggen in het dodenhuisje van Elversele.

Beide geëxecuteerden werden in hun respectieve parochies begra­ven : Medard te Tielrode, De Kerf te Temse.

In de canada's waaraan ze waren gestorven werden, kort na de exe­cutie, kruisen gesneden door onbekenden. Die kruisen zijn daar jarenlang te zien geweest.

De dag van de executie, 9 januari 1917, publiceerden de Duitsers een 2-talige affiche (Duits-Nederlands) waarin het vonnis en de voltrekking ervan werden bekendgemaakt. (23)

De Duitsers lieten anderzijds niet toe dat er een overlijdensakte werd opgemaakt voor de 2 onfortuinlijke smokkelaars. Dit leverde enkele jaren later problemen op voor De Kerfs weduwe. Zij wou hertrouwen met Jozef Penneman uit Temse (°Tielrode 29.04.1883), doch wettelijk gezien was zij nog steeds getrouwd met Jozef de Kerf.

Dit werd rechtgezet bij vonnis (toen nog in het Frans) van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde d.d. 01.03.1919. Be­doeld vonnis werd op 25 maart 1919 woordelijk overgeschreven in de overlijdensakten van de gemeente Elversele (akte nr. 3). (24)

Het was uiteindelijk pas op 22 juli 1920 dat Irma van Remoortere hertrouwde met mandenmaker Jozef Penneman. Uit dit 2de huwelijk werden nogmaals 4 kinderen geboren, waarvan weerom 3 jong gestor­ven. Enkel Oscar, een halfbroer dus van Maria de Kerf, overleef­de (°Temse, 05.09.1921).Jozef Penneman overleed op 04.11.1948, 65 jaar oud.

Irma van Remoortere, reeds 2 maal weduwe, zou ca. 1959 nog een 3de maal in het huwelijk treden met een Temsenaar die in Boechout woonde. Het was toen dat ze alle herinneringen aan haar eerste echtgenoot verbrandde. Ze overleed in maart 1964, 70 jaar oud.

Ook het overlijden van Medard Adriaenssens diende bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde te worden vastge­steld. Dit vonnis dateert van 26.07.1919. Het werd overgenomen in de overlijdensakten van de gemeente Elversele van het lopende jaar op 18.09.1919 (akte nr. 22). (25)


20) Pater Richardus Degreef werd geboren te Sint-Truiden op 1 juni 1875. Op 23 september 1892, amper 17 jaar oud, trad hij in bij de Franciscanen. Hij werd priester gewijd op 27 mei 1899.  Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij gardiaan (overste) van het Minderbroedersklooster te Lokeren. Later werd hij, in zijn functie van gardiaan, overgeplaatst naar Sint-Niklaas. Hij overleed te Sint-Truiden op 4 maart 1929.

21) Pater Amandus Hardy zag het levenslicht op 25 juni 1857 te Aalter. Hij werd priester gewijd te Gent op 29 augustus 1880. Op 29 april 1885 werd hij geprofest bij de Minderbroeders van Tielt. In latere jaren was hij o.m. gardiaan van verscheidene franciscanenkloosters. Hij overleed te Lokeren op 17 mei 1929.

22) Zie daarvoor : Onze Temschenaars, nr. 1 (Cherbourg, februari­maart 1917), p. 2.

Er dient hier onmiddellijk aan toegevoegd dat wat in Onze Tem­schenaars aangaande de moord en de executie die daarop volgde gepubliceerd werd, weinig nauwkeurig is. Hoogstwaarschijnlijk betreft het hier nieuwtjes die De Landtsheer, vanuit Cherbourg in Frankrijk, slechts via heel wat omwegen te weten kwam

"In de maand Januari 11. wilden twee mannen van Temsche naar het etappengebied. Een Duitsch schildwacht wilde hen weerhouden; een gevecht ontstond en de soldaat werd gedood. Patrouiles werden hun achterna gezonden en namen ze gevangen. De mannen werden aan een boom gebonden en door een peloton van 10 man doodgeschoten. Dit vonnis werd achter 't kerkhof voltrokken. Wel 500 inwoners zijn de lijken komen groeten. Volgens 't schijnt is het een zeke­ren "den Daf" en zijn makker."

(Onze Temschenaars, nr. 1 (Cherbourg, februari-maart 1917), p. 2)

"In ons nr 1 spraken we van twee broeders, waaronder een zekeren "den Daf" zou zijn, die naar Holland wilden vluchten, een Duitsch schildwacht doodden en aangehouden werden. Ziehier volgens "Ons Vlaanderen" meldt, op welke tragische wijze onze twee arme mede­burgers den dood vonden : Beide mannen werden in een open auto naar Temsche gebracht, waar ze de doodstraf zouden ondergaan. Elk zat bij zijne doodskist en zoo werden beide mannen door de straten der gemeente gevoerd. Een van de jongens weende luid, de andere wuifde met zijn zakdoek. Op de plaats waar zij de doodstraf zouden ondergaan vroeg de jongste, pas 21 jaar oud, de toelating nog een woord aan zijn makker te mogen toesturen. Dit werd toege­staan : Kamaraad, sprak hij op vasten toon, schep moed wij hebben onzen plicht gedaan ! - Daarop werden ze geblinddoekt en doodge­schoten. - Naar wij vernemen zou de tweede gefusilleerde burger

Ferdinand De Buyser zijn. Arme jongens !"

(Onze Temschenaars, nr. 2 (Cherbourg, april 1917), p. 4)

23)  
De tekst van deze tweetalige affiche d.d. 9.1.1917 luidt, in hut Nederlands, als volgt

"1. Bij vonnis van het veldgerecht der Etappenkommandantur 11 Garde van 25. November 1916, bekrachtigd op den 1. December 1916 zijn,

de handelaar Medard Adriaenssens van Tielrode,en de wever Josef De Cerf van Temsche,
wegens gemeenschappelijken moord op eenen zich in dienst bevindende sol­daat
ter dood
veroordeeld, en heden op de plaats der misdaad te Elverzele doodgeschoten geworden.

2. De scheepsarbeider Edmond Adriaenssens van Tielrode is door hetzelfde vonnis wegens medeplichtigheid aan de moord tot 3 jaren tuchthuisstraf veroordeeld geworden.

Lokeren, 9. Januari 1917. (get.) v. d. Knesebeck,

Oberstleutnant u. Etappen­kommandant."

(Koninklijke Oudheidkundige Kring van het Land van Waas verzameling Aanplakbiljetten Wereldoorlog I, indexnummer 191715)

24)  
Overlijdensakten van de gemeente Elversele : 1919 nr. 3

"Nous Albert, roi des Belges, A tous présents et à venir faisons savoir : Le Tribunal de première instance séant à Termonde, première chambre, a rendu sur requête le jugement suivant : A Messieurs les Présidents et Juges du Tribunal de première Instance de Termonde; - Le Procureur du Roi de l'arrondissement de Termonde a l'honneur de vous exposer : Que le nommé De Kerf Joseph époux de Van Remoortere Irma est décédé à Elversele, le neuf Janvier 1900 et dix-sept à huit heures cinquante six minutes du matin (heure de l'Europe Centrale); - Que le fait de ce décès est établi à suffisance par les pièces join­tes à la requête; - Que l'acte de décès du prénommé n'a pas été in­scrit dans les régistres de l'Etat-Civil de la Commune d'Elversele; -

Que Van Remoortere Irma, veuve de De Kerf Joseph, se propose de se remarier; - Qu'elle est indigente; - C'est pourquoi il requiert, vu l'article 7 de la loi du 16 Aout 1887, qu'il plaise au Tribunal dé­clarer qu'est décédé à Elversele le neuf Janvier 1900 dix-sept à huit heures cinquante six minutes (Heure Europe-Centrale), le nommé De Kerf Joseph fils de David et de Meirleir Elisa, son épouse, né à Tamise le dix-huit Décembre 1800 nonante, époux de Van Remoortere Irma; - et que le jugement à intervenir tien­dra bien d'acte de décès ordonner que ce jugement sera transcrit aux regietres de l'Etat-Civil à Elversele de l'année courante et que mention en sera faire au registre des actes de décès de l'année 1900 dix-sept, en marge de l'endroit ou l'acte (inscrit) lisez : aurait du être inscrit - Fait au Parquet à Termonde le vingt-six février 1900 dix-neuf. Le Procureur du Roi, /signé/ Schramme. Nous président du Tribunal de première instance séant à Termonde, commettons Monsieur le Juge Langerock pour faire rapport. Termonde le vingt-huit février 1900 dix-neuf /signé/ A. Van der Linden. - Le Tribunal de première Instance séant à Termonde; Vu la requête présentée d'office par Monsieur le Pro­cureur du Roi près de ce siège; - Vu les pièces y annexées; - Oui Monsieur le Juge Langerock; Attendu qu'il est établi par les pièces produites que le nommé De Kerf Joseph époux de Van Remoortere Irma, est décédé à Elversele, le neuf Jan vier 1900 dix-sept à huit heures cinquante six minutes du matin (heure de l'Europe centrale). - Constaté que le susnommé De Kerf Jo­seph époux de Van Remoortere Irma est décédé à Elversele le neuf Janvier 1900 dix-sept à huit heures cinquante six minutes du matin (heure de l'Europe centrale); - Ordonne que le présent jugement sera transcrit sur les registres des décès de l'année courante de la commune de Elversele et que mention en sera faite en marge de la place que l'acte eut été regulièrement inscrit. - Ainsi fait et prononcé à l'audience publique de la première chambre du premier Mars 1900 dix-neuf, ou étaient pré­sents Messieurs Van der Linden, Président Langerock et Geerinckx,

Juges, Van Winckel, juge suppléant délégué comme juge f.f. de Procureur du Roi à défaut de ce magistrat et de ses Substituts tout légalement empêchés; Vandermeeren greffier-adjoint surnumé­raire /signé/ A. Van der Linden. Paul Vandermeeren. - Mandons et ordonnans à tous huissiers à ce requis, de mettre le pré­sent jugement à exécution. A nos Procureurs généraux et à nos Procureurs près les Tribunaux de première Instance d'y tenir la main et à tous commandants et officiers de la force publique d'y prêter main-forte lorsqu'ils en seront légalement requis. En foi de quoi le présent Jugement a été signé et scellé du sceau du Tribunal. Pour première Grosse conforme délivrée à Monsieur Ie Procureur du Roi. Le greffier /signé/ Paul van der Meeren. - Ingeschreven overeenkomstig het artikel een honderd een van het Burgerlijk Wetboek door ons schepene afgevaardigde ambtenaar van den Burgerlijken Stand der gemeente Elversele, den vijf en twintigsten Maart negentien honderd en negentien en die mits deze ook goedkeurt de doorhaling van zes en vijftig woorden in bovenstaanden akt

(handt. A. Vermeire)"

N.B. De schrapping van 56 woorden betreft de voorgedrukte tekst van de 4 akten die men nodig had om dit vonnis in te schrijven.

25)  Overlijdensakten van de gemeente Elversele : 1919 nr. 22, de tekst is, op de namen na, analoog met die van het vonnis betreffende Jozef de Kerf.